‘Wat gebeurt?’ vroeg er een, starend naar Raistlin. De betoverde greppeldwergen stonden om de magiër heen, trekkend aan zijn gewaad, en probeerden hem met zich mee te sleuren, verder de gang in.
‘Vriend. Dit onze vriend,’ kwetterden ze allemaal wild in een primitieve vorm van het Gemeenschaps.
‘Ja,’ zei Raistlin met zachte, vriendelijke stem, zo beleefd en innemend dat Tanis even van zijn stuk was gebracht. ‘Jullie zijn allemaal mijn vrienden,’ ging de magiër verder. ‘Vertel eens, mijn vrienden, waar gaat deze gang naartoe?’ Meteen klonken er overal opgewonden antwoorden.
‘Gang gaat die kant op,’ zei er een, naar het oosten wijzend.
‘Nee, hij gaat die kant op!’ zei een ander, naar het westen wijzend.
Er ontstond een opstootje toen de greppeldwergen begonnen te duwen en trekken. Al snel zwaaiden er vuisten, en binnen een mum van tijd had de ene greppeldwerg de andere tegen de grond gewerkt en schopten ze elkaar, terwijl ze om het hardst schreeuwden: ‘Die kant op! Die kant op!’
Sturm draaide zich om naar Tanis. ‘Dit is belachelijk! Nog even en iedere dracoon die hier rondloopt komt op het kabaal af. Ik weet niet wat die maffe magiër heeft gedaan, maar je moet hem tegenhouden.’
Voordat Tanis echter kon ingrijpen, nam een vrouwelijke greppeldwerg het heft in handen. Ze dook in het strijdgewoel, greep de twee vechters vast, sloeg ze stevig met de koppen tegen elkaar en liet ze op de grond vallen. De anderen, die om hen heen hadden staan juichen, vielen meteen stil, en de nieuwkomer draaide zich om naar Raistlin. Ze had een dikke, bolle neus en haar haren stonden alle kanten op. Ze droeg een verstelde, gerafelde jurk, stevige schoenen en een maillot waarvan de helft om haar enkels hing. Desondanks had ze kennelijk een leidende positie onder de greppeldwergen, want ze betoonden haar allemaal respect. Dat kwam wellicht door de enorme, zware tas die om haar schouder hing en die over de grond sleepte als ze liep, waardoor ze er keer op keer over struikelde. Kennelijk was die tas erg belangrijk voor haar. Telkens als een van de andere greppeldwergen hem wilde aanraken, draaide ze zich met een ruk om en gaf hem een klap in zijn gezicht.
‘Gang leidt naar grote bazen,’ zei ze met een knikje naar het oosten.
‘Dank je, lief kind,’ zei Raistlin terwijl hij zijn hand tegen haar wang legde. Hij sprak een paar woorden: ‘Tan-tago, musalah.’
De vrouwelijke greppeldwerg keek gefascineerd toe terwijl hij sprak. Toen slaakte ze een zucht en keek vol aanbidding naar hem op.
‘Vertel eens, kleintje,’ zei Raistlin. ‘Hoeveel bazen?’
De greppeldwerg fronste geconcentreerd haar wenkbrauwen. Ze stak haar groezelige hand op. ‘Eén,’ zei ze met één vinger opgestoken. ‘En één, en één, en één.’ Met een triomfantelijke blik op Raistlin stak ze vier vingers op en zei: ‘Twee.’
‘Volgens mij had Flint gelijk,’ bromde Sturm.
‘Sst,’ deed Tanis. Op dat moment hield het geknars op. De greppeldwergen wierpen ongemakkelijke blikken naar het andere eind van de gang, waar de stilte werd verbroken door weer zo’n scherpe knal.
‘Wat is dat voor een geluid?’ vroeg Raistlin aan zijn betoverde bewonderaar.
‘Zweep,’ antwoordde de vrouwelijke greppeldwerg emotieloos. Met haar smerige hand greep ze Raistlins gewaad vast, en ze wilde hem in oostelijke richting mee de gang in trekken. ‘Bazen worden boos. We gaan.’
‘Wat doen jullie precies voor de bazen?’ vroeg Raistlin, die bleef staan.
‘We gaan. Je zult zien.’ De greppeldwerg trok aan zijn gewaad. ‘Wij neer. Zij op. Neer. Op. Neer. Op. Kom. Jij gaat. Wij geven lift neer.’
Raistlin, die werd meegevoerd door een golf van Aghars, keek achterom naar Tanis en gebaarde naar hem. Tanis gaf een teken aan Flint en Waterwind, waarna iedereen achter de greppeldwergen aan verder de gang inliep. Degenen die Raistlin had betoverd, verdrongen zich om hem heen in een poging zo dicht mogelijk bij hem te zijn, terwijl de rest vooruitrende toen opnieuw het knallen van de zweep klonk. Het hele gezelschap ging de hoek om, waar het geknal en geknars weer begon, veel luider deze keer.
Het gezicht van de vrouwelijke greppeldwerg lichtte op toen ze het hoorde. Zij en de andere greppeldwergen bleven staan. Sommigen hingen tegen de met slijm bedekte muren, anderen lieten zich als zoutzakken op de grond vallen. De vrouw bleef bij Raistlin staan, met de mouw van zijn gewaad in haar kleine hand. ‘Wat is er?’ vroeg hij. ‘Waarom blijven we staan?’
‘We wachten. Nog niet aan de beurt,’ legde ze uit.
‘Wat doen we als we wel aan de beurt zijn?’ vroeg hij geduldig.
‘Neer gaan,’ zei ze, terwijl ze hem met een blik vol aanbidding aanstaarde.
Hoofdschuddend keek Raistlin op naar Tanis. De magiër besloot een andere benadering te proberen.
‘Hoe heet je, kleintje?’ vroeg hij.
‘Boepoe.’
Caramon snoof van het lachen, maar sloeg snel zijn hand voor zijn mond.
‘Goed, Boepoe,’ zei Raistlin zoetgevooisd, ‘weet je waar de schuilplaats van de draak is?’
‘Draak?’ herhaalde Boepoe verbijsterd. ‘Wil jij draak?’
‘Nee,’ zei Raistlin haastig, ‘we willen de draak niet. Alleen de schuilplaats van de draak, waar de draak woont.’
‘O, weet mij niet.’ Boepoe schudde haar hoofd. Toen ze de teleurstelling op Raistlins gezicht zag, pakte ze zijn hand vast. ‘Maar mij jou naar Hoogbulp brengen. Hij weet alles.’
Raistlin trok zijn wenkbrauwen op. ‘En hoe komen we bij de Hoogbulp?’
‘Neer!’ antwoordde ze met een vrolijke grijns. Het geknars hield op. Daar klonk het knallen van de zweep. ‘Wij nu aan de beurt voor neer gaan. Jij komen. Jij nu komen. Naar Hoogbulp toe.’
‘Wacht even.’ Raistlin maakte zich los uit de greep van de greppeldwerg. ‘Ik moet even met mijn vrienden praten.’ Hij liep naar Tanis en Sturm toe. ‘Die Hoogbulp is waarschijnlijk het hoofd van de clan, misschien zelfs van meerdere clans.’
‘Als hij net zo intelligent is als de rest, weet hij niet eens waar zijn eigenwaskom staat, laat staan waar de draak is,’ bromde Sturm.
‘Waarschijnlijk weet hij het wel,’ zei Flint schoorvoetend. ‘Ze zijn niet slim, maar greppeldwergen onthouden alles wat ze zien en horen. Je moet het alleen uit ze zien te krijgen, in woorden van meer dan één lettergreep.’
‘Dan kunnen we maar beter naar die Hoogbulp gaan,’ zei Tanis spijtig. ‘Als we er nu alleen nog achter kunnen komen wat dat “op en neer” en dat geknars te betekenen heeft...’
‘Dat kan ik je vertellen!’ zei iemand.
Tanis keek om zich heen. Hij was Tasselhof helemaal vergeten. De kender kwam met dansende knot en vrolijk glinsterende ogen de hoek om rennen. ‘Het is een lift, Tanis,’ zei hij. ‘Net als in de dwergenmijnen. Ik ben een keer in zo’n mijn geweest. Prachtig was dat. Ze hadden een lift om stenen mee naar boven en naar beneden te brengen. En dit is net zoiets. Nou ja, bijna net zoiets. Zie je...’ Opeens kreeg hij de slappe lach en kon hij geen woord meer uitbrengen. Omdat de anderen hem boos aankeken, deed de kender zijn uiterste best om zich te beheersen.
‘Ze gebruiken een enorme reuzelketel. De greppeldwergen die hier in de rij staan, zetten het op een rennen zodra een van die draconendingesen met zijn zweep slaat. Dan springen ze allemaal in die ketel, die is bevestigd aan een dikke ketting die om een wiel is gewikkeld met spaken die in de schakels passen. Daar komt dat geknars vandaan. Het wiel draait rond en hup, ze gaan naar beneden. En na een tijdje komt er een tweede ketel naar boven—’
‘Grote bazen. Ketel vol grote bazen,’ zei Boepoe.
‘Vol met draconen!’ zei Tanis geschrokken.
‘Komen niet hier,’ zei Boepoe. ‘Gaan die kant op.’ Ze maakte een vaag gebaar.
Tanis was niet gerustgesteld. ‘Dus dat zijn de bazen. Hoeveel draconen staan er bij die ketel?’