Nee, ze vonden dat ze het aanbod van de Priesterkoning moesten aanvaarden. Zelfs de Zwarte Mantels, die weinig om het volk gaven, zagen in dat ze uiteindelijk zouden worden verslagen en dat de magie uit de wereld zou verdwijnen. Ze trokken zich terug uit de Toren van de Hoge Magie in Istar, en bijna meteen nam de Priesterkoning er zijn intrek. Vervolgens verlieten ze de Toren hier in Palanthas. En het verhaal van deze Toren is verschrikkelijk.’
Astinus, die tot nu toe met emotieloze stem had zitten vertellen, werd opeens ernstig en hij trok een somber gezicht.
‘Ik herinner het me als de dag van gisteren,’ zei hij, meer tegen zichzelf dan tegen de aanwezigen. ‘Ze brachten hun boeken en perkamentrollen naar mij toe, om ze in mijn bibliotheek onder te brengen. Want er waren zeer veel boeken en perkamentrollen in de Toren, veel meer dan de magiegebruikers konden meenemen naar Wayreth. Ze wisten dat ik ze zou bewaken en koesteren. Veel van de spreukenboeken waren oeroud en konden niet meer gelezen worden, aangezien ze waren verzegeld met beschermende spreuken, spreuken waarvan de Sleutel... verloren was gegaan. De Sleutel...’
Astinus verviel in peinzend stilzwijgen. Ten slotte slaakte hij een zucht, alsof hij duistere gedachten van zich moest afzetten, en hij ging verder.
‘Het volk van Palanthas verzamelde zich om de Toren toen de hoogste van de Orde — de Tovenaar van de Witte Mantels — de sierlijke gouden poort van de Toren sloot en ze op slot draaide met een zilveren sleutel. De heer van Palanthas keek gretig toe. Iedereen wist dat de heer van zins was zijn intrek te nemen in de Toren, in navolging van zijn mentor, de Priesterkoning van Istar. Zijn hebzuchtige blik rustte op de Toren, want geruchten over de wonderen die daar te vinden waren, wonderen van grote schoonheid, maar ook van groot kwaad, hadden zich over het hele land verspreid.’
‘Van alle prachtige gebouwen in Palanthas,’ prevelde heer Amothus, ‘schijnt de Toren van de Hoge Magie het allermooist te zijn geweest. En nu...’
‘Wat gebeurde er?’ vroeg Laurana. Ze kreeg het koud nu het nachtelijke duister de kamer binnenkroop en wenste dat iemand de bedienden opdracht zou geven de kaarsen te ontsteken.
‘De Tovenaar wilde de sleutel aan de heer overhandigen,’ ging Astinus met diepe, droevige stem verder. ‘Opeens verscheen achter een raam op een van de bovenste verdiepingen een magiër van de Zwarte Mantel. Tot grote ontzetting van de menigte schreeuwde hij: “De poorten zullen gesloten blijven, en de zalen leeg, tot de dag aanbreekt dat de meester van het verleden en het heden terugkeert om de macht te grijpen!” Toen sprong de kwade magiër uit het raam en stortte zich op het hek. Op het moment dat de zilveren en gouden punten zijn zwarte gewaad doorboorden, sprak hij een vloek uit over de Toren. Zijn bloed bevlekte de grond, de poort van goud en zilver verschrompelde, trok krom en werd gitzwart. De glanzende wit-rode toren veranderde in doffe, kille grijze steen en de zwarte minaretten verbrokkelden.
De heer en zijn volk sloegen doodsbang op de vlucht, en tot op de dag van vandaag durft niemand de Toren van Palanthas te naderen. Zelfs niet de kenders,’ - Astinus glimlachte vluchtig - ‘die niets op deze wereld vrezen. De vloek is zo krachtig dat hij alle stervelingen op afstand houdt—’
‘Tot de meester van het verleden en het heden terugkeert,’ prevelde Laurana.
‘Ach, die man was gek.’ Heer Amothus snoof. ‘Niemand is meester over het verleden en het heden, behalve u misschien, Astinus.’
‘Ik ben geen meester,’ zei Astinus met zo’n holle, galmende stem dat iedereen in de kamer hem aanstaarde. ‘Ik herinner me het verleden en ik leg het heden vast. Maar ik probeer het verleden noch het heden aan me te onderwerpen.’
‘Gek, zoals ik al zei.’ De heer haalde zijn schouders op. ‘En nu zijn we gedwongen die Toren, die belediging voor het oog, te verdragen omdat niemand erbij in de buurt wil wonen en niemand er dicht genoeg bij durft te komen om hem te slopen.’
‘Ik denk dat het zonde zou zijn om hem te slopen,’ zei Laurana zachtjes. Door het raam keek ze naar de Toren. ‘Hij hoort hier thuis...’
‘Een waar woord, jongedame,’ antwoordde Astinus. Hij wierp haar een bevreemde blik toe.
De schaduw van de nacht had zich verdiept terwijl Astinus vertelde. Al snel was de Toren in duisternis gehuld, terwijl in de rest van de stad lichtjes twinkelden. Palanthas leek de schittering van de sterren te willen overtreffen, dacht Laurana, maar altijd zal er in het midden een ronde, zwarte vlek zijn.
Astinus keek haar strak aan en ze had het gevoel dat ze iets moest zeggen. ‘Wat triest, wat tragisch,’ prevelde ze. ‘En dat, dat zwarte ding dat ik zag wapperen, dat was vastgepind aan het hek...’ Vol ontzetting zweeg ze.
‘Gek, gek,’ herhaalde heer Amothus somber. ‘Ja, dat is wat er nog van het lichaam over is, vermoeden we. Niemand is ooit dicht genoeg in de buurt gekomen om dat vast te stellen.’
Laurana huiverde en liet haar pijnlijke hoofd in haar handen rusten. Ze wist dat dit grimmige verhaal haar nachtenlang in haar dromen zou achtervolgen, en ze wenste dat ze het nooit had gehoord. Vervlochten met haar levensbestemming... Boos zette ze de gedachte van zich af. Het deed er niet toe. Hier had ze geen tijd voor. Ook zonder angstaanjagende sprookjes zag haar lotsbestemming er al grimmig genoeg uit.
Alsof hij haar gedachten had gelezen, kwam Astinus plotseling overeind en vroeg hij om meer licht.
Want,’ zei hij met kille stem tegen Laurana, ‘het verleden is verloren. Je toekomst ligt in je eigen handen. En we hebben veel werk te verrichten voor de ochtend aanbreekt.’
7
Aanvoerder van de ridders van Solamnië.
Eerst moet ik een communiqué voorlezen dat ik enkele uren geleden van heer Gunthar heb ontvangen.’ De heer van Palanthas haalde een perkamentrol uit de plooien van zijn fijn geweven wollen gewaad en spreidde het uit op tafel, waar hij het met beide handen zorgvuldig gladstreek. Hij leunde iets achterover en tuurde ernaar, duidelijk in een poging de letters scherp te krijgen.
Ervan overtuigd dat dit het antwoord was op het bericht dat heer Amothus twee dagen eerder op haar aandringen naar heer Gunthar had gestuurd, beet Laurana ongeduldig op haar lip.
‘Het is gekreukt,’ zei heer Amothus verontschuldigend. ‘De griffioenen die de elfenheren ons uit de goedheid van hun hart hebben geleend’ - hij maakte een buiging voor Laurana, die terug boog, maar de aandrang moest onderdrukken om het bericht uit zijn handen te rukken - ‘zijn ondanks al onze inspanningen nog altijd niet in staat perkamentrollen te vervoeren zonder ze te kreuken. Aha, nu kan ik het lezen. “Heer Gunthar aan Amothus, Heer van Palanthas. Wees gegroet.” Charmante man, heer Gunthar.’ De heer keek op. ‘Vorig jaar was hij hier nog, tijdens het Lentedooifestival, dat overigens over drie weken plaats vindt, lief kind. Wellicht ben je bereid de festiviteiten op te luisteren met je aanwezigheid—’
‘Met genoegen, mijn heer, als we er over drie weken tenminste nog zijn,’ zei Laurana, die onder de tafel haar handen tot vuisten balde in een poging haar kalmte te bewaren.
Heer Amothus knipperde met zijn ogen, waarop hij toegeeflijk glimlachte. ‘Uiteraard. Het drakenleger. Goed, ik zal verder lezen. “Het doet me oprecht verdriet te vernemen dat zoveel leden van onze orde de dood hebben gevonden. Laten we ons troosten in de wetenschap dat ze zegevierend zijn gestorven in het gevecht tegen dit grote kwaad dat als een donkere schaduw over ons land rust. Persoonlijk ben ik met name zeer bedroefd over het verscheiden van drie van onze beste leiders: Derek Kroonwacht, Ridder van de Roos, Alfred MarKenin, Ridder van het Zwaard, en Sturm Zwaardglans, Ridder van de Kroon.”’ De heer wendde zich tot Laurana. ‘Zwaardglans. Was dat niet een goede vriend van je, lieve kind?’