Grommend schudde Flint zijn hoofd toen Boepoe in noordelijke richting de gang in wilde lopen.
‘Stop! Luister!’ riep Tasselhof zachtjes. Ze hoorden tikkende klauwen die in hun richting kwamen.
‘Draconen!’ zei Sturm. ‘We moeten hier weg! Terug in westelijke richting!’
‘Ik wist het wel,’ bromde Flint boos. ‘Die greppeldwerg heeft ons rechtstreeks naar die hagedissen geleid.’
‘Wacht!’ Goudmaan greep Tanis’ arm vast. ‘Kijk haar nou!’
De halfelf draaide zich om en zag dat Boepoe iets slaps en vormeloos uit de tas haalde die ze over haar schouder droeg. Ze liep naar de muur en bewoog het ding een paar keer heen en weer, onder het mompelen van een paar woorden. De wand trilde, en een paar tellen later verscheen er een doorgang waarachter niets dan duisternis te zien was.
De reisgenoten wisselden weifelende blikken uit.
‘Geen keus,’ mompelde Tanis. Het geratel en gerammel van een nieuwe groep draconen die door de gang op hen afmarcheerden werd steeds luider. ‘Raistlin, licht,’ beval hij.
De magiër sprak een woord en het kristal op zijn staf lichtte op. Hij, Boepoe en Tanis liepen snel door de geheime deur. De anderen volgden, waarna de deur achter hen dichtschoof. De staf van de magiër onthulde een klein, vierkant vertrek versierd met reliëfs, die echter onder zo’n dikke laag groen slijm schuilgingen dat ze onherkenbaar waren. Zwijgend bleven ze staan tot ze de draconen in de gang voorbij hadden horen komen.
‘Ze zullen het gevecht wel hebben gehoord,’ fluisterde Sturm. ‘Het zal niet lang duren voor ze de lift weer kunnen gebruiken, en dan krijgen we het hele draconenleger achter ons aan!’
‘Ik weet weg naar beneden.’ Boepoe maakte een laatdunkend gebaar. ‘Geen punt.’
Raistlin knielde naast Boepoe neer. ‘Hoe heb je die deur geopend, kleintje?’ vroeg hij nieuwsgierig.
‘Tover,’ zei ze verlegen. Ze stak haar groezelige handje uit, waarmee ze een dode rat vasthield waarvan de tanden in een verstarde grijns waren ontbloot. Raistlin trok zijn wenkbrauwen op. Tasselhof legde zijn hand op zijn arm.
‘Het is geen magie, Raistlin,’ fluisterde de kender. ‘Het is domweg een verborgen deurslot. Ik zag het toen ze naar de muur wees, en ik wilde er net iets over zeggen toen ze met dat omslachtige “getover” van haar begon. Ze gaat erop staan als ze vlak bij de deur komt en met dat ding gaat zwaaien.’ De kender giechelde. ‘Waarschijnlijk heeft ze het mechanisme een keer per ongeluk in werking gesteld terwijl ze die rat vasthad.’
Boepoe wierp de kender een vernietigende blik toe. ‘Tover!’ verklaarde ze terwijl ze pruilend de rat streelde. Ze stopte hem terug in haar tas en zei: ‘Kom, gaan.’ Ze leidde hen in noordelijke richting door een reeks beschadigde, met slijm bedekte vertrekken. Eindelijk bleef ze staan, in een kamer vol steenstof en puin. Een deel van het plafond was ingestort en de vloer was bedekt met kapotte tegels. De greppeldwergbrabbelde iets en wees naar de noordoostelijke hoek van het vertrek.
‘Neer,’ zei ze.
Tanis en Raistlin liepen naar de hoek om te kijken wat zich daar bevond. Ze troffen een vier voet brede buis aan, waarvan het uiteinde uit de verbrokkelde vloer omhoogstak. Kennelijk was hij dwars door het plafond heen gevallen, waardoor dat deel van het vertrek was ingestort. Raistlin stak zijn staf in de buis en tuurde naar binnen.
‘Kom, gaan!’ zei Boepoe wijzend, terwijl ze dwingend aan Raistlins mouw trok. ‘Bazen kunnen niet door.’
‘Dat is waarschijnlijk waar,’ zei Tanis. ‘Niet met die vleugels van hen.’
‘Maar je kunt er je zwaard niet keren,’ zei Sturm fronsend. ‘Ik vind het maar—’
Opeens hield iedereen zijn mond. Ze hoorden het wiel kraken en de ketting knarsen. De reisgenoten keken elkaar aan.
‘Ik eerst!’ zei Tasselhof grijnzend. Hij stak zijn hoofd in de buis, waarna hij er op handen en voeten in kroop.
‘Weet je zeker dat ik daarin pas?’ vroeg Caramon, met een bezorgde blik op de opening.
‘Maak je geen zorgen,’ klonk Tas’ stem hol. ‘Er zit zo’n dikke slijmlaag in dat je er als een ingevet varken doorheen zult glijden.’
Die opgewekte opmerking maakte weinig indruk op Caramon. Hij bleef somber naar de buis staan staren terwijl Raistlin, voortgetrokken door Boepoe, zijn gewaad om zich heen trok en naar binnen glipte, bijgelicht door zijn staf. Flint ging achter hen aan. Goudmaan was de volgende. Ze trok een vies gezicht toen haar handen weggleden in de dikke laag groen slijm. Waterwind glibberde na haar naar binnen.
‘Dit is volslagen krankjorum. Ik hoop dat je dat beseft,’ mompelde Sturm vol afkeer.
Tanis gaf geen antwoord. Hij gaf Caramon een klop op zijn rug. ‘Jij bent aan de beurt,’ zei hij, luisterend naar het geluid van de ketting, die steeds sneller ronddraaide.
Caramon kreunde. Op handen en voeten kroop de grote krijger de buis in. Het gevest van zijn zwaard bleef achter de rand hangen. Achteruit kroop hij terug om zijn zwaard recht te hangen, waarna hij nog een poging waagde. Deze keer stak zijn achterwerk zo ver omhoog dat zijn rug langs de bovenkant van de buis schaafde. Tanis zette zijn voet stevig tegen het zitvlak van de krijger en gaf hem een ferme duw.
‘Plat op je buik!’ beval de halfelf.
Nog steeds kreunend liet Caramon zich als een zoutzak vallen. Hij wurmde zich naar binnen terwijl hij zijn schild voor zich uit duwde. Het hoge, scherpe gekras van zijn wapenrusting over het metaal van de buis ging Tanis door merg en been.
De halfelf pakte de bovenkant van de buis vast en schoof met zijn benen voor zich uit door het stinkende slijm. Over zijn schouder keek hij naar Sturm, die als laatste kwam.
‘Het is al krankjorum sinds we achter Tika aan zijn gelopen naar de keuken van de Herberg van het Laatste Huis,’ zei hij.
‘Daar zit wat in,’ zei de ridder met een zucht van berusting.
Tasselhof, opgewonden door de nieuwe ervaring van het kruipen door een buis, zag opeens donkere gestalten die hem tegemoet kwamen. Hij graaide om zich heen tot hij grip kreeg en zichzelf kon tegenhouden.
‘Raistlin!’ fluisterde hij. ‘Er komt iets door de buis op ons af!’
‘Wat dan?’ wilde de magiër vragen, maar de smerige, vochtige lucht deed zijn adem stokken en veroorzaakte een hoestbui. Terwijl hij probeerde normaal adem te halen, hield hij zijn verlichte staf omhoog om te zien wie eraan kwam.
Boepoe keek één keer en snoof. ‘Gulppulpers,’ mompelde ze. Zwaaiend met haar hand schreeuwde ze: ‘Terug! Terug!’
‘Wij gaan op, naar lift! Grote bazen worden boos,’ riep er een terug.
‘Wij gaan neer. Naar Hoogbulp!’ zei Boepoe gewichtig.
Bij die woorden trokken de greppeldwergen zich mopperend en vloekend terug.
Maar Raistlin kon zich even niet bewegen. Hij greep naar zijn borst en kokhalsde. Het geluid galmde verontrustend door de smalle buis. Boepoe keek hem bezorgd aan, waarna ze haar handje in haar tas stak, ergens naar viste en er iets uit haalde wat ze tegen het licht hield. Ze bestudeerde het met samengeknepen ogen, maar schudde toen zuchtend haar hoofd. ‘Dit is niet wat ik zoek,’ prevelde ze.
Tasselhof, die een glimp opving van iets glinsterends en kleurigs, kroop dichterbij. ‘Wat is dat?’ vroeg hij, hoewel hij het antwoord al wist. Ook Raistlin keek met grote, glanzende ogen naar het voorwerp.
Boepoe haalde haar schouders op. ‘Mooi steentje,’ zei ze ongeïnteresseerd terwijl ze weer in haar tas begon te zoeken.
‘Een smaragd,’ zei Raistlin piepend.
Boepoe keek op. ‘Vind jij mooi?’ vroeg ze aan Raistlin.
‘Nou en of!’ zei de magiër moeizaam.
‘Hou maar.’ Boepoe drukte de edelsteen in de hand van de magiër. Vervolgens haalde ze met een triomfantelijke kreet datgene tevoorschijn wat ze zocht. Tas, die nog dichterbij was gekomen om dit nieuwe wonder te aanschouwen, deinsde vol afkeer terug. Het was een dode — heel dode — hagedis. Om de stijve staart van het dier was een afgekauwd leren koordje gebonden. Boepoe bood hem aan Raistlin aan.