Even zweeg ze. Toen haalde ze diep adem. Haar gezicht verhardde. ‘Maar die hebben we niet. Het heeft geen zin om daarover te piekeren. Dus proberen we hier stand te houden, op de kantelen van Palanthas, en wachten we op de dood.’
‘Laurana toch,’ zei Flint berispend nadat hij bars zijn keel had geschraapt. ‘Misschien valt het allemaal wel mee. Er staan goede, stevige muren om deze stad heen. Die kun je met duizend man gemakkelijk verdedigen. De gnomen bewaken de haven met hun katapulten. De ridders bewaken de enige pas door het Vingaardgebergte en we hebben versterkingstroepen naar hen toe gestuurd. En we hebben drakenlansen, een paar althans, en Gunthar heeft laten weten dat er nog meer onderweg zijn. Dus al kunnen we vliegende draken niet aanvallen, wat dan nog? Ze zullen zich wel twee keer bedenken voordat ze over de muur heenkomen...’
‘Het is niet genoeg, Flint.’ Laurana zuchtte. ‘O, natuurlijk kunnen we het drakenleger een week, twee weken of misschien wel een maand op afstand houden. Maar dan? Wat gebeurt er met ons als ze al het land om ons heen overheersen? Het enige wat we tegen de draken kunnen ondernemen, is ons opsluiten in kleine, veilige haventjes. Al snel zal dit land bestaan uit slechts een paar kleine, verlichte eilandjes in een enorme oceaan van duisternis. En vervolgens zal het duister ons een voor een opslokken.’
Laurana legde haar wang tegen haar hand en leunde tegen de muur.
‘Hoe lang is het geleden dat je hebt geslapen?’ vroeg Flint streng.
‘Weet ik niet,’ antwoordde ze. ‘Slapen en waken beginnen door elkaar heen te lopen. De helft van de tijd loop ik rond in een droom, en de andere helft slaap ik door de werkelijkheid heen.’
‘Ga dan nu even slapen,’ zei de dwerg met wat Tas altijd zijn opastem noemde. ‘Wij duiken ook tussen de lakens. Onze wacht zit er bijna op.’
‘Kan niet,’ zei Laurana, wrijvend in haar ogen. Nu ze aan slaap dacht, besefte ze pas hoe uitgeput ze was. ‘Ik kwam jullie vertellen dat er draken zijn gesignaleerd die in westelijke richting over de stad Kalaman vlogen.’
‘Dan komen ze dus deze kant op,’ zei Tas, die in gedachten de landkaart voor zich zag.
‘Van wie heb je dat gehoord?’ vroeg de dwerg wantrouwig.
‘Van de griffioenen. Niet zo boos kijken.’ Laurana moest een beetje lachen om de afkerige blik van de dwerg. ‘De griffioenen hebben ons enorm geholpen. Zeker niet minder dan de elfen.’
‘Griffioenen zijn domme dieren,’ verklaarde Flint. ‘En ik vertrouw ze ongeveer net zoveel als ik een kender zou vertrouwen. En trouwens,’ voegde de dwerg eraan toe zonder acht te slaan op Tas’ verontwaardigde blik, ‘het is niet logisch. De Drakenheren sturen geen draken het strijdperk in zonder ondersteuning van het leger...’
‘Misschien is het leger niet zo ongeorganiseerd als we hebben gehoord.’ Laurana slaakte een vermoeide zucht. ‘Of misschien worden de draken er gewoon op uitgestuurd om zo veel mogelijk schade aan te richten. Om de stad te demoraliseren of het omringende platteland te verwoesten. Ik weet het ook niet. Kijk, het nieuws verspreidt zich al.’
Flint blikte om zich heen. De soldaten die inmiddels geen dienst meer hadden waren gewoon op hun plek blijven staan en staarden in oostelijke richting naar de bergen, waarvan de besneeuwde toppen nu een zachte roze gloed hadden. Ze praatten op gedempte toon en kregen al snel gezelschap van anderen, die net wakker waren geworden en het nieuws hadden vernomen.
‘Daar was ik al bang voor.’ Opnieuw zuchtte Laurana. ‘Zo ontstaat er nog paniek. Ik heb heer Amothus nog gewaarschuwd dat hij het stil moest houden, maar de Palanthijnen zijn niet gewend om dingen stil te houden. Daar, wat zei ik je?’
Vanaf de muur konden de vrienden zien dat de straten begonnen vol te lopen met mensen, half aangekleed, slaperig en bang. Laurana zag hen van huis naar huis rennen en kon zich voorstellen wat voor geruchten er werden verspreid.
Ze beet op haar lip, en woede vlamde op in haar groene ogen. ‘Nu moet ik mannen van de muren afhalen om die mensen weer naar binnen te sturen. Ik kan ze niet op straat gebruiken als de draken aanvallen. Mannen, kom met mij mee!’ Met een gebaar naar een groep soldaten vlakbij haastte Laurana zich weg. Flint en Tas keken haar na toen ze de trap afliep, op weg naar het paleis van de heer. Al snel zagen ze gewapende patrouilles die zich over de straten verspreidden in een poging mensen zover te krijgen dat ze naar huis gingen en de stijgende paniek een halt toe te roepen.
‘Nou, dat loopt gesmeerd,’ zei Flint sarcastisch. Het werd steeds drukker op straat.
Maar Tas, die op een blok steen over de muur stond te staren, schudde zijn hoofd. ‘Het maakt niet uit,’ fluisterde hij wanhopig. ‘Flint, kijk dan!’
Haastig klom de dwerg naast zijn vriend op de steen. Nu al stonden er mannen te wijzen en te roepen, terwijl ze naar hun bogen en speren grepen. Hier en daar was de zilveren haakpunt van een drakenlans te zien, die glansde in het licht van de toortsen.
‘Hoeveel?’ vroeg Flint met samengeknepen ogen.
‘Tien,’ antwoordde Tas langzaam. ‘Twee eskaders. En het zijn joekels van draken. Misschien van die rode die we in Tarsis hebben gezien. Tegen het licht van de dageraad in kan ik niet zien wat voor kleur ze hebben, maar ik zie wel dat ze bereden worden. Misschien door een Drakenheer. Misschien zelfs door Kitiara... Jeetje,’ zei Tas toen er opeens een gedachte bij hem opkwam. ‘Ik hoop dat ik deze keer even met haar kan praten. Het moet toch interessant zijn om een Drakenheer te zijn.’
Zijn woorden gingen verloren in het gelui van klokken, verspreid over de hele stad. De mensen op straat staarden omhoog naar de muren, waar de soldaten stonden te wijzen en te roepen. Ver in de diepte zag Tas Laurana uit het paleis van de heer komen, op de voet gevolgd door de heer zelf en twee van zijn generaals. Aan Laurana’s hoog opgetrokken schouders kon de kender zien dat ze furieus was. Ze gebaarde naar de klokken, kennelijk omdat ze wilde dat die tot zwijgen werden gebracht. Maar het was al te laat. De bevolking van Palanthas werd gek van angst. En de meeste onervaren soldaten waren er al even slecht aan toe als de burgers. Overal klonk gegil, gejammer en schor geschreeuw. Grimmige herinneringen aan Tarsis kwamen bij Tas boven: mensen die op straat werden vertrapt, huizen waar plotseling de vlammen uitsloegen.
De kender draaide zich langzaam om. ‘Eigenlijk wil ik liever niet met Kitiara praten,’ zei hij zachtjes terwijl hij over zijn ogen streek en naar de draken keek, die steeds dichterbij kwamen. ‘Ik wil helemaal niet weten hoe het is om een Drakenheer te zijn, want het moet droevig, duister en afschuwelijk zijn... Wacht eens even...’
Tas staarde naar het oosten. Hij kon zijn ogen niet geloven, dus boog hij zo gevaarlijk ver voorover dat hij over de muur heen dreigde te vallen.
‘Flint!’ schreeuwde hij, zwaaiend met zijn armen.
‘Wat is er nou?’ snauwde Flint. Hij greep de riem vast die Tas om zijn blauwe maillot droeg en trok de opgewonden kender met een ruk naar achteren.
‘Het is net als in Pax Tharkas!’ babbelde Tas onsamenhangend. ‘Net als in de tombe van Huma. Precies zoals Fizban al zei. Ze zijn er! Ze zijn gekomen!’
Wie zijn gekomen?’ brulde Flint geërgerd.
Springend van opwinding, zodat zijn buideltassen wild op en neer stuiterden, draaide Tas zich zonder antwoord te geven om en rende weg. De dwerg bleef kokend van woede op de trap achter en riep hem na: ‘Wie zijn gekomen, leeghoofd dat je bent?’
‘Laurana!’ riep Tas met zijn schrille stem, die de vroege ochtendlucht doorkliefde als een ietwat valse trompet. ‘Laurana, ze zijn gekomen! Ze zijn er! Precies zoals Fizban al zei! Laurana!’
Binnensmonds mopperend op de kender richtte Flint zijn blik weer op het oosten. Vervolgens keek hij steels om zich heen en stak zijn hand in de zak van zijn buis. Snel haalde hij er een bril uit, en nadat hij nog een keer om zich heen had gekeken om te controleren of er echt niemand naar hem keek, zette hij hem op zijn neus.