Выбрать главу

‘En wie wonen er in de gerepareerde gebouwen vlak onder ons?’ vroeg Tanis.

‘Bazen,’ antwoordde Boepoe met een boos gezicht.

‘Hoeveel bazen?’

‘Eén, en één, en één...’ Boepoe telde door tot ze al haar vingers had gehad. ‘Twee,’ zei ze. ‘Niet meer dan twee.’

‘Wat betekent dat het er tweehonderd kunnen zijn, of tweeduizend,’ mopperde Sturm. ‘Hoe komen we bij die Hoogboer?’

‘Hoogbulp!’ Boepoe keek hem boos aan. ‘Hoogbulp Futs I. De Grote.’

‘Hoe komen we bij hem zonder dat de bazen ons te pakken krijgen?’

Als antwoord wees Boepoe omhoog, naar de ketel vol draconen die werd opgehesen. Tanis keek er niet-begrijpend naar en wierp Sturme en korte blik toe. De ridder haalde ongeduldig zijn schouders op. Met een zucht van ergernis wendde Boepoe zich tot Raistlin, overduidelijk van mening dat de anderen te dom waren om haar te begrijpen. ‘Bazen gaan op. Wij gaan neer,’ zei ze.

Raistlin staarde door de mist naar de lift. Toen knikte hij begrijpend. ‘De draconen denken waarschijnlijk dat we daarboven ergens vastzitten en dat we geen andere weg naar beneden weten. Als de meeste draconen boven zijn, kunnen we ons hier in de stad veilig verplaatsen.’

‘Goed dan,’ zei Sturm. ‘Maar hoe komen we in Istars naam beneden? De meesten van ons kunnen niet vliegen.’

Boepoe spreidde haar handen. ‘Ranken!’ zei ze. Omdat iedereen haar verward aankeek, kloste de greppeldwerg naar de rand van de waterval en wees naar beneden. Over de rand van de klif hingen dikke, groene ranken zo groot als reuzenslangen. De blaadjes aan die ranken waren gescheurd en rafelig en op sommige plekken zelfs helemaal afgerukt, maar de ranken zelf zagen er dik en stevig uit, al waren ze nogal glibberig.

Voetje voor voetje liep Goudmaan met een opvallend bleek gezicht naar de rand en blikte eroverheen. Meteen deinsde ze terug. Het was vijfhonderd voet recht naar beneden tot aan een met puin bezaaide geplaveide straat. Waterwind sloeg troostend zijn arm om haar heen.

‘Ik heb wel moeilijkere beklimmingen gezien in mijn leven,’ zei Caramon rustig.

‘Nou, ik vind het maar niks,’ zei Flint. ‘Maar alles is beter dan door een rioolpijp glijden.’ Hij greep een rank vast, slingerde zijn benen over de rand en begon hand over hand langzaam af te dalen. ‘Het valt mee,’ riep hij naar boven.

Tasselhof liet zich achter Flint aan langs een rank naar beneden glijden, zo snel en vaardig dat het hem een goedkeurend gebrom van Boepoe opleverde.

De greppeldwerg keek achterom naar Raistlin en wees met een frons naar zijn lange, golvende gewaad. De magiër glimlachte geruststellend naar haar. Hij ging aan de rand van de klif staan en zei zachtjes: ‘Pveatr-val.’ De kristallen bol op zijn staf lichtte op, waarop Raistlin van de klif sprong en door de mist werd opgeslokt. Boepoe gilde. Tanis hield haar tegen, want hij was bang dat de verliefde greppeldwerg zich van de klif zou werpen.

‘Hij is veilig,’ zei de halfelf geruststellend en vol medelijden toen hij de oprecht bezorgde blik in haar ogen zag. ‘Hij is magiër. Tover. Je weet wel.’

Maar Boepoe wist het duidelijk niet, want ze staarde Tanis argwanend aan, hing haar tas om haar nek, pakte een rank vast en klom langs de glibberige rotswand naar beneden. De andere reisgenoten stonden ophet punt haar voorbeeld te volgen toen Goudmaan ontmoedigd fluisterde: ‘Ik kan het niet.’

Waterwind pakte haar handen beet. ‘Kan-toka,’ zei hij zachtjes. ‘Het komt wel goed. Je hebt gehoord wat de dwerg zei. Gewoon niet naar beneden kijken.’

Met trillende kin schudde Goudmaan haar hoofd. ‘Er moet een andere weg naar beneden zijn,’ zei ze koppig. ‘Kom, dan gaan we die zoeken.’

‘Wat is er aan de hand?’ vroeg Tanis. ‘We moeten opschieten—’

‘Ze heeft hoogtevrees,’ zei Waterwind.

Goudmaan duwde hem van zich af. ‘Hoe durf je hem dat te vertellen!’ schreeuwde ze met een rood aangelopen gezicht van woede.

Waterwind keek haar kil aan. ‘Waarom niet?’ vroeg hij raspend. ‘Hij is geen onderdaan van je. Hij mag best weten dat je menselijk bent, dat je menselijke zwaktes hebt. Je hebt nog maar één onderdaan om indruk op te maken, stamhoofd, en dat ben ik!’

Als Waterwind haar had neergestoken, had hij haar niet meer pijn kunnen doen. Alle kleur trok weg uit Goudmaans lippen. Haar ogen werden groot en star, als de ogen van een dode. ‘Maak de staf vast op mijn rug, alsjeblieft,’ zei ze tegen Tanis.

‘Goudmaan, hij bedoelde niet—’ begon hij.

Woede laaide op in haar blauwe ogen. ‘Doe wat ik zeg!’ beval ze kortaf. Zuchtend bond Tanis de staf met een stuk touw op haar rug. Goudmaan keurde Waterwind niet eens een blik waardig. Zodra de staf stevig vastzat, liep ze naar de rand van de klif. Sturm versperde haar de weg.

‘Sta me toe voor je uit af te dalen,’ zei hij. ‘Als je uitglijdt—’

‘Als ik uitglijd, neem ik je mee in mijn val. Het enige wat we daarmee bereiken, is dat we samen zouden sterven,’ snauwde ze. Ze bukte, pakte de rank stevig vast en zwaaide haar lichaam over de rand. Bijna meteen gleden haar bezwete handen weg. Tanis’ adem stokte in zijn keel. Sturm sprong naar voren, al wist hij dat hij niets zou kunnen doen. Goudmaan klauwde wanhopig naar de ranken en de dikke bladeren. Eindelijk vond ze houvast, en ze klampte zich stevig vast, niet in staat te ademen, niet bereid te bewegen. Rillend drukte ze haar gezicht tegen de natte bladeren, met haar ogen stevig dicht zodat ze de afschuwelijke afgrond niet hoefde te zien. Sturm liet zich over de rand zakken en klom naar haar toe.

‘Laat me met rust,’ beet Goudmaan hem met opeengeklemde kaken toe. Ze haalde beverig adem, wierp een trotse, opstandige blik op Waterwind en liet zich langs de rank omlaag zakken.

Sturm bleef bij haar in de buurt om een oogje op haar te houden terwijl hij behendig langs de rotswand naar beneden klom. Tanis, die naast Waterwind stond, wilde iets tegen de Vlakteman zeggen, maar was bang dat het meer kwaad dan goed zou doen. Zonder een woord klom hijdaarom over de rand. Waterwind kwam zwijgend achter hem aan.

De halfelf vond het een gemakkelijke klim, al gleed hij een paar voet boven de grond weg en kwam hij in duimdiep water terecht. Raistlin, zo zag hij, rilde van de kou, en zijn hoest was erger geworden door de vochtige lucht. Verschillende greppeldwergen stonden om de magiër heen bewonderend naar hem op te kijken. Tanis vroeg zich af hoe lang de vriendschapsspreuk zou blijven werken.

Bevend leunde Goudmaan tegen de wand. Ze keek niet naar Waterwind toen die de grond bereikte en met een nog immer uitdrukkingsloos gezicht een eindje bij haar vandaan ging staan.

‘Waar zijn we?’ riep Tanis boven het gebulder van het water uit. De mist was zo dicht dat hij niets kon zien, behalve kapotte zuilen bedekt met ranken en schimmel.

‘Grote Plein die kant op.’ Boepoe wees dringend met haar groezelige vinger naar het westen. ‘Kom. Ga mee. Naar Hoogbulp.’

Ze wilde weglopen. Tanis pakte haar vast, zodat ze gedwongen was te stoppen. Diep beledigd keek ze hem aan. De halfelf liet haar los. ‘Toe, luister gewoon even. De draak. Waar is de draak?’

Boepoes ogen werden groot. ‘Jij wil de draak?’ vroeg ze.

‘Nee!’ riep Tanis gefrustreerd. ‘We willen de draak niet. Maar we moeten weten of de draak weleens in dit deel van de stad komt—’ Toen hij Sturms hand op zijn schouder voelde, zweeg hij. ‘Laat maar,’ zei hij vermoeid. ‘Toe maar.’

Boepoe wierp Raistlin een blik vol mededogen toe omdat hij opgescheept was met zulke gekken, pakte de magiër bij zijn hand en draafde over de straat in westelijke richting. De andere greppeldwergen volgden hen. Het oorverdovende geraas van de waterval maakte dat de reisgenoten onrustig om zich heen keken terwijl ze achter de groep aan waadden. Donkere ramen doemden boven hen op, donkere deuropeningen straalden dreiging uit. Ze verwachtten elk moment dat er geschubde, gewapende draconen zouden opduiken. De greppeldwergen leken zich echter nergens druk om te maken. Ze plasten over de straat, waarbij ze zo dicht mogelijk bij Raistlin in de buurt bleven en druk kwebbelden in hun grove taal.