Выбрать главу

Goudmaan bleef bij de gewonde smid in de buurt. Hoewel Theros IJzerfeld niet langer in levensgevaar verkeerde, was hij nog altijd erg ziek. Hij had hoge koorts, en in zijn delirium ijlde hij over de verwoesting van Soelaas. Theros sprak over draconen wier dode lichamen veranderden in poelen van bijtend zuur dat hun slachtoffers verteerde, of wier botten ontploften, waardoor alles in een wijde kring om hen heen vernietigd werd. Tanis luisterde naar de gruwelverhalen van de smid tot hij er misselijk van werd. Voor het eerst besefte hij hoe uitzichtloos de situatie was. Hoe konden ze het opnemen tegen draken die met hun adem konden doden en die qua magie slechts onder hoefden te doen voor enkelen van de machtigste magiegebruikers uit de geschiedenis? Hoe konden ze een reusachtig leger van draconen verslaan, als ze zelfs na hun overlijden nog dood en verderf konden zaaien?

Het enige wat wij hebben, dacht Tanis verbitterd, zijn de schijven van Mishakal, en wat hebben we daaraan? Hij had de schijven bestudeerd tijdens hun reis van Xak Tsaroth naar Soelaas. Hij had maar heel kleine stukjes van de teksten kunnen lezen. Goudmaan begreep wel de woorden die met de geneeskunst te maken hadden, maar verder kon ze weinig ontcijferen.

‘Aan de leider der volkeren zal alles duidelijk worden gemaakt,’ zei ze met onwankelbare overtuiging. ‘Mijn roeping is nu om hem te vinden.’

Tanis zou willen dat hij haar geloof kon delen, maar nu ze door het verwoeste landschap reisden, begon hij zich af te vragen of er wel een leider bestond die het van de machtige heer Canaillaard kon winnen.

Die twijfels verergerden de overige problemen waarmee de halfelf worstelde. Raistlin, beroofd van zijn medicijnen, hoestte en hoestte, tot hij er bijna net zo slecht aan toe was als Theros. Nu had Goudmaan twee patiënten onder haar hoede. Gelukkig hielp Tika de Vlaktevrouw met de verzorging van de magiër. Tika, wier vader zelf goochelaar was geweest, had een heilig ontzag voor iedereen die magie kon aanwenden.

Sterker nog, het was Tika’s vader geweest die Raistlin onbedoeld had geholpen zijn roeping te vinden. Raistlins vader had zijn twee zoons en zijn stiefdochter Kitiara meegenomen naar het plaatselijke Zomereindefestival, waar de kinderen naar de goochelkunsten van Walyan de Geweldige hadden staan kijken. De acht jaar oude Caramon raakte al snel verveeld en stemde gretig in toen zijn oudere halfzus hem wilde meenemen naar iets wat haar meer interesseerde: het zwaardvechten. Raistlin, die zelfs toen al een schriel mannetje was geweest, had niets op met dergelijke sporten. De hele dag bleef hij kijken naar Walyan de illusionist. Toen het gezin die avond thuiskwam, verraste Raistlin hen door elk trucje feilloos na te doen. De volgende dag bracht zijn vader hem naareen van de grootmeesters van de toverkunst om bij hem in de leer te gaan.

Tika had altijd bewondering gehad voor Raistlin, en ze was onder de indruk van de verhalen die ze had gehoord over zijn mysterieuze reis naar de befaamde Torens van de Hoge Magie. Nu hielp ze, uit respect voor de magiër en een aangeboren behoefte om hen die zwakker waren dan zijzelf te helpen, bij zijn verzorging. Een andere reden dat ze hem verzorgde (zo gaf ze voor zichzelf toe) was dat het haar een glimlach van dankbaarheid en goedkeuring opleverde van Raistlins knappe tweelingbroer.

Tanis wist niet goed waarover hij zich het meest zorgen moest maken: de verslechterde toestand van de magiër of de ontluikende romance tussen de oudere, ervaren soldaat en het jonge en — zo geloofde Tanis, ondanks alle roddels over het tegendeel — onervaren, kwetsbare barmeisje. Daarnaast had hij nog een probleem. Sturm, die zich vernederd voelde nu hij gevangen was genomen en over het platteland werd afgevoerd als een beest naar de slacht, zakte weg in een diepe depressie, en Tanis was bang dat hij er niet meer uit zou komen. De hele dag zat Sturm óf tussen de tralies door naar buiten te staren, of — wat nog erger was — hij viel in een diepe slaap waaruit hij niet wakker kon worden gemaakt.

Ten slotte moest Tanis ook nog zijn eigen innerlijke tumult het hoofd bieden, veroorzaakt door de elf die in een hoek van de kooi zat. Telkens als hij naar Gilthanas keek, werd Tanis gekweld door herinneringen aan zijn tijd in Qualinesti. Hoe dichter ze bij zijn vaderland kwamen, hoe meer herinneringen waarvan hij dacht dat ze al lang begraven en vergeten waren, weer bij hem opkwamen. Ze verkilden hem tot op het bot, als de aanraking van de ondoden in het Duisterwold.

Gilthanas, zijn jeugdvriend — meer, dan een vriend, een broer. Ze waren ongeveer van dezelfde leeftijd en waren in hetzelfde huis opgegroeid. Ze hadden samen gespeeld, geruzied en gelachen. Toen Gilthanas’ kleine zusje groot genoeg was, lieten ze het betoverende blonde kind ook meespelen.

Een van de favoriete bezigheden van het drietal was streken uithalen met de oudste broer, Porthios, een sterke, ernstige jongeman die al vroeg de verantwoordelijkheden en droefenis van zijn volk op zijn schouders nam. Gilthanas, Laurana en Porthios waren de kinderen van de Zonnenspreker, de elfenleider van Qualinesti, een titel die Porthios na de dood van zijn vader zou erven.

Sommigen in het elfenrijk vonden het maar raar dat de Spreker de bastaardzoon van de vrouw van zijn dode broer in huis nam, nadat zij door een mensenkrijger was verkracht. Zelf was ze slechts een paar maanden na de geboorte van haar half menselijke zoon van verdriet gestorven. Maar de Spreker, die uitgesproken opvattingen had oververantwoordelijkheid, nam het kind zonder enige aarzeling bij zich in huis. Pas jaren later, toen hij met groeiende ongerustheid de relatie gadesloeg die zich ontwikkelde tussen zijn geliefde dochter en de halfelf-bastaard, begon hij spijt te krijgen van zijn beslissing. De situatie was voor Tanis ook verwarrend. Omdat hij half mens was, bereikte de jongeman een staat van volwassenheid waar de elfenmaagd, die zich langzamer ontwikkelde, niets van begreep. Tanis begreep hoeveel verdriet een verbintenis tussen hen beiden zou veroorzaken binnen het gezin waarvan hij hield. Bovendien werd hij gekweld door de innerlijke tweestrijd die hem ook in latere jaren zou achtervolgen: de onophoudelijke strijd tussen de elf en de mens in hem. Op de leeftijd van tachtig jaar — vergelijkbaar met een leeftijd van twintig jaar bij een mens — verliet hij Qualinost. Het speet de Spreker niet hem te zien vertrekken. Hij probeerde zijn gevoelens voor de jonge halfelf te verbergen, maar ze wisten het allebei.

Gilthanas was minder tactvol geweest. Hij en Tanis hadden bittere woorden gewisseld over Laurana. Het duurde jaren voor de pijn van de woorden wegtrok, en Tanis vroeg zich af of het wat hem betrof ooit vergeven en vergeten was. Wat Gilthanas betrof duidelijk niet.

Voor die twee duurde de reis erg lang. Tanis deed een paar pogingen om een gesprek aan te knopen, maar besefte bijna meteen dat Gilthanas was veranderd. De jonge elfenheer was altijd open en eerlijk geweest, goedlachs en luchthartig. Hij beneed zijn oudere broer niet om de verantwoordelijkheden die hij als troonopvolger had. Gilthanas was een student die wat liefhebberde in de toverkunst, al had hij het nooit zo serieus genomen als Raistlin. Hij was een uitstekend krijger, ook al had hij zoals alle elfen een hekel aan vechten. Bovendien was hij volkomen toegewijd aan zijn familie, en met name aan zijn zusje. Nu zat hij er echter zwijgend en somber bij, wat voor een elf erg ongewoon was. De enige keer dat hij ergens belangstelling voor toonde, was toen Caramon plannen begon te smeden voor een ontsnapping. Gilthanas beet hem toe dat hij het moest vergeten, omdat hij anders alles zou verpesten. Toen hem werd gevraagd wat hij daarmee bedoelde, deed de elf er het zwijgen toe. Hij mompelde alleen iets over vechten tegen de bierkaai.

Toen op de derde dag de zon bijna opkwam, was het draconenleger vermoeid na de lange nachtmars en zag het verlangend uit naar een rustpauze. De reisgenoten hadden opnieuw een doorwaakte nacht achter de rug en konden slechts uitzien naar alweer een kille, sombere dag. Opeens bleven de kooien echter stilstaan. Verrast door deze afwijking van het patroon keek Tanis op. Ook de andere gevangenen kwamen in beweging en tuurden tussen de tralies naar buiten. Ze zagen een oudeman, gekleed in een lang gewaad dat ooit wit moest zijn geweest en met een verfomfaaide punthoed op zijn hoofd. Hij leek tegen een boom te praten.