Astinus kwam zo zelfverzekerd en op zijn gemak binnen dat ze vermoedde dat hij nog niet onder de indruk zou zijn als hij werd omringd door alle koningen van Krynn en die van de hemel erbij. Hij leek van middelbare leeftijd, maar straalde iets leeftijdloos uit. Het was of zijn gezicht uit hetzelfde marmer was gebeiteld als de rest van Palanthas, en eerst vervulde het kille gebrek aan emotie op dat gezicht haar met afkeer. Maar toen zag ze dat de donkere ogen van de man werkelijk straalden van levenslust, alsof ze van binnenuit werden verlicht door het vuur van duizend zielen.
‘Wat bent u laat, Astinus,’ zei heer Amothus vriendelijk en respectvol. Hij en zijn generaals bleven allemaal staan tot de geschiedkundige had plaatsgenomen, zag Laurana, net als de ridders van Solamnië. Bijna overweldigd door een ongebruikelijk ontzag liet ze zich op haar stoel zakken aan de enorme, ronde tafel vol landkaarten die midden in de grote kamer stond.
‘Andere zaken eisten mijn aandacht op,’ antwoordde Astinus met een stem als uit een bodemloze put.
‘Ik heb vernomen dat u met een ongebruikelijk voorval bent geconfronteerd.’ De heer van Palanthas bloosde van gêne. ‘Mijn welgemeende excuses. We hebben geen idee hoe die jongeman in een dergelijke verontrustende toestand op uw trap is terechtgekomen. Had u ons maar op de hoogte gesteld, dan hadden we het lichaam zonder problemen kunnen verwijderen—’
‘Het was geen moeite,’ viel Astinus hem met een blik op Laurana in de rede. ‘De kwestie is naar behoren afgehandeld. Het is allemaal voorbij.’
‘Maar... eh... Hoe zit het dan met... eh... het lichaam?’ vroeg heer Amothus aarzelend. ‘Ik weet hoe pijnlijk dit moet zijn, maar er zijn bepaalde regels ter bescherming van de volksgezondheid die de Senaat heeft ingesteld, en ik wil graag zeker weten dat alles is geregeld...’
‘Misschien kan ik beter even weggaan,’ zei Laurana kil, terwijl ze opstond, ‘tot dit gesprek ten einde is.’
‘Hm? Weggaan?’ De heer van Palanthas staarde haar afwezig aan. ‘U bent nog maar net—’
‘Ik vermoed dat ons gesprek de elfenprinses van streek maakt,’ merkte Astinus op. ‘Zoals u ongetwijfeld weet, mijn heer, hebben de elfen de grootst mogelijke eerbied voor het leven. De dood wordt door hen niet op dergelijke zakelijke wijze besproken.’
‘O, lieve hemel!’ Heer Amothus bloosde diep, stond op en pakte haar hand vast. ‘Mijn welgemeende excuses, lieve kind. Werkelijk verschrikkelijk van me. Vergeef me, alsjeblieft, en neem plaats. Wat wijn voor de prinses...’ Amothus gebaarde naar een bediende, die Laurana’s glas volschonk.
‘Toen ik binnenkwam, hadden jullie het over de Torens van de Hoge Magie. Hoeveel weet je over de Torens?’ vroeg Astinus. Het leek of de man recht in Laurana’s ziel kon kijken.
Rillend onder die indringende blik nam ze een slok wijn. Ze had al spijt dat ze erover was begonnen. ‘Ach,’ zei ze zwakjes, ‘misschien kunnen we beter ter zake komen. Ik weet zeker dat de generaals graag terug willen naar hun troepen, en ik—’
‘Hoeveel weet je over de Torens?’ vroeg Astinus opnieuw.
‘Ik... eh... niet veel,’ stamelde Laurana. Het was alsof ze weer op school zat en werd berispt door haar leraar. ‘Maar ik had een vriend, een kennis eigenlijk, die de Proeven heeft afgelegd in de Toren van de Hoge Magie in Wayreth, maar hij is—’
‘Raistlin van Soelaas, als ik het wel heb,’ zei Astinus onverstoorbaar.
‘Ja, inderdaad,’ antwoordde Laurana verschrikt. ‘Hoe—’
‘Ik ben geschiedkundige, jongedame. Dat soort dingen hoor ik te weten,’ antwoordde Astinus. ‘Ik zal je de geschiedenis van de Toren van Palanthas vertellen. Beschouw het niet als tijdverspilling, Lauralanthalasa, want die geschiedenis is vervlochten met jouw levensbestemming.’ Zonder acht te slaan op haar verschrikte blik gebaarde hij naar een van de generaals. ‘Jij daar, maak dat gordijn open. Het berooft ons van het mooiste uitzicht van de hele stad, zoals de prinses geloof ik al opmerkte voordat ik binnenkwam. Luister nu naar het verhaal van de Toren van de Hoge Magie in Palanthas.
Mijn verhaal moet beginnen met wat achteraf bekend zou worden als de Verloren Strijd. Tijdens de Machtstijd, toen de Priesterkoning van Istar paranoïde begon te worden, gaf hij zijn angst een naam: magiegebruikers. Hij vreesde hen, en hij vreesde hun ontzagwekkende macht. En omdat hij er niets van begreep, beschouwde hij magie als een bedreiging. Het was niet moeilijk om het volk tegen de magiegebruikers op te zetten. Hoewel ze over het algemeen zeer werden gerespecteerd, had niemand hen ooit vertrouwd, voornamelijk omdat ze vertegenwoordigers tot hun orde toelieten van alle drie de machten in het heelaclass="underline" de Witte Mantels van het Goede, de Rode Mantels van de Neutraliteit en de Zwarte Mantels van het Kwaad. Want zij begrepen - in tegenstelling tot de Priesterkoning - dat het heelal balanceert tussen die drie krachten en dat het desastreus zou zijn om dat evenwicht te verstoren.
Aldus kwam het volk in opstand tegen de magiegebruikers. De vijf Torens van de Hoge Magie waren uiteraard de belangrijkste doelwitten, want in die Torens was de macht van de Orde het meest geconcentreerd. En naar die Torens kwamen jonge magiërs toe om de Proeven af te leggen - zij die het durfden, althans. Want de Proeven zijn veeleisend, en gevaarlijk bovendien. Als een jonge magiër faalt, wacht hem slechts één ding: de dood.’
‘De dood?’ herhaalde Laurana ongelovig. ‘Dus Raistlin—’
‘Waagde zijn leven toen hij de Proeven aflegde. En bijna moest hij de hoogste tol betalen. Vanwege de dodelijke straf voor hen die faalden, werden er duistere geruchten verspreid over de Torens van de Hoge Magie. Tevergeefs trachtten de magiegebruikers uit te leggen dat de Torens slechts onderwijsinstituten waren en dat iedere jonge magiër die zijn leven in de waagschaal stelde dat vrijwillig deed. Hij begreep immers welk doel het diende. In de Torens bewaarden de magiërs ook hun spreukenboeken en perkamentrollen, de gereedschappen van hun ambacht. Maar niemand geloofde hen. Verhalen over vreemde riten, rituelen en offers verspreidden zich als een lopend vuurtje, aangewakkerd door de Priesterkoning en zijn priesters, ten bate van hun eigen doeleinden.
Toen brak de dag aan waarop het volk de wapens opnam tegen de magiegebruikers. Pas voor de tweede keer in de geschiedenis van de Orde verenigden de Mantels zich. De eerste keer was ten tijde van de schepping van de drakenbollen, die de essentie van goed en kwaad bevatten, bijeengehouden door neutraliteit. Daarna gingen ze allemaal weer hun eigen weg. Nu sloegen ze, verenigd tegen een gezamenlijke vijand, opnieuw de handen ineen om zichzelf te beschermen.
De tovenaars zelf vernietigden twee van de Torens om te voorkomen dat de woedende menigte er zou binnenstormen om te knoeien met zaken die hun begrip te boven gingen. De vernietiging van die twee Torens verwoestte het omringende platteland en joeg de Priesterkoning angst aan, want er was ook een Toren van de Hoge Magie in Istar, en een in Palanthas. Wat de derde betrof, in het woud van Wayreth: slechts weinigen bekommerden zich erom, want die bevond zich ver van de bewoonde wereld.
Daarom trad de Priesterkoning de magiegebruikers met veel vertoon van vroomheid tegemoet. Als zij de twee Torens van de stad lieten staan, zou hij hun de ruimte geven om zich onbedreigd terug te trekken en hun boeken, perkamentrollen en magische instrumenten naar de Toren van de Hoge Magie in Wayreth te brengen. Diepbedroefd aanvaardden de magiegebruikers dat aanbod.’
‘Maar waarom gingen ze de strijd niet aan?’ viel Laurana hem in de rede. ‘Ik heb Raistlin en... en Fizban gezien als ze boos waren. Bij een écht machtige tovenaar kan ik me niet eens iets voorstellen.’
‘Ah, maar je vergeet één ding, Laurana. Je jonge vriend Raistlin raakte al uitgeput als hij enkele relatief eenvoudige betoveringen uitsprak. En zodra een spreuk is gebruikt, verdwijnt hij voorgoed uit zijn geheugen, tenzij hij hem met behulp van zijn spreukenboek opnieuw uit zijn hoofd leert. Dat geldt zelfs voor magiërs op het allerhoogste niveau. Zo beschermen de goden ons tegen lieden die anders te machtig zouden worden en wellicht naar het godendom zouden streven. Tovenaars moeten slapen, ze moeten zich kunnen concentreren, ze moeten elke dag tijd besteden aan hun studie. Hoe konden zij het opnemen tegen een woedende mensenmassa? En bovendien, hoe konden ze hun eigen volk doden?