Tas’ gedachten werden ruw onderbroken toen hij van Flint een por in zijn rug kreeg.
De kender draaide zich boos naar de dwerg om. ‘Wat nou?’ vroeg hij op hoge toon.
‘Waar zijn we?’ vroeg Flint wrevelig, met zijn handen op zijn heupen.
‘Nou, we zijn...’ Tas keek om zich heen. ‘Eh... tenminste, ik denk dat we... Maar misschien ook niet, bij nader inzien.’ Hij keek Flint ijzig aan. ‘Dat heb je mooi voor elkaar. We zijn verdwaald.’
‘Ik?’ ontplofte de dwerg. ‘Jij bent de gids! Jij bent de kaartlezer. Jij bent degene die beweert deze stad als zijn broekzak te kennen.’
‘Maar ik was aan het nadenken,’ zei Tas hooghartig.
‘Waarmee dan?’ brulde Flint.
‘Het waren heel diepzinnige gedachten, hoor,’ antwoordde Tas gekwetst.
‘Ik... Ach, laat ook maar,’ mopperde Flint. Hij keek naar links en naar rechts. Het beviel hem niet wat hij zag.
‘Dat is wel een beetje vreemd,’ zei Tas opgewekt, alsof hij Flints gedachten had gelezen. ‘Het is hier zo stil, heel anders dan in de andere straten van Palanthas.’ Verlangend staarde hij naar de rijen stille, lege gebouwen. ‘Ik vraag me af...’
‘Nee,’ zei Flint. ‘Absoluut niet. We gaan dezelfde weg weer terug.’
‘Ah, toe nou!’ zei Tas terwijl hij iets verder de verlaten straat inliep. ‘Een klein stukje maar, alleen om even te zien wat er verder nog is. Laurana heeft immers gezegd dat we goed om ons heen moesten kijken en de forti... forta... de dingesen te inspecteren.’
‘Fortificaties,’ mompelde Flint, die met tegenzin achter de kender aan stommelde. ‘En die zijn hier niet, leeghoofd dat je bent. Dit is het centrum van de stad. Ze bedoelde de muur die om de buitenkant van de stad loopt.’
‘Er loopt helemaal geen muur om de buitenkant van de stad,’ zei Tas triomfantelijk. ‘Tenminste, niet om de Nieuwe Stad. En als dit het centrum is, waarom is het dan zo stil? Ik vind dat we op onderzoek moeten uitgaan.’
Flint snoof. De argumenten van de kender begonnen zowaar logisch te klinken. De dwerg schudde zijn hoofd en vroeg zich af of het niet tijd werd dat hij ergens uit de zon even ging liggen.
Zwijgend liep het tweetal verder, steeds dieper het hart van de stad in. Naast hen, slechts een paar straten verderop, verhief zich de vorstelijke woning van de heer van Palanthas. Ze konden de hoge torenspitsen zien vanaf de plek waar ze zich bevonden. Maar voor hen uit was helemaal niets te zien. Daar verdween alles in een diepe schaduw.
Tas gluurde door ramen naar binnen en stak zijn hoofd in de portieken van de gebouwen die ze passeerden. Hij en Flint waren al aan het eind van het blok voordat de kender iets zei.
‘Weet je, Flint,’ zei Tas slecht op zijn gemak, ‘die gebouwen zijn allemaal leeg.’
Flint schrok op en legde nerveus zijn hand op zijn strijdbijl bij het horen van Tas’ schrille stem. ‘Verlaten,’ zei de dwerg op gedempte toon.
‘Er hangt hier een zonderlinge sfeer,’ zei Tas. Hij ging iets dichter bij de dwerg lopen. ‘Niet dat ik bang ben...’
‘Ik wel,’ zei Flint nadrukkelijk. ‘Wegwezen hier!’
Tas keek op naar de hoge gebouwen aan weerszijden van hen. Ze waren goed onderhouden. Kennelijk waren de Palanthijnen zo trots op hun stad dat ze zelfs geld besteedden aan het opknappen van leegstaande gebouwen. Er waren allerlei winkels en woningen, duidelijk in uitstekende bouwkundige staat. De straten waren schoon en vrij van afval en rommel. Maar er was geen levende ziel te bekennen. Ooit was dit een rijke buurt, dacht de kender. Midden in het hart van de stad. Waarom nu niet meer? Waarom was iedereen vertrokken? Het bezorgde hem een ‘griezelig’ gevoel, en er was op Krynn niet veel wat een kender een ‘griezelig’ gevoel kon geven.
‘Er zijn zelfs geen ratten,’ mompelde Flint. Hij pakte Tas bij de arm en probeerde hem mee te trekken. ‘We hebben genoeg gezien.’
‘Ah, toe nou,’ zei Tas. Hij trok zijn arm los, onderdrukte met enige moeite dat merkwaardige, griezelige gevoel en rechtte zijn smalle schouders voordat hij verder liep. Hij had nog geen drie voet afgelegd toen hij besefte dat hij alleen was. Geërgerd bleef hij staan en keek achterom. De dwerg stond op de stoep boos naar hem te staren.
‘Ik wil alleen maar even naar dat bosje aan het eind van de straat,’ zei Tas wijzend. ‘Kijk, het is een doodgewoon bosje met doodgewone eikenbomen. Waarschijnlijk een park of zoiets. Misschien kunnen we daar iets eten...’
‘Het bevalt me hier niet,’ zei Flint koppig. ‘Het doet me denken aan... aan... het Duisterwold, die plek waar Raistlin met de spoken praatte.’
Ach, er loopt er hier maar één te spoken, en dat ben jij,’ zei Tas geërgerd, vastbesloten geen acht te slaan op het feit dat hij aan exact hetzelfde moest denken. ‘Het is klaarlichte dag. We zitten midden in de stad, dus doe in Reorxnaam...’
‘Waarom is het dan ijskoud?’
‘Het is winter!’ riep de kender wild gebarend. Meteen hield hij zijn mond, geschrokken van de akelige manier waarop zijn stem door de stille straat galmde. ‘Ga je mee of niet?’ vroeg hij op luide fluistertoon.
Flint haalde diep adem. Met een boos gezicht omklemde hij zijn strijdbijl en liep met vastberaden passen op de kender af. Maar onderweg wierp hij toch een behoedzame blik op de gebouwen, alsof er elk moment een geest uit kon komen die hem zou bespringen.
‘Het is helemaal geen winter,’ mopperde de dwerg binnensmonds. ‘Alleen hier.’
‘Het duurt nog weken voor het lente wordt,’ pareerde Tas, blij dat hij iets had om over te redetwisten, zodat hij niet aan de vreemde capriolen hoefde te denken die zijn maag uitvoerde - omdraaien en zo.
Maar Flint weigerde te kibbelen, een slecht teken. Zwijgend sloop het tweetal door de stille straat, tot ze het eind van het blok hadden bereikt. Daar, bij het bosje, hield de bebouwing abrupt op. Zoals Tas al had gezegd was het op het oog een doodgewoon bosje eikenbomen, al waren het verreweg de hoogste eiken die de dwerg en de kender in hun jarenlange omzwervingen over Krynn hadden gezien.
Naarmate het tweetal dichterbij kwam, werd dat merkwaardige, ijzingwekkende gevoel echter sterker, tot het kouder leek dan ze ooit hadden meegemaakt, kouder zelfs dan in IJsmuur. Het was erger omdat het van binnenuit kwam en omdat het volkomen onlogisch was. Waarom was het juist in dit deel van de stad zo koud? De zon scheen. Er was geen wolkje aan de lucht. Maar toch werden hun vingers binnen de kortste keren koud en stijf. Flint kon zijn strijdbijl niet meer vasthouden en was gedwongen hem met bevende handen terug in de houder te steken. Tas klappertandde, had geen gevoel meer in zijn puntoren en rilde hevig.
‘L-laten w-we m-maken dat w-we w-wegkomen,’ stamelde de dwerg met blauwe lippen.
‘W-we s-staan g-gewoon in de s-schaduw van een g-gebouw.’ Tas beet bijna op zijn tong. ‘Als w-we w-weer in de z-zon 1-lopen, w-wordt het w-wel w-warmer.’
‘Geen v-vuur op K-K-Krynn k-kan het h-hier w-warm m-maken!’ snauwde Flint woest, stampend met zijn voeten om ze warm te houden.
‘Een k-klein s-stukje nog m-maar...’ Kranig liep Tas verder, al knikten zijn knieën tegen elkaar. Maar hij was de enige. Toen hij zich omdraaide, zag hij dat Flint als verlamd was blijven staan, niet in staat zich te verroeren. Zijn hoofd was gebogen en zijn baard trilde.
Ik kan beter teruggaan, dacht Tas, maar hij kon het niet. De nieuwsgierigheid die de belangrijkste natuurlijke vijand van het kendervolk was dreef hem voort.
Tas bereikte de rand van het eikenbosje, en daar zakte de moed hem bijna in de schoenen. Gewoonlijk zijn kenders immuun voor angstgevoelens, en alleen een kender had dan ook zo ver kunnen komen. Maar nu viel Tas ten prooi aan de onredelijkste doodsangst die hij ooit had meegemaakt. En de oorzaak ervan bevond zich in dat eikenbosje.