‘Draag om je nek,’ zei ze. ‘Goed tegen hoest.’
De magiër, die gewend was met veel onaangenamere voorwerpen te werken, bedankte Boepoe glimlachend. Hij sloeg haar aanbod echter af en verzekerde haar dat het al veel beter ging met zijn hoest. Ze keek hem schattend aan, maar het leek inderdaad beter met hem te gaan. De hoestbui was voorbij. Ze haalde haar schouders op en stopte de hagedis terug in haar tas. Raistlin, die de smaragd met de blik van een kenner bestudeerde, wierp Tasselhof een kille blik toe. Zuchtend draaide de kender zich om en begon weer te kruipen. Raistlin liet de steen verdwijnen in een van de vele geheime zakken die in zijn gewaad waren genaaid.
Toen ze op een aftakking stuitten, keek Tas de greppeldwerg vragend aan. Aarzelend wees Boepoe naar de nieuwe buis, die in zuidelijke richting liep. Tas kroop er langzaam in. ‘Jeetje, het is hier stei—’ zei hij verrast toen hij weggleed en de buis in schoot. Hij probeerde vaart te minderen, maar de slijmlaag was te dik. Een woeste krachtterm van Caramon, die achter hem aan de buis ingleed, vertelde de kender dat zijn metgezellen hetzelfde probleem hadden. Opeens zag Tas licht voor zich uit. Het eind van de tunnel was in zicht, maar waar kwam hij uit? Even zag Tas voor zich hoe hij boven een afgrond van vijfhonderd voet naar buiten schoot. Hij kon er echter niets meer aan veranderen. Het licht werd feller, en Tasselhof schoot met een korte, hoge kreet uit de buis.
Raistlin gleed naar buiten en kwam bijna boven op Boepoe terecht. De magiër keek om zich heen, en even dacht hij dat hij midden in een brand terecht was gekomen. Grote, witte wolken bolden op. Raistlin begon te hoesten, happend naar adem.
Wa—’ Flint schoot uit de buis en kwam op handen en knieën op de grond terecht. Hij probeerde door de wolken heen te turen. ‘Gif?’ vroeg hij proestend terwijl hij naar de magiër toe kroop. Raistlin schudde zijn hoofd, maar was niet in staat antwoord te geven. Boepoe greep de magiër vast en leidde hem naar de deur. Goudmaan kwam op haar buik de buis uit en viel zo hard op de grond dat de lucht uit haar longen werd gedreven. Achter haar aan kwam Waterwind getuimeld, die halsbrekende toeren moest uithalen om te voorkomen dat hij tegen Goudmaan aan zou botsen. Met een luid gerammel schoof Caramons schild uit de buis. De scherpe uitsteeksels op Caramons wapenrusting en zijn grote omvang hadden hem dusdanig afgeremd dat hij rustig uit de buis kon kruipen. Hij zat echter onder de butsen, builen en groene troep. Tegen de tijd dat Tanis arriveerde, stikte iedereen zowat van het stof in de lucht.
‘Wat is hier in de naam van de Afgrond aan de hand?’ vroeg Tanis verbijsterd, om zich prompt te verslikken omdat zijn longen zich vulden met het witte spul. ‘Weg hier,’ kraste hij. ‘Waar is die greppeldwerg gebleven?’
Boepoe kwam in de deuropening staan. Ze had Raistlin uit de kamer gehaald en gebaarde nu naar de anderen dat ze mee moesten komen. Dankbaar betraden ze de schone lucht en lieten ze zich op een door ruines geflankeerde straat zakken om uit te rusten. Tanis hoopte dat ze niet zouden worden verrast door een leger van draconen. Opeens keek hij op. ‘Waar is Tas?’ vroeg hij terwijl hij geschrokken overeind kwam.
‘Hier,’ hoorde hij de kender verstikt en ontmoedigd zeggen.
Tanis draaide zich met een ruk om.
Tasselhof- tenminste, Tanis ging ervan uit dat het Tasselhof was — stond vlak voor hem. De kender was van knot tot teen gehuld in een dikke, witte, deegachtige smurrie. Het enige wat Tanis van hem kon zien, waren zijn bruine ogen in het witte masker.
‘Wat is er gebeurd?’ vroeg de halfelf. Hij had nog nooit iemand zo beteuterd zien kijken als de kender.
Tasselhof gaf geen antwoord. Hij wees naar het vertrek waar ze uit waren gekomen.
Tanis, die groot gevaar vreesde, rende naar de half ingestorte deuropening en tuurde voorzichtig naar binnen. Het witte stof was neergeslagen, zodat hij het vertrek kon bekijken. In de hoek, recht tegenover de buis, stond een aantal grote, bolle zakken. Twee ervan waren opengescheurd, waardoor de witte inhoud op de vloer was terechtgekomen. Toen begreep Tanis het.
Hij sloeg zijn hand voor zijn mond om zijn glimlach te verbergen. ‘Bloem,’ mompelde hij.
19
De verwoeste stad. Hoogbulp Futs I, de grote.
De nacht van de Catastrofe was er een vol verschrikkingen geweestvoor de stad Xak Tsaroth. Toen de vuurberg Krynn had getroffen, was het land in tweeën gespleten. De prachtige oude stad Xak Tsaroth was langs de helling van een klif in een enorme grot gestort die was ontstaan toen de bodem scheurde. Verborgen onder de grond was hij aan het oog van de mensen onttrokken, waardoor de meeste mensen geloofden dat de stad helemaal was verdwenen, verzwolgen door de Nieuwezee.
Hij bestond echter nog steeds, deels vastgeklampt aan de ruwe wanden van de grot, deels verspreid over de vloer ervan. Op allerlei verschillende hoogtes bevonden zich ruïnes. Het gebouw waarin de reisgenoten terecht waren gekomen en waarvan Tanis vermoedde dat het ooit een bakkerij was geweest, bevond zich qua hoogte ongeveer in het midden, want het was blijven steken achter een stel rotsen die het tegen de loodrechte wand van de klif drukten. Water van ondergrondse riviertjes stroomde langs de wanden naar beneden en door de straat, kolkend tussen de ruïnes.
Tanis volgde het water met zijn blik. Het stroomde midden over de geplaveide straat vol barsten langs allerlei winkels en huizen waar ooit mensen hadden gewoond en handel hadden gedreven. Toen de stad was gevallen, waren de hoge gebouwen aan weerszijden tegen elkaar aan gevallen, waardoor er boven de straat een soort tunnel van kapotte marmeren platen was ontstaan. Deuren en kapotte etalages gaapten aan alle kanten. Het was er verlaten en stil, afgezien van het geluid van stromend water. Er hing een zware rottingslucht die de stemming drukte. En hoewel het daar onder de grond warmer was dan boven, verkilde de sombere sfeer hen tot op het bot. Niemand zei iets. Ze wasten zo goed en zo kwaad als het ging het slijm van hun lichaam (en boenden Tas schoon), waarna ze hun waterzakken vulden. Sturm en Caramon doorzochten deomgeving, maar zagen geen draconen. Na een korte rustpauze stonden de reisgenoten op en liepen ze verder.
Boepoe leidde hen in zuidelijke richting over de straat, door de tunnel van omgevallen gebouwen. De straat kwam uit op een plein. Hier vormde het water uit de straten een rivier die naar het westen stroomde.
‘Volg rivier,’ zei Boepoe wijzend.
Tanis fronste, want boven het geraas van de rivier uit hoorde hij nog een geluid: het gebulder van een grote waterval. Boepoe ging echter door, dus liepen de helden voorzichtig langs de randen van het plein om de rivier heen, waarbij ze nu en dan tot aan hun enkels in het water wegzakten. Aan het eind van de straat ontdekten de reisgenoten de waterval. De straat hield abrupt op, en de rivier stortte zich tussen kapotte zuilen naar de bodem van de grot, zeker vijfhonderd voet in de diepte. Daar lag de rest van de verwoeste stad Xak Tsaroth.
In het schemerlicht dat hoog boven hun hoofd door spleten in het plafond naar binnen kwam, konden ze zien dat het hart van de oude stad in vele verschillende stadia van verval verspreid lag over de vloer van de grot. Sommige gebouwen waren nog vrijwel intact. Van andere was niet meer over dan een berg puin. Een kille mist, veroorzaakt door de vele watervallen die de grot binnenstroomden, hing boven de stad. De meeste straten waren veranderd in rivieren, die in het noorden samenkwamen om daar in een bodemloze diepte te verdwijnen. Turend door de mist konden de reisgenoten de reusachtige ketting zien, die iets ten noorden van hun huidige positie op slechts een paar honderd voet afstand hing. Ze beseften dat de lift mensen vervoerde over een afstand van zeker duizend voet.
‘Waar woont de Hoogbulp?’ vroeg Tanis terwijl hij neerkeek op de dode stad in de diepte.
‘Boepoe zegt dat hij daar woont,’ — Raistlin maakte een gebaar — ‘in een van die gebouwen aan de westkant van de grot.’