Silvara laat het hoofd hangen, zodat haar haar voor haar gezicht valt. Ik kan horen dat tranen haar stem verstikken. Haar woorden kan ik nauwelijks verstaan.
‘We hebben de eed afgelegd.’
Ze kan niet verder praten, dat is duidelijk. Nadat hij even naar haar heeft gestaard, schraapt Gilthanas zijn keel en begint op barse toon te spreken.
‘Ik, dat wil zeggen, Theros, mijn zus en ik, wisten Silvara er uiteindelijk van te overtuigen dat die eed verkeerd was. Er moest een manier zijn, zo zeiden we, om de eieren van de goede draken te redden. Misschien zou een kleine groep mannen erin slagen de eieren terug te stelen. Silvara was er niet van overtuigd dat ik gelijk had, maar na veel gepraat stemde ze er toch mee in om me naar Sanctie te brengen, zodat ik met eigen ogen kon zien of een dergelijk plan kans van slagen had.
Onze reis was lang en moeilijk. Op een dag zal ik misschien verhalen over de gevaren waarmee we werden geconfronteerd, maar nu kan ik dat niet. Ik ben er te moe voor en we hebben te weinig tijd. Het drakenleger is aan het hergroeperen. We kunnen het verrassen als we snel aanvallen. Ik kan nu al aan Laurana zien dat ze popelt van ongeduld om de achtervolging in te zetten. Dus ik zal het kort houden.
Silvara, in haar elfenvorm zoals u haar nu ziet,’ - de verbittering in de stem van de elfenheer is niet onder woorden te brengen - ‘en ik werden vlak bij Sanctie overvallen en als gevangenen naar de Drakenheer Ariakas gebracht.’
Gilthanas balt zijn vuist, zijn gezicht is bleek van angst en woede. ‘Heer Canaillaard was niets, helemaal niets vergeleken met heer Ariakas. De boosaardigheid van die man is immens. En hij is even intelligent als wreed, want hij is de bedenker van de strategie voor het drakenleger, waarmee het keer op keer overwinningen boekt.
De martelingen die we als zijn gevangenen moesten ondergaan zijn onbeschrijflijk. Ik denk niet dat ik ooit iemand zal kunnen vertellen wat ons is aangedaan.’
De jonge elfenheer beeft hevig. Silvara wil hem troostend aanraken, maar hij ontwijkt haar hand en gaat verder met zijn relaas.
‘Uiteindelijk zijn we, met wat hulp, ontsnapt. We waren in Sanctie zelf, een afgrijselijke stad, gebouwd in de vallei die door de vulkanen, de Doemheren, is gevormd. De bergen torenen hoog boven alles uit en hun smerige rook verontreinigt de lucht. De gebouwen zijn allemaal nieuw en modern, gebouwd met het bloed van slaven. In de berghelling is een tempel gewijd aan Tachisis, de Duistere Koningin, gebouwd. De drakeneieren worden diep in het hart van de vulkanen bewaard. Daar betraden Silvara en ik de tempel.
Hoe die tempel te beschrijven? Het is een gebouw van vuur en duisternis. Hoge zuilen, uit de brandende steen gebeiteld, verrijzen in de met zwaveldamp gevulde grotten. Via een geheime weg die alleen de priesters van Tachisis kennen drongen we steeds dieper door in de berg. U vraagt wie ons heeft geholpen? Dat kan ik niet verraden, anders is haar leven in gevaar. Ik wil alleen zeggen dat een of andere god over ons moet hebben gewaakt.’
Hier onderbreekt Silvara hem met een gepreveld ‘Paladijn’, maar dat doet Gilthanas met een gebaar af.
‘We bereikten de onderste regionen van de berg, en daar troffen we de eieren van de goede draken aan. Aanvankelijk leek het allemaal voorspoedig te verlopen. Ik had... een plan. Nu doet het er niet meer toe, maar ik zag een manier om de eieren te redden. Maar zoals ik al zei, het doet er niet meer toe. Kamer na kamer passeerden we, en de glanzende eieren, de eieren met een zilveren, gouden en bronzen gloed, blonken in het licht van het vuur. Maar toen...’
De elfenheer zwijgt even. Zijn gezicht, dat toch al lijkbleek was, wordt nog witter. Bang dat hij zal flauwvallen gebaar ik naar een van de Estheten dat hij wijn moet halen. Al na één slokje herstelt Gilthanas zich en praat hij door. Maar aan de verre blik in zijn ogen kan ik zien dat hij de verschrikkingen herbeleeft waarvan hij getuige is geweest. Wat Silvara betreft: over haar zal ik te zijner tijd nog het een en ander schrijven.
Gilthanas gaat door.
‘We kwamen in een kamer en vonden daar... geen eieren... alleen maar schalen... kapot, vernield. Silvara slaakte een kreet van woede, en ik was bang dat we ontdekt zouden worden. Geen van beiden wisten we waar dit op wees, maar allebei voelden we een ijzige kou door ons lijf trekken die zelfs de hitte van de vulkaan niet kon verjagen.’
Gilthanas zwijgt. Silvara begint te snikken, heel zachtjes. Hij kijkt naar haar, en voor het eerst zie ik liefde en mededogen in zijn blik.
‘Neem haar mee,’ zegt hij tegen een van de Estheten. ‘Ze moet rusten.’
Vriendelijk leiden de Estheten haar de kamer uit. Gilthanas likt aan zijn droge, gebarsten lippen en zegt zachtjes: ‘Wat er toen gebeurde zal me zelfs na de dood nog achtervolgen. Elke nacht droom ik erover. Sinds die dag ben ik telkens als ik in slaap viel gillend wakker geworden.
Silvara en ik stonden voor de kamer naar de kapotte eierschalen te staren, ons afvragend wat er gebeurd was... toen we verderop in de door vlammen verlichte gang zangerige stemmen hoorden.
“De woorden van de magie,” zei Silvara.
Voorzichtig slopen we naderbij, allebei doodsbang, maar voortgedreven door een afschuwelijk soort fascinatie. Steeds dichterbij kwamen we, en toen zagen we...’
Hij sluit zijn ogen, hij snikt. Laurana legt haar hand op zijn arm, met zachte ogen vol stilzwijgend medeleven. Gilthanas vermant zich en gaat verder.
‘In een grote grot, bijna helemaal onder in de vulkaan, staat een altaar voor Tachisis. Wat voor een gelijkenis erin is gebeiteld kon ik niet zien, want het was bedekt met zo’n dikke laag groen bloed en zwart slijm dat het een afschuwelijk gezwel leek dat uit de rotsen oprees. Om het altaar heen stonden in mantels gehulde gestalten, zwarte priesters van Tachisis en magiegebruikers van de Zwarte Mantel. Silvara en ik keken vol ontzag toe toen een in een donker gewaad gehulde priester een glanzend gouden drakenei naar binnen droeg en op dat verdorven altaar plaatste. Hand in hand begonnen de magiegebruikers van de Zwarte Mantel en de zwarte priesters een spreuk op te zeggen. De woorden brandden in onze ziel. Silvara en ik klampten ons aan elkaar vast, bang dat we krankzinnig zouden worden van het kwaad dat we wel konden voelen, maar niet konden begrijpen.
En toen... toen werd het gouden ei op het altaar donkerder. Voor onze ogen werd het afschuwelijk groen en vervolgens zwart. Silvara begon te beven.
Het zwart geworden ei op het altaar barstte open... en er kroop een zwart, larveachtig wezen uit. Het zag er weerzinwekkend en ontaard uit, en ik kokhalsde bij de aanblik. Het enige wat ik wilde was vluchten voor deze verschrikking, maar Silvara besefte wat er gebeurde en weigerde weg te gaan. Samen keken we toe terwijl de met slijm bedekte huid van de larve openscheurde en uit zijn lichaam de afschuwelijke gestalten van... draconen kropen.’
Die mededeling ontlokt aan de aanwezigen een collectieve kreet van ontzetting. Gilthanas laat zijn hoofd in zijn handen zakken. Hij kan niet verder gaan. Laurana slaat troostend haar armen om hem heen, en hij klemt zich vast aan haar handen. Uiteindelijk haalt hij beverig adem.
‘Silvara en ik... werden bijna betrapt. We ontsnapten uit Sanctie, opnieuw met enige hulp, en meer dood dan levend reisden we over paden die mens noch elf kent naar het eeuwenoude toevluchtsoord van de goede draken.’
Gilthanas zucht. Er verschijnt een vredige uitdrukking op zijn gezicht.
‘Vergeleken met de verschrikkingen die we moesten verdragen was het als zoete slaap na een nacht vol koortsachtige nachtmerries. In dat schitterende oord was het moeilijk te geloven dat wat we hadden gezien echt was gebeurd. En toen Silvara de draken vertelde wat er met hun eieren werd gedaan, weigerden ze het in eerste instantie te geloven. Sommige beschuldigden Silvara er zelfs van dat ze het had verzonnen om zich van hun steun te verzekeren. Maar diep van binnen wisten ze allemaal dat ze de waarheid sprak, dus uiteindelijk gaven ze toe dat ze waren misleid en dat ze zich niet aan hun eed gebonden hoefden te voelen.