Выбрать главу

Even later ging Raistlin verder: ‘Misschien zou je je daartegen kunnen verdedigen, en tegen de scherpe klauwen en tanden, en tegen de zwiepende staart, waarmee ze die zuilen omver kan slaan. Maar wat, mijn dierbare broer, wil je inbrengen tegen haar magie? Draken zijn de oudste gebruikers van magie. Ze kan je betoveren zoals ik onze kleine vrienden heb betoverd. Ze kan je met één woord in slaap brengen en je vermoorden zonder datje er iets van merkt.’

‘Al goed, al goed,’ mompelde Caramon teleurgesteld. ‘Dat wist ik allemaal niet. Verdorie, wie weet er eigenlijk wel iets over die monsters?’

‘In Solamnië is er veel kennis over draken,’ zei Sturm zachtjes.

Hij wil ook tegen de draak vechten, besefte Tanis. Hij moest denken aan Huma, de volmaakte ridder, die ook Drakenvloek werd genoemd. Boepoe trok aan Raistlins gewaad. ‘Kom. Jij gaan. Geen bazen meer. Geen draken meer.’ Samen met de andere greppeldwergen waadde ze het plein op.

‘Nou?’ vroeg Tanis aan de twee krijgers.

‘Het lijkt erop dat we geen keus hebben,’ zei Sturm stijfjes. ‘We nemen het niet op tegen de vijand, we verstoppen ons achter greppeldwergen. Maar vroeg of laat komt er een moment dat we het tegen die monsters moeten opnemen.’ Hij draaide zich om en liep met rechte rug boos weg. De anderen volgden hem.

‘Misschien maken we ons nodeloos zorgen.’ Tanis krabde aan zijn baard terwijl hij een blik achterom wierp op het paleis, dat nu geheel door de mist aan het zicht werd onttrokken. ‘Misschien is dat de enige draak die nog over is op Krynn, een die toevallig het Dromentijdperk heeft overleefd.’

Raistlins lippen vertrokken. ‘Denk aan de sterren, Tanis,’ prevelde hij. ‘De Koningin van de Duisternis is teruggekeerd. Denk aan de woorden van het Hooglied: “haar zwermende, krijsende leger”. Haar leger bestond uit draken, volgens de ouden. Ze is teruggekeerd en haar leger vergezelt haar.’

‘Deze kant!’ Boepoe klampte Raistlin aan en wees naar een zijstraat die in noordelijke richting liep. ‘Dat is thuis!’

‘In elk geval is het hier droog,’ bromde Flint. Ze sloegen rechts af en lieten de rivier achter zich. De mist pakte zich samen om de reisgenoten toen die tussen de vervallen, dicht opeengepakte huizen door liepen. Dit was kennelijk een armoedig deel van de stad Xak Tsaroth geweest, zelfs in de glorietijd, want de gebouwen verkeerden in de laatste stadia van rotting en verval. De greppeldwergen begonnen te juichen en te roepen terwijl ze over straat renden. Sturm keek Tanis geschrokken aan bij het horen van al dat kabaal.

‘Kan dat niet wat zachter?’ vroeg Tanis aan Boepoe. ‘Zodat de draconen. .. eh, de bazen ons niet vinden?’

‘Poeh!’ Ze haalde haar schouders op. ‘Geen bazen. Zij komen hier niet. Bang van de grote Hoogbulp.’

Daar had Tanis zo zijn twijfels over, maar toen hij om zich heen keek, zag hij niets wat op de aanwezigheid van draconen wees. Voor zover hij kon beoordelen, hielden de hagedisachtige mannen er een geordende, militaristische levensstijl op na. De straten in dit deel van de stad, daarentegen, lagen vol rommel. Overal in de sjofele gebouwen barstte het van de greppeldwergen. Mannen, vrouwen en groezelige kinderen in vieze lompen staarden hen nieuwsgierig na terwijl ze door de straat liepen. Boepoe en de andere betoverde greppeldwergen zwermden om Raistlin heen. Ze droegen hem bijna letterlijk op handen.

De draconen waren onbetwistbaar slim, dacht Tanis. Ze lieten hun slaven in hun vrije tijd met rust, zolang ze geen problemen veroorzaakten. Een goed idee als je naging dat er ongeveer tien keer zoveel greppeldwergen als draconen waren. Hoewel ze van nature lafaards waren, hadden de greppeldwergen de reputatie uiterst gemene vechters te zijn als ze in een hoek werden gedreven.

Boepoe liet de groep halt houden voor een van de donkerste, armoedigste, smerigste steegjes die Tanis ooit had gezien. Een stinkende mist golfde eruit. De gebouwen stonden scheef en hielden elkaar overeind als dronkenlappen die uit een taveerne komen strompelen. Onder zijn ogen schoten kleine, donkere diertjes uit het steegje, en de greppeldwergkinderen gingen erachteraan.

‘Eten!’ gilde er een smakkend met zijn lippen.

‘Dat zijn ratten!’ riep Goudmaan ontzet uit.

‘Moeten we daar echt in?’ bromde Sturm, die naar de wankele gebouwen stond te staren.

‘De stank alleen is al genoeg om een trol mee dood te slaan,’ voegde Caramon eraan toe. ‘En ik sterf liever onder de klauwen van de draak dan onder het omgevallen krot van een greppeldwerg.’

Boepoe gebaarde naar het steegje. ‘De Hoogbulp!’ zei ze, wijzend naar het meest vervallen gebouw dat er stond.

‘Blijf hier maar de wacht houden als je wilt,’ zei Tanis tegen Sturm. ‘Dan ga ik wel met de Hoogbulp praten.’

‘Nee.’ Met een vertrokken gezicht gebaarde de ridder dat de halfelf het steegje in moest gaan. ‘Samen uit, samen thuis.’

Het steegje liep een paar honderd voet in oostelijke richting, om vervolgens af te buigen naar het noorden en abrupt dood te lopen. Vóór hen was alleen een verweerde bakstenen muur, maar geen uitweg. Omdraaien konden ze ook niet, want het steegje werd versperd door de greppeldwergen die achter hen aan waren gerend.

‘Hinderlaag!’ siste Sturm terwijl hij zijn zwaard trok. Caramon grauwde diep in zijn keel. Bij het zien van de koude glans van staal raakten de greppeldwergen in paniek. Struikelend over elkaar en over hun eigenvoeten draaiden ze zich om en vluchtten het steegje uit.

Boepoe staarde Sturm en Caramon vol afkeer aan. Ze wendde zich tot Raistlin. ‘Laat ze ophouden!’ eiste ze, wijzend op de krijgers. ‘Anders ik niet naar Hoogbulp brengen!’

‘Stop je zwaard weg, ridder,’ siste Raistlin, ‘tenzij je denkt een vijand te hebben gevonden die je aandacht waard is.’

Sturm keek Raistlin boos aan, en even dacht Tanis dat hij de magiër zou aanvallen, maar toen stak de ridder zijn zwaard terug in de schede. ‘Wist ik maar wat voor spelletje je speelde, magiër,’ zei Sturm kil. ‘Zelfs voordat we wisten dat de schijven hier lagen, popelde je al om naar deze stad te gaan. Waarom? Waar ben je op uit?’

Raistlin gaf geen antwoord. Hij staarde de ridder aan met een boosaardige blik in zijn vreemde, gouden ogen, voordat hij zich tot Boepoe wendde. ‘Ze zullen je niet meer lastig vallen, kleintje,’ fluisterde hij.

Boepoe keek even om zich heen om te controleren of iedereen zich wel schuldbewust genoeg voelde en liep toen op de muur af. Ze klopte er twee keer op met haar groezelige vuist. ‘Geheime deur,’ zei ze gewichtig.

Er werd twee keer geklopt als antwoord op Boepoes teken.

‘Is signaal,’ zei ze. ‘Drie keer kloppen. Nu laten ze binnen.’

‘Maar ze heeft maar twee keer geklopt—’ begon Tas giechelend.

Boepoe keek hem boos aan. Tanis gaf de kender een por. ‘Sst!’

Er gebeurde niets. Fronsend klopte Boepoe nog twee keer. Opnieuw klonken er twee kloppen als antwoord. Ze wachtte. Caramon, die zijn blik strak gericht hield op het steegje achter hen, begon rusteloos van de ene voet op de andere te wippen.

Uiteindelijk schreeuwde Boepoe tegen de muur: ‘Ik klop geheime codeklop. Jij binnenlaten!’

‘Geheime klop vijf kloppen,’ antwoordde iemand gedempt.

‘Ik klop vijf kloppen!’ verklaarde Boepoe boos. ‘Jij binnenlaten!’

‘Jij klopt zes kloppen.’

‘Ik tel acht kloppen,’ wierp iemand anders tegen.

Opeens duwde Boepoe met beide handen tegen de muur. De deur ging soepel open. Ze tuurde naar binnen. ‘Ik klop vier kloppen. Jij binnenlaten!’ zei ze, zwaaiend met haar vuist.

‘Goed dan,’ bromde de ander.

Boepoe sloot de deur en klopte twee keer. In de hoop een nieuw incident en nog meer vertraging te voorkomen, wierp Tanis een boze blik op de kender, die kronkelde van het onderdrukte lachen.

De deur zwaaide weer open. ‘Jij binnenkomen,’ zei de wachter zuur. ‘Maar dat geen vier kloppen,’ fluisterde hij luid tegen Boepoe. Zonderaandacht aan hem te besteden liep ze hooghartig naar binnen. Haar tas sleepte achter haar aan over de vloer.