‘Twee,’ zei Boepoe, die nog steeds stevig Raistlins mouw vasthield. ‘Niet meer dan twee.’
‘Nou, het zijn er vier,’ zei Tas met een verontschuldigende blik omdat hij de greppeldwerg tegensprak. ‘Het zijn van die kleintjes, niet van die grote die spreuken uitspreken.’
‘Vier.’ Caramon spande de spieren in zijn machtige armen. ‘Vier kunnen we er wel aan.’
‘Ja, maar we moeten het zó aanpakken dat er niet juist op dat moment vijftien nieuwe verschijnen,’ merkte Tanis op.
De zweep knalde weer.
‘Kom!’ Boepoe trok dwingend aan Raistlins mouw. ‘We gaan. Bazen worden boos.’
‘Ik zou zeggen dat dit de beste kans is die we krijgen,’ zei Sturm schouderophalend. ‘Laat de greppeldwergen maar zoals gewoonlijk naar buiten rennen. Dan komen wij achter ze aan en overmeesteren de bazen in de verwarring. Als hierboven één ketel wacht op de greppeldwergen, moet de andere onderaan hangen.’
‘Waarschijnlijk wel,’ zei Tanis. Hij draaide zich om naar de greppeldwergen. Als jullie bij de lift... eh, de ketel zijn, moeten jullie er niet in springen. Gewoon opzij gaan en niet in de weg lopen. Goed?’
De greppeldwergen keken Tanis vol argwaan aan. Met een zucht keek de halfelf naar Raistlin. Met een vage glimlach herhaalde de magiër Tanis’ instructies. Meteen begonnen de greppeldwergen enthousiast te knikken en te glimlachen.
De zweep knalde weer, en de reisgenoten hoorden een barse stem. ‘Hou op met dat gelummel, stelletje ratten, anders hakken we jullie smerige voeten af, dan heb je tenminste een reden om te treuzelen!’
We zullen nog wel eens zien wiens voeten worden afgehakt,’ zei Caramon.
‘Dit is wel leuk!’ zei een van de greppeldwergen plechtig. De Aghars renden de gang door.
18
Gevecht bij de lift. Boepoes geneesmiddel tegen hoest.
Hete mist steeg op uit twee grote gaten in de vloer en kolkte om alles heen wat in de buurt was. Tussen de twee gaten bevond zich een groot wiel, waar een enorme ketting omheen lag. Aan die ketting, boven een van de gaten, hing een reusachtige zwarte ketel. Het andere eind van de ketting verdween in het andere gat. Vier in wapenrusting gehulde draconen, waarvan er twee met leren zwepen zwaaiden en een kromzwaard droegen, stonden om de ketel heen. Ze waren slechts heel even zichtbaar voordat de mist hen weer aan het oog onttrok. Tanis hoorde het knallen van de zweep en het gebrul van een zware stem.
‘Stelletje luizige dwergenratten! Wat is dat voor een getreuzel? Maak dat je in die ketel komt, voordat ik je smerige huid van je stinkende lijf stroop! Ik — huh!’
De dracoon hield midden in zijn zin op en keek met uitpuilende reptielenogen naar Caramon, die onder het brullen van zijn strijdkreet uit de mist opdoemde. De dracoon slaakte een kreet die overging in verstikt gegorgel toen Caramon het wezen bij zijn magere nek pakte, van zijn geklauwde voeten tilde en wegslingerde. Greppeldwergen vluchtten alle kanten op toen het lichaam met een krakende dreun tegen de muur sloeg.
Op het moment dat Caramon aanviel, riep Sturm, zwaaiend met zijn machtige slagzwaard, de riddergroet naar de vijand en hakte het hoofd af van een dracoon die geen moment besefte wat hem te wachten stond. Het afgehakte hoofd rolde knarsend over de grond, want het was meteen in steen veranderd.
In tegenstelling tot kobolden, die zonder enige strategie of doordachtheid alles aanvielen wat bewoog, waren draconen intelligent en konden ze snel denken. De twee die nog bij de ketel stonden, waren geenszins van plan het op te nemen tegen vijf geoefende, zwaarbewapende krijgers. Een van hen sprong onmiddellijk in de ketel en schreeuwde in zijn taal vol keelklanken instructies naar zijn metgezel. De andere dracoon rende naar het wiel toe en haalde de rem van het mechanisme. De ketel begon te zakken.
‘Houd hem tegen!’ riep Tanis. ‘Hij gaat versterking halen!’
‘Mis!’ schreeuwde Tasselhof, die over de rand tuurde. ‘Die versterkingen zijn in de andere ketel al op weg naar boven. Het zijn er zeker twintig!’
Caramon rende op de dracoon af die de lift bediende om hem tegen te houden, maar hij was te laat. Het wezen liet het mechanisme draaien en rende op de ketel af. Met een grote boog sprong hij zijn metgezel achterna. En Caramon, die de mening was toegedaan dat je de vijand nooit mocht laten ontsnappen, volgde zonder aarzeling zijn voorbeeld. De greppeldwergen juichten en floten. Een enkeling rende zelfs naar de rand om beter te kunnen kijken.
‘Die stomme idioot!’ vloekte Sturm. Hij duwde een paar greppeldwergen opzij om naar beneden te kunnen kijken, en zag de zwaaiende vuisten en glanzende wapenrusting van Caramon en de draconen, die wild naar elkaar uithaalden. Door Caramons gewicht zakte de ketel nog sneller.
‘Daarbeneden hakken ze die lummel aan reepjes,’ mompelde Sturm. ‘Ik ga achter hem aan!’ riep hij naar Tanis. Hij nam een aanloop, sprong, greep de ketting vast en liet zich daarlangs in de ketel glijden.
‘Nu zijn we ze allebei kwijt!’ kreunde Tanis. ‘Flint, kom met mij mee. Waterwind, blijf hier met Raistlin en Goudmaan. Kijk of je dat vervloekte wiel kunt terugdraaien. Nee, Tas, jij niet!’
Te laat. Met een enthousiaste kreet sprong Tas naar de ketting en liet zich naar beneden zakken. Tanis en Flint sprongen ook in het gat. Tanis sloeg zijn armen en benen om de ketting, zodat hij vlak boven de kender bleef hangen, maar de dwerg greep mis en kwam op zijn gehelmde hoofd in de ketel terecht. Prompt stapte Caramon boven op hem.
De draconen in de ketel sloten de krijger in. Hij gaf er één een stomp, zodat die aan de andere kant tegen de rand van de ketel sloeg, en trok zijn dolk terwijl de tweede onhandig naar zijn zwaard tastte. Caramon stak toe voordat hij zijn zwaard uit de schede kon krijgen, maar de dolk ketste af op de wapenrusting van het wezen en vloog uit zijn hand. Snel greep Caramon het monster bij de polsen, en hij slaagde erin zijn handen bij zijn gezicht vandaan te trekken. De twee machtige wezens — één mens, één dracoon — worstelden met elkaar tegen de wand van de pot.
De andere dracoon was inmiddels bekomen van de klap en trok zijn zwaard. Zijn snoekduik naar de krijger werd echter abrupt onderbroken door Sturm, die langs de ketting naar beneden kwam glijden en het wezen met zijn zware laars een harde trap in het gelaat gaf. De dracoon wankelde achteruit en het zwaard vloog uit zijn hand. Sturm sprong in de ketel en probeerde het wezen met de platte kant van zijn zwaard neer te knuppelen, maar de dracoon duwde de kling met zijn blote handen opzij.
‘Ga van me af!’ brulde Flint vanaf de bodem van de ketel. Zijn helm was over zijn ogen gezakt, en hij werd langzaam verpletterd onder Caramons grote voeten. In een plotselinge vlaag van felle woede zette de dwerg zijn helm recht en duwde zichzelf overeind, waardoor Caramon weggleed en voorover tegen de dracoon aan viel. Het wezen deed een pas opzij, en Caramon viel struikelend tegen de ketting aan. Wild haalde de dracoon uit met zijn zwaard. Caramon dook weg en het zwaard raakte de ketting zo hard dat er een keep in de kling kwam. Flint sprong op de dracoon af en raakte hem vol in de buik met zijn helm. De twee vielen tegen de wand.
De ketel maakte meer snelheid. De smerige mist kolkte om hen heen.
Met zijn blik gericht op wat er onder hem gebeurde, liet Tanis zich langs de ketting omlaag zakken. ‘Blijf waar je bent!’ snauwde hij tegen Tasselhof. Hij liet de ketting los en kwam midden in het strijdgewoel terecht. Tas, teleurgesteld maar niet bereid om Tanis’ bevel te negeren, hield met één hand de ketting vast terwijl hij met de andere een steen uit een buidel haalde, klaar om hem te laten vallen, hopelijk op het hoofd van een vijand.
De ketel begon te schommelen doordat de vechtenden keer op keer tegen de wanden botsten. En ondertussen zakten ze steeds verder naar beneden, terwijl de andere ketel — gevuld met schreeuwende en vloekende draconen — steeds verder naar boven kwam.
Waterwind, die samen met de greppeldwergen aan de rand van het gat stond, kon door de mist heel weinig zien. Hij kon echter wel gebons, gevloek en gekreun horen in de ketel waar zijn vrienden in zaten. Toen doemde uit de mist de andere ketel op. Daar stonden draconen met hun zwaard in de hand naar hem te staren. Hun rode tong hing uit hun muil en ze hijgden verwachtingsvol. Nog even en hij, Goudmaan, Raistlin en vijftien greppeldwergen moesten het opnemen tegen een stuk of twintig boze draconen.