Выбрать главу

Hij draaide zich om, struikelde over een greppeldwerg, hervond zijn evenwicht en rende naar het mechanisme. Op de een of andere manier moest hij voorkomen dat die ketel bovenkwam. Het enorme wiel draaide langzaam rond, en de ketting knarste tegen de spaken. Waterwind staarde ernaar. Het enige wat hij kon bedenken, was de ketting met zijn blote handen vast te pakken. Iets roods duwde hem uit de weg. Raistlin bestudeerde het wiel even om de rotatiesnelheid te berekenen,en ramde toen de Staf van Magius tussen het wiel en de vloer. De staf trilde even, en Waterwind hield zijn adem in uit angst dat de staf zou breken. Maar hij hield het. Het mechanisme kwam schokkend tot stilstand.

‘Waterwind!’ riep Goudmaan vanaf haar plek bij het gat. De Vlakteman rende naar de rand toe, met Raistlin op zijn hielen. De greppeldwergen, die nog steeds op een rijtje rond het gat stonden, vermaakten zich uitstekend, want zo’n spektakel hadden ze zelden in hun leven meegemaakt. Alleen Boepoe was bij de rand weg te lokken. Zij draafde achter Raistlin aan en pakte zodra ze de kans kreeg weer zijn gewaad vast.

‘Khark-umat!’ verzuchtte Waterwind toen hij omlaag keek in de kolkende mist.

Caramon smeet de dracoon met wie hij worstelde over de rand van de ketel. Met een schelle kreet verdween hij in de mist. De grote krijger had diepe krassen van klauwen op zijn gezicht en een snee van een zwaard in zijn rechterarm. Sturm, Tanis en Flint worstelden nog steeds met de tweede dracoon, die bereid leek te moorden, wat de gevolgen ook zouden zijn. Toen eindelijk duidelijk werd dat slaan niet afdoende was, stak Tanis hem met zijn dolk. Meteen zakte het wezen dood ineen, zodat Tanis’ wapen vast bleef zitten in het versteende lijk.

Toen kwam de ketel tot stilstand met een schok die iedereen deed wankelen.

‘Pas op! Buren!’ riep Tasselhof terwijl hij zich liet vallen. Tanis keek opzij en zag de andere ketel, vol draconen, op nog geen twintig voet afstand heen en weer slingeren. De draconen, tot de tanden gewapend, bereidden zich voor op een soort enteractie. Twee klommen er al op de rand van de ketel, klaar om over de mistige afgrond heen te springen. Caramon leunde over de rand en haalde woest uit met zijn zwaard in een poging een van de springers te verwonden. Hij miste, en door de kracht van zijn slag begon de ketel aan zijn ketting rond te draaien.

Caramon verloor zijn evenwicht en viel voorover. Door zijn grote gewicht helde de ketel gevaarlijk ver over, met als gevolg dat hij recht naar de bodem ver onder hem keek. Sturm greep Caramon bij zijn kraag en trok hem zo fel achteruit dat de ketel vervaarlijk begon te slingeren. Tanis gleed uit, kwam op handen en voeten op de bodem van de ketel terecht en ontdekte daar dat de stenen dracoon tot stof was vergaan, zodat hij zijn dolk terug had.

‘Daar komen ze!’ riep Flint terwijl hij Tanis overeind hielp.

Een van de draconen sprong op hen af en wist met zijn geklauwde handen de rand van de ketel te grijpen. Opnieuw helde die ver over.

‘Ga daar staan!’ Tanis duwde Caramon naar de andere kant, in de hoop dat het gewicht van de krijger de ketel recht zou trekken. Sturm haktein op de handen van de dracoon in de hoop dat die zou loslaten. Toen sprong een tweede dracoon naar hen toe, en hij schatte de afstand beter in dan zijn kameraad. Hij kwam naast Sturm in de ketel terecht.

‘Verroer je niet!’ schreeuwde Tanis toen Caramon in een reflex wilde aanvallen en de ketel weer scheef kwam te hangen. Snel keerde de krijger terug naar zijn plaats, en de ketel hing weer recht. De dracoon die zich aan de rand vastklampte met vingers waar groen bloed uit stroomde, liet los, spreidde zijn vleugels en zweefde door de mist naar beneden.

Tanis draaide zich met een ruk om om het op te nemen tegen de dracoon die in de ketel was terechtgekomen, maar struikelde over Flint, die weer viel. De halfelf botste wankelend tegen de zijkant. De ketel schommelde wild heen en weer, en toen hij naar beneden keek, week de mist uiteen en zag hij in de diepte de verwoeste stad Xak Tsaroth liggen. Misselijk en gedesoriënteerd rukte hij zijn blik los, net op tijd om te zien hoe Tasselhof de dracoon van achteren besloop en hem met een steen een dreun op zijn hoofd gaf. Ondertussen raapte Flint de gevallen dolk van Caramon op van de bodem en stak het monster diep in zijn been. De dracoon gilde het uit. Wetend dat er nog meer draconen op het punt stonden de afstand te overbruggen, keek Tanis wanhopig op. De wanhoop maakte echter plaats voor hoop toen hij Waterwind en Goudmaan door de mist naar beneden zag turen.

‘Haal ons weer naar boven!’ riep Tanis wild, vlak voordat hij een klap tegen zijn hoofd kreeg. De pijn was verschrikkelijk. Hij voelde dat hij viel, en viel, en viel...

Raistlin had Tanis’ kreet niet gehoord, want hij was al lang in actie gekomen.

‘Kom hier, mijn vrienden,’ zei de magiër snel. De betoverde greppeldwergen verdrongen zich gretig om hem heen. ‘Die bazen daarbeneden willen me pijn doen,’ zei hij zachtjes.

De greppeldwergen gromden. Een paar fronsten boos. Een enkeling schudde met zijn vuist naar de pot vol draconen.

‘Maar jullie kunnen me helpen,’ zei Raistlin. ‘Jullie kunnen hen tegenhouden.’

De greppeldwergen keken de magiër weifelend aan. Vriendschap kende immers zo zijn grenzen.

‘Het enige wat jullie hoeven doen,’ legde Raistlin geduldig uit, ‘is naar die ketting rennen en eraan gaan hangen.’ Hij wees naar de ketting die aan de ketel van de draconen bevestigd was.

De gezichten van de greppeldwergen klaarden op. Dat klonk nog niet zo verkeerd. Sterker nog, dat deden ze bijna dagelijks als ze de ketel zelf misten.

Raistlin maakte een armgebaar. ‘Rennen!’ beval hij.

De greppeldwergen — met uitzondering van Boepoe — wierpen elkaar een vluchtige blik toe, waarna ze naar de rand van het gat renden en zich onder het slaken van wilde kreten op de ketting boven de draconen stortten. Ongelooflijk behendig klampten ze zich eraan vast.

De magiër rende naar het wiel toe, met Boepoe in een drafje op zijn hielen, en trok de staf van Magius los. Het wiel trilde even voor het weer in beweging kwam en steeds sneller begon te draaien nu het gewicht van de greppeldwergen ervoor zorgde dat de ketel van de draconen door de mist naar beneden stortte.

Verschillende draconen die op de rand waren geklommen om in de andere ketel te springen, werden verrast door de plotselinge schok. Ze verloren hun evenwicht en vielen naar beneden. Hoewel hun vleugels hen voldoende afremden om de val te breken, krijsten ze van woede terwijl ze naar de grond zweefden, een gekrijs dat een merkwaardig contrast vormde met de vreugdekreten van de greppeldwergen.

Waterwind boog over de rand van het gat naar voren om de ketel van zijn kameraden vast te grijpen toen die het wiel bereikte.

‘Is er iemand gewond?’ vroeg Goudmaan bezorgd terwijl ze naar voren boog om Caramon te helpen.

‘Tanis is gewond,’ zei Caramon, die de halfelf ondersteunde.

‘Ik heb gewoon mijn hoofd gestoten,’ wierp Tanis een beetje verdwaasd tegen. Hij voelde een grote bult op zijn achterhoofd opkomen. ‘Ik dacht dat ik uit die ketel viel.’ De herinnering deed hem huiveren.

‘Zo kunnen we niet naar beneden,’ zei Sturm terwijl hij uit de ketel klom. ‘En we kunnen ook niet hier blijven. Het zal niet lang duren voordat ze de lift weer kunnen gebruiken, en dan komen ze achter ons aan. We moeten terug.’

‘Nee! Niet weggaan!’ Boepoe klampte zich aan Raistlin vast. ‘Ik weet weg naar Hoogbulp!’ Trekkend aan zijn mouw wees ze naar het noorden. ‘Goede weg! Geheime weg! Geen bazen,’ zei ze zachtjes. Ze streelde zijn hand. ‘Ik laat bazen jou niet pakken. Jij mooi.’

‘We hebben niet veel keus. We zullen naar beneden moeten,’ zei Tanis. Hij kromp ineen toen Goudmaan hem met haar staf aantikte. Toen golfde de geneeskracht door zijn lichaam. De pijn trok weg. Zuchtend ontspande hij zich. ‘Zoals je al zei, ze wonen hier al jaren.’