Выбрать главу

‘Er kan daar van alles zijn,’ zei Tas, die nog steeds naar de sokkel stond te kijken. Hij had duidelijk geen woord gehoord van wat er was gezegd. ‘Een kristallen bol waarmee je in de toekomst kunt kijken, of een magische ring zoals die ene die ik ooit heb gehad. Heb ik je weleens verteld over mijn magische ring?’ Flint kreunde. Tanis hoorde de kender babbelen terwijl het tweetal de trap afliep.

De halfelf draaide zich om naar Waterwind. ‘Jij bent hier geweest, dat moet haast wel. We hebben de godin gezien die jou de staf heeft gegeven. Ben je ook hierbeneden geweest?’

‘Dat weet ik niet,’ zei Waterwind vermoeid. ‘Ik kan me er niets van herinneren. Helemaal niets, behalve de draak.’

Tanis deed er het zwijgen toe. De draak. Het kwam allemaal aan op de draak. Dat wezen beheerste ieders gedachten. En wat stak hun kleine groepje zwak af bij dat monster dat in zijn volle glorie was opgedoken uit de meest duistere legendes van Krynn. Waarom wij, dacht Tanis verbitterd. Was er ooit een onwaarschijnlijker groepje helden geweest met al dat gekibbel, gemopper en geruzie, en waarin de ene helft de andere helft niet vertrouwde? ‘We zijn uitverkoren.’ Dat bood weinig troost. Tanis wist nog precies wat Raistlin had gezegd: ‘Wié heeft ons uitgekozen? En met welk doel?’ Dat begon de halfelf zich ook af te vragen.

Stilletjes liepen ze de steile wenteltrap af, die steeds dieper doordrong in de flank van de heuvel. In eerste instantie was het aardedonker, maar naeen tijdje werd het lichter, zo licht zelfs dat Raistlin het kristal op zijn staf kon doven. Kort daarna hief Sturm zijn hand om de anderen te beduiden te stoppen. Voor hen uit strekte zich een korte gang uit, niet meer dan een paar voet lang. Die leidde naar een gewelfde doorgang waarachter een enorme open ruimte gaapte. Een vaalgrijs licht scheen de gang in, en het stonk er naar vocht en rotting.

Een hele tijd bleven de reisgenoten aandachtig staan luisteren. Ergens onder hen en aan de andere kant van de doorgang klonk het geruis van water, dat bijna alle andere geluiden overstemde. Toch dacht Tanis dat hij nog iets had gehoord, een scherpe knal, en een ritmisch gebons op de grond, dat hij eerder voelde dan hoorde. Het was echter van korte duur en er klonken geen knallen meer. Vervolgens klonk er een nog merkwaardiger geluid: een metaalachtig, schril geknars. Tanis keek vragend naar Tasselhof.

De kender haalde zijn schouders op. ‘Ik heb geen flauw idee,’ zei hij terwijl hij met zijn hoofd schuin geconcentreerd luisterde. ‘Ik heb nog nooit zoiets gehoord, Tanis, behalve die ene keer...’ Hij zweeg en schudde toen zijn hoofd. ‘Wil je dat ik even ga kijken?’ vroeg hij gretig.

‘Doe maar.’

Tasselhof sloop door de korte gang, van de ene schaduw naar de andere schietend. Een muis die over een dik tapijt rent maakt nog meer lawaai dan een kender die zijn aanwezigheid niet wil verraden. Al snel was hij bij de doorgang en kon hij om het hoekje gluren. Voor hem uit strekte zich een zaal uit die ooit een ceremoniële functie moest hebben vervuld. De Zaal van de Voorvaderen, zo had Raistlin hem genoemd. Nu was het een zaal van puin. Aan de oostkant was een deel van de vloer weggezakt in een gat waar een smerig ruikende witte mist uit opsteeg. Tas zag nog meer grote gaten in de vloer, en her en der staken grote stukken steen recht omhoog, als grafstenen. Voorzichtig tastte de kender met zijn voeten de vloer af voordat hij de zaal inliep. Door de mist heen kon hij vaag een donkere doorgang in de zuidelijke wand onderscheiden. .. en nog een in de noordelijke. Het vreemde geknars kwam uit zuidelijke richting. Die kant liep Tas op.

Opeens hoorde hij in het noorden, achter zich, weer dat ritmische gebonk. De vloer trilde ervan. Haastig vluchtte de kender terug naar de trap. Zijn vrienden hadden het geluid ook gehoord en stonden met hun rug plat tegen de muur, hun wapens in hun handen. Het gebonk ging over in een luid gesuis. Achter de gewelfde doorgang schoten een stuk of tien, vijftien gedrongen, donkere silhouetten voorbij. De vloer beefde. Ze hoorden gehijg en af en toe een gemompeld woord. Toen verdwenen de gestalten in zuidelijke richting in de mist. Opnieuw klonk er zo’n scherpe knal, gevolgd door stilte.

‘In de naam van de Afgrond, wat was dat?’ riep Caramon uit. ‘Dat waren geen draconen, tenzij er nu opeens een klein, dik ras bij is gekomen. En waar kwamen ze vandaan?’

Van de noordzijde van de zaal,’ zei Tas. ‘Daar is een doorgang, en aan de zuidkant nog een. Dat rare geknars komt uit zuidelijke richting, waar die wezens naartoe renden.’

‘Wat is er in het oosten?’ vroeg Tanis.

‘Afgaand op het geluid van vallend water dat ik hoorde, een gat van ongeveer duizend voet diep,’ antwoordde de kender. ‘De vloer is daar weggezakt. Het lijkt me geen goed idee om die kant op te lopen.’

Flint snoof. ‘Ik ruik iets... iets bekends. Ik kan het alleen niet plaatsen.’

‘Ik ruik de dood,’ zei Goudmaan, die rillend de staf dichter tegen zich aan drukte.

‘Welnee, dit is veel erger,’ mompelde Flint. Toen sperde hij zijn ogen open en werd zijn gezicht vuurrood van woede. ‘Ik heb het!’ bulderde hij. ‘Greppeldwergen!’ Hij haalde zijn bijl van zijn rug. ‘Dat waren die kleine ellendelingen dus, greppeldwergen. Nou, dat zal niet lang meer duren. Nog even en het zijn stinkende lijken.’

Hij rende de gang in. Tanis, Sturm en Caramon haastten zich achter hem aan, wisten hem nog vóór het eind van de gang te bereiken en sleurden hem mee terug.

‘Wees stil!’ beval Tanis de tegensputterende dwerg. ‘Vertel. Hoe zeker ben je ervan dat het greppeldwergen zijn?’

De dwerg rukte zich boos los uit Caramons greep. ‘Heel zeker!’ brulde hij, maar toen liet hij zijn stem dalen tot een luid gefluister. ‘Ze hebben me toch zeker drie jaar gevangen gehouden?’

‘O ja?’ vroeg Tanis verschrikt.

‘Daarom heb ik je niet verteld waar ik de afgelopen vijf jaar heb uitgehangen,’ zei de dwerg, rood van schaamte. Zijn gezicht werd duister. ‘Maar ik heb gezworen dat ik wraak zou nemen. Ik vermoord iedere levende greppeldwerg die ik tegenkom.’

‘Wacht eens even,’ viel Sturm hem in de rede. ‘Greppeldwergen zijn niet boosaardig, tenminste, niet zoals kobolden. Waarom wonen ze hier dan, samen met de draconen?’

‘Omdat ze slaven zijn,’ antwoordde Raistlin koel. ‘Ongetwijfeld wonen de greppeldwergen hier al jaren, waarschijnlijk al sinds de stad is leeggelopen. Toen de draconen hiernaartoe werden gestuurd, wellicht om de schijven te bewaken, troffen ze de greppeldwergen aan en dwongen ze die tot slavenarbeid.’

‘Misschien kunnen ze ons dan wel helpen,’ prevelde Tanis.

‘Greppeldwergen!’ barstte Flint uit. ‘Ben je echt van plan te vertrouwen op die smerige, kleine—’

‘Nee,’ zei Tanis. ‘Natuurlijk kunnen we niet op ze vertrouwen. Maar vrijwel iedere slaaf is bereid zijn meester te verraden, en zoals de meeste dwergen zijn greppeldwergen niet erg loyaal, behalve aan hun eigen stamhoofden. Zolang we hun niet vragen iets te doen waarmee ze hun eigen leven in gevaar brengen, kunnen we ons misschien van hun hulp verzekeren.’

‘Alle ogerkonten nog an toe!’ zei Flint verontwaardigd. Hij smeet zijn bijl op de grond, rukte zijn reistas van zijn schouders en ging met zijn armen over elkaar tegen de muur op de grond zitten. ‘Je gaat je gang maar. Vraag je nieuwe vriendjes maar om hulp. Ik doe er niet aan mee! O, ze zullen je best helpen. Recht de snuit van die draak in!’

Tanis en Sturm wisselden een bezorgde blik. Ze moesten denken aan het incident met de boot. Flint kon ongelooflijk koppig zijn, en Tanis achtte het heel waarschijnlijk dat de dwerg deze keer onvermurwbaar zou blijken te zijn.

‘Ik weet niet, hoor,’ verzuchtte Caramon hoofdschuddend. ‘Jammer dat de dwerg niet meegaat. Als we die greppeldwergen zover krijgen dat ze ons helpen, wie moet dat uitschot dan in het gareel houden?’

Tanis glimlachte, verbaasd dat Caramon zo geraffineerd kon zijn, en speelde het spelletje mee. ‘Sturm, denk ik.’