Выбрать главу

Nu kon hij de details onderscheiden van wat eerder niet meer was geweest dan een roze waas, onderbroken door de donkere, puntige vormen van de bergtoppen. Bevend ademde de dwerg diep in. Tranen vertroebelden zijn blik. Toen haalde hij snel de bril weer van zijn neus en stopte hem terug in de koker, die hij weer in zijn zak stopte. Maar hij had de bril lang genoeg op gehad om te kunnen zien hoe het ochtendlicht een roze gloed wierp over de vleugels van de draken, een roze glans op zilver.

‘Stop je wapens weg, jongens,’ zei Flint tegen de mannen om zich heen terwijl hij met een van de zakdoeken van de kender zijn ogen droog depte. ‘Reorx zij geprezen. Nu hebben we een kans. Nu hebben we een kans...’

8

De eed van de draken.

Toen de zilveren draken vlak buiten de muur van de grote stad Palanthas landden, leek de ochtendhemel gevuld met de oogverblindende schittering van hun vleugels. Het volk verdrong zich op de stadsmuren en staarde wantrouwig naar de prachtige, indrukwekkende wezens.

In eerste instantie waren de bewoners zo bang voor de enorme dieren dat ze ze vastberaden probeerden te verjagen, ook al verzekerde Laurana hen dat deze draken niet kwaadaardig waren. Uiteindelijk dook Astinus zelf uit de bibliotheek op om heer Amothus op kille toon mee te delen dat deze draken hun geen kwaad zouden doen. Schoorvoetend legden de inwoners van Palanthas hun wapens neer.

Laurana wist echter dat de mensen Astinus nog zouden hebben geloofd als hij hun had verteld dat de zon om middernacht zou opkomen. De draken vertrouwden ze voor geen cent.

Pas toen Laurana zelf de stadspoort uit liep en in de armen viel van een man die op een van de prachtige zilveren draken reed, begonnen de mensen te geloven dat er misschien toch een kern van waarheid school in dit sprookje.

‘Wie is die man? Wie heeft de draken naar ons toe gebracht? Waarom zijn de draken gekomen?’

Elkaar verdringend leunden de mensen over de muur om vragen te stellen en te luisteren naar verkeerde antwoorden. In de vallei klapperden de draken langzaam met hun vleugels om de bloedsomloop op gang te houden in de ochtendkou.

Terwijl Laurana de man omhelsde, klom er nog iemand van de rug van een van de draken, een vrouw wier haar dezelfde zilveren glans had als de vleugels van haar rijdier. Ook zij werd door Laurana omhelsd. Vervolgens ging Astinus de drie tot grote verwondering van de stedelingen voor naar de grote bibliotheek, waar ze door de Estheten werden binnengelaten. De enorme deuren sloegen achter hen dicht.

De mensen krioelden doelloos rond, vol vragen, en wierpen wantrouwige blikken op de draken die zich vlak buiten de stadsmuur bevonden.

Toen luidden opnieuw de klokken. Heer Amothus riep het volk op voor een bijeenkomst. Gehaast verlieten ze de muren en stroomden naar het stadsplein voor het paleis van de heer, die op het balkon kwam staan om hun vragen te beantwoorden.

‘Dit zijn zilveren draken,’ riep hij, ‘goede draken die zich achter ons scharen in onze strijd tegen de kwade draken, net als in de legende van Huma. De draken zijn naar onze stad gebracht door...’

De rest van wat de heer wilde zeggen ging verloren in gejuich. Weer luidden de klokken, deze keer om het goede nieuws te vieren. De straten liepen vol met zingende, dansende mensen. Na een paar vruchteloze pogingen om zijn verhaal af te maken kondigde de heer maar gewoon een feestdag af en ging zijn paleis weer binnen.

Het volgende is een passage uit Kronieken, de Geschiedenis van Krynn, opgetekend door Astinus van Palanthas. Het is te vinden onder de titel ‘De Eed van de Draken’.

Terwijl ik, Astinus, deze woorden schrijf, aanschouw ik het gelaat van de elfenheer Gilthanas, de jongste zoon van Solastaran, Zonnenspreker en heer van de Qualinesti. Uiterlijk lijkt Gilthanas sprekend op zijn zus Laurana, en dan doel ik niet alleen op de familiegelijkenis. Beiden hebben ze de fijne trekken en de leeftijdloze uitstraling van alle elfen. Maar deze twee zijn anders. Beider gezichten zijn getekend door een verdriet dat nooit gezien wordt op die van de elfen die op Krynn leven. Al vrees ik dat veel elfen dat verdriet zullen vertonen eer deze oorlog voorbij is. En misschien is dat niet verkeerd, want het lijkt erop dat de elfen eindelijk beginnen te beseffen dat ze niet boven deze wereld staan, maar er deel van uitmaken.

Naast Gilthanas zit zijn zus. Aan zijn andere zijde zit een van de mooiste vrouwen die ik ooit op Krynn heb mogen aanschouwen. Ze lijkt op een elfenmaagd, een wilde elf. Maar mijn ogen kan ze niet misleiden met haar magie. Ze is niet uit een vrouw geboren, elf noch iets anders. Ze is een draak, een zilveren draak, de zus van de Zilveren Draak die de geliefde was van Huma, ridder van Solamnië. Het is Silvara’s noodlot dat ze net als haar zus verliefd is geworden op een sterveling. Maar in tegenstelling tot Huma kan deze sterveling, Gilthanas, zijn lot niet aanvaarden. Hij kijkt naar haar... Zij kijkt naar hem. In plaats van liefde zie ik in hem een smeulende woede die langzaam hun beider zielen vergiftigt.

Silvara spreekt. Haar stem is zacht en welluidend. Het licht van mijn kaars wordt weerkaatst door haar prachtige zilveren haar en haar nachtblauwe ogen.

‘Nadat ik Theros IJzerfeld het vermogen had geschonken om de drakenlansen te smeden in het hart van het Monument voor de Zilveren Draak,’ vertelt Silvara me, ‘heb ik veel tijd doorgebracht met de reisgenoten voordat ze de lansen naar de Raad van Wittesteen brachten. Ik heb hen rondgeleid door het Monument, ik heb hun de schilderingen getoond over de Drakenoorlog, waarin goede draken zijn afgebeeld, zilveren, gouden en bronzen, die strijden tegen de kwade draken.

“Waar is je volk?” vroegen de reisgenoten me. “Waar zijn de goede draken? Waarom komen ze ons niet te hulp nu we ze nodig hebben?”

Ik heb hun vragen zo lang mogelijk ontweken...’

Op dat punt houdt Silvara op met praten en kijkt met al haar gevoel in haar ogen naar Gilthanas. Hij beantwoordt haar blik niet, maar staart naar de grond. Met een zucht pakt Silvara de draad van haar verhaal weer op.

‘Uiteindelijk kon ik de druk niet meer verdragen die hij - zij - op me legden. Ik vertelde hun over de Eed.

Toen Tachisis, de Koningin van de Duisternis, en haar kwade draken werden verbannen, verlieten ook de goede draken het land om de balans tussen goed en kwaad niet te verstoren. Ontsproten als we waren uit de wereld, keerden we terug naar de wereld en verzonken in een eeuwenlange slaap. En we zouden in slaap zijn gebleven, in een dromenwereld, ware het niet dat de Catastrofe zich voordeed en Tachisis zich opnieuw toegang wist te verschaffen tot de wereld.

Lang had ze haar plannen gesmeed voor haar terugkeer, mocht het lot haar een kans gunnen, en ze was dan ook goed voorbereid. Voordat Paladijn zich van haar bewust werd, wekte Tachisis de kwade draken uit hun slaap en beval hen binnen te dringen in de diepe, geheime krochten van de wereld om de eieren van de goede draken te stelen, die onwetend doorsliepen...

De kwade draken brachten de eieren van hun verwanten naar de stad Sanctie, waar het drakenleger werd gevormd. Daar, in de vulkanen die bekendstaan als de Doemheren, werden de eieren van de goede draken verstopt.

Groot was het verdriet van de goede draken toen Paladijn hen uit hun slaap wekte en ze ontdekten wat er was gebeurd. Ze gingen naar Tachisis toe om te vragen welke prijs ze zouden moeten betalen voor de terugkeer van hun ongeboren kinderen. Het was een afschuwelijke prijs. Tachisis eiste een eed. Elk van de goede draken diende te zweren dat hij zich niet zou mengen in de oorlog die ze op Krynn teweeg zou brengen. De goede draken hadden haar in de laatste oorlog immers verslagen. Deze keer wilde ze ervoor zorgen dat ze zich er niet mee bemoeiden.’

Op dat moment kijkt Silvara me smekend aan, alsof ik een oordeel over ze moet vellen. Streng schud ik mijn hoofd. Het is niet aan mij om over anderen te oordelen. Ik ben geschiedkundige.

Ze vertelt verder.

‘Wat konden we doen? Tachisis vertelde ons dat onze kinderen slapend in hun ei vermoord zouden worden tenzij we de eed aflegden. Paladijn kon ons niet helpen. De keuze was aan ons...’