Выбрать главу

Uiteindelijk stierf het geraas van de waterval weg. De mist daarentegen hing nog steeds om hen heen, en de stilte in de dode stad was drukkend. Donker water stroomde gorgelend over de rivierbedding van kinderkopjes om hun voeten heen. Opeens hielden de gebouwen op en kwam de straat uit op een enorm rond plein. Door het water heen zagen ze dat het was versierd met een ingewikkeld mozaïek in de vorm van een zon. Midden op het plein voegde zich een ander beekje vanuit het noorden bij de rivier. Op de plek waar de twee elkaar kruisten, was een draaikolkontstaan, en van daaruit liep een bredere rivier westwaarts tussen alweer een groep ingestorte gebouwen door.

Hier stroomde licht door een barst in het plafond, hoog boven hun hoofd, de grot binnen en verlichtte de spookachtige mist. Op de plekken waar de mist uiteenweek, danste het op het wateroppervlak.

‘Andere kant Grote Plein,’ zei Boepoe wijzend.

De reisgenoten bleven staan in de schaduw van de ruïnes. Allemaal dachten ze hetzelfde: het plein was meer dan honderd voet breed en nergens was iets te bekennen wat dekking kon bieden. Als ze overstaken, konden ze zich nergens verstoppen.

Boepoe was onbezorgd verder gelopen, maar besefte opeens dat behalve de andere greppeldwergen niemand achter haar aan kwam. Geërgerd over het oponthoud keek ze achterom. ‘Kom mee, Hoogbulp deze kant op.’

‘Kijk!’ Goudmaan greep Tanis bij zijn arm.

Aan de andere kant van het grote plein met het mozaïek stonden hoge marmeren zuilen die een stenen dak schraagden. De zuilen waren gebarsten en verbrokkeld, waardoor het dak was doorgezakt. De mist week uiteen en Tanis ving een glimp op van een binnenplaats achter de zuilen. Achter die binnenplaats waren de donkere contouren zichtbaar van hoge gebouwen met koepels. Toen sloot de mist zich weer. Hoewel het nu verweerd en vervallen was, moest dit ooit het indrukwekkendste gebouw van heel Xak Tsaroth zijn geweest.

‘Het koninklijk paleis,’ bevestigde Raistlin kuchend.

‘Sst!’ Goudmaan trok aan Tanis’ arm. ‘Zie je het? Nee, wacht even…’

De mist kolkte voor de zuilen langs. Even zagen de reisgenoten helemaal niets. Toen trok de mist weer op. Allemaal trokken ze zich terug in een donkere deuropening. De greppeldwergen kwamen abrupt tot stilstand op het plein, draaiden zich om en zochten angstig bescherming bij Raistlin.

Boepoe tuurde Tanis van onder de mouw van de magiër aan. ‘Die draak,’ zei ze. ‘Wil je die?’

Het was inderdaad de draak.

Met haar leerachtige vleugels om haar soepele, glanzend zwarte lijf gevouwen gleed Khisanth onder het dak vandaan, met haar kop naar beneden zodat die onder de ingezakte stenen gevel door kon. De klauwen van haar voorpoten klakten op de marmeren trap toen ze bleef staan om met haar helrode ogen naar de kolkende mist te turen. Haar achterpoten en zware hagedissenstaart waren niet zichtbaar, maar het lichaam van de draak strekte zich op de binnenplaats achter haar nog zeker dertig voet uit. Een kruiperige dracoon liep naast haar. De twee waren zo te zien diep in gesprek verwikkeld.

Khisanth was boos. De dracoon was haar verontrustend nieuws komen brengen. Het was bijna niet mogelijk dat de vreemdelingen haar aanval bij de put hadden overleefd, maar nu wist de kapitein van haar garde haar te vertellen dat er vreemdelingen in de stad waren gesignaleerd. Vreemdelingen die haar troepen dapper en vakkundig bestreden, vreemdelingen die een bruine staf bij zich hadden waarvan de omschrijving bekend was bij iedere dracoon die in dit deel van het Ansalonische continent diende.

‘Ik geloof niets van die berichten! Niemand kan aan mij zijn ontsnapt.’ Khisanths stem klonk zacht, bijna poeslief, maar de dracoon beefde als een rietje.

‘Ze hadden de staf niet bij zich. Ik zou de aanwezigheid ervan hebben gevoeld. Dus volgens jou zijn de vreemdelingen nog boven, in de bovenste vertrekken? Weet je dat zeker?’

De dracoon slikte moeizaam en knikte. ‘Er is geen weg naar beneden, koninklijke vrouwe, behalve de lift.’

‘Natuurlijk zijn er andere wegen, stomme hagedis,’ sneerde Khisanth. ‘Die ellendige greppeldwergen krioelen als parasieten overal rond. De indringers hebben de staf, en nu proberen ze de stad binnen te dringen. Dat kan maar één ding betekenen: ze zijn op de schijven uit. Hoe weten ze dat die bestaan?’ De draak bewoog als een slang haar kop heen en weer en op en neer, alsof ze dwars door de verhullende mist heen degenen kon zien die haar plannen dreigden te dwarsbomen. De mist was echter dichter dan ooit.

Khisanth grauwde van frustratie. ‘De staf! Die ellendige staf! Canaillaard had dit moeten voorzien met die profetische gaven van hem waarover hij zo hoog van de toren blaast, dan had hij vernietigd kunnen worden. Maar nee, hij heeft het druk met zijn oorlog terwijl ik hier in dit klamme graf van een stad wegrot.’ Bedachtzaam knaagde Khisanth op een klauw.

‘Jullie zouden de schijven kunnen vernietigen,’ opperde de dracoon dapper.

‘Dwaas, denk je soms dat we dat niet hebben geprobeerd?’ mompelde Khisanth. Ze tilde haar kop op. ‘Nee, het is veel te gevaarlijk om hier nog te blijven. Als die indringers op de hoogte zijn van het geheim, zijn ze vast niet de enigen. De schijven moeten worden overgebracht naar een veilige plaats. Vertel heer Canaillaard dat ik wegga uit Xak Tsaroth. Ik zal me in Pax Tharkas bij hem voegen en ik zal de indringers meenemen ter ondervraging.’

‘Vertel heer Canaillaard?’ vroeg de dracoon gechoqueerd.

‘Goed dan,’ antwoordde Khisanth sarcastisch. ‘Als je de farce zo nodig in stand wilt houden, vraag mijn heer dan om toestemming. Je hebt het grootste deel van je manschappen zeker naar boven gestuurd?’

‘Ja, koninklijke vrouwe.’ De dracoon maakte een buiging.

Khisanth dacht even na. ‘Misschien ben je toch niet zo dom als ik dacht,’ mijmerde ze. ‘Ik kan het hierbeneden wel alleen af. Richt je zoektocht op de bovenste regionen van de stad. Als je de indringers vindt, breng ze dan rechtstreeks naar mij toe. Verwond ze niet meer dan absoluut noodzakelijk is om ze te onderwerpen. En pas op voor die staf!’ De dracoon liet zich voor de draak op zijn knieën vallen, maar Khisanth snoof minachtend en kroop terug in de donkere schaduw waar ze vandaan was gekomen.

De dracoon rende de trap af, waar hij werd opgewacht door enkele andere monsters die uit de mist waren opgedoken. Na een kort, gedempt gesprek in hun eigen taal gingen de draconen de straat in die in noordelijke richting voerde. Ze liepen nonchalant, lachend om een grap, en gingen al snel op in de mist.

‘Ze maken zich niet druk, hè?’ vroeg Sturm.

‘Nee,’ antwoordde Tanis grimmig. ‘Ze denken dat ze ons in de tang hebben.’

‘Laten we onszelf niet voor de gek houden, Tanis. Ze hebben gelijk,’ zei Sturm. ‘Het plan dat we hebben besproken heeft één grote zwakke plek. Als we erin slagen om binnen te glippen zonder dat de draak het merkt, en als we de schijven te pakken krijgen, moeten we nog altijd zien weg te komen uit deze godvergeten stad, en in het hooggelegen deel krioelt het van de draconen.’

‘Ik heb het je al eerder gevraagd, en ik vraag het je nog een keer,’ zei Tanis. ‘Heb jij een beter idee?’

‘Ik heb een beter idee,’ zei Caramon bars. ‘Ik wil je niet beledigen, Tanis, maar we weten allemaal hoe elfen denken over vechten.’ De grote man gebaarde naar het paleis. ‘Het lijkt me duidelijk dat de draak daar woont. We lokken haar naar buiten, zoals gepland, maar in plaats van als een dievenbende haar schuilplaats binnen te sluipen, gaan we de strijd aan. Zodra we ons van de draak hebben ontdaan, kunnen we de schijven gewoon gaan halen.’

‘Mijn dierbare broer,’ fluisterde Raistlin, ‘je grote kracht bevindt zich in je zwaardarm, niet tussen je oren. Zoals de ridder al zei toen we aan dit avontuurtje begonnen, Tanis is wijs. Je kunt maar beter naar hem luisteren. Wat weet jij nu van draken, mijn broer? Je hebt gezien wat haar dodelijke adem kan aanrichten.’ Raistlin werd overvallen door een hoestbui. Hij haalde een zachte doek uit de mouw van zijn gewaad. Tanis zag dat het onder de bloedvlekken zat.