Выбрать главу

Nu zijn de goede draken gekomen om ons bij te staan. Ze vliegen naar alle uithoeken van het land om hun hulp aan te bieden. Ze zijn teruggekeerd naar het Monument voor de Draak om te helpen bij het smeden van de drakenlansen, zoals ze lang geleden ook Huma hebben geholpen. En ze hebben de grote lansen met zich meegenomen die op de rug van een draak kunnen worden gemonteerd, zoals we in de schilderingen zagen. Nu kunnen we ons, gezeten op draken, in de strijd mengen en de Drakenheren in de lucht bevechten.’

Gilthanas voegt er nog meer aan toe, kleine details die hier niet hoeven te worden opgetekend. Dan brengt zijn zus hem van de bibliotheek naar het paleis, waar hij en Silvara indien mogelijk zullen rusten. Ik vrees dat het lang zal duren voor ze deze angst te boven zijn, als het al ooit zover komt. Zoals zoveel mooie dingen in de wereld zal hun liefde misschien ten prooi vallen aan de duisternis die zijn verstikkende vleugels spreidt boven Krynn.

Hier eindigt de kroniek van Astinus van Palanthas over de Eed van de Draken. In een voetnoot staat vermeld dat verdere details over de reis van Gilthanas en Silvara naar Sanctie, hun avonturen daar en de tragische geschiedenis van hun liefde later door Astinus zijn opgetekend en in latere delen van zijn Kronieken terug te vinden zijn.

Laat die avond zat Laurana aan haar bureau haar bevelen voor de volgende dag te schrijven. Er was slechts een dag voorbijgegaan sinds de aankomst van Gilthanas en de zilveren draken, maar nu al kregen haar plannen om de belegerde vijand verder in een hoek te drijven vorm. Nog een paar dagen en ze zou eskaders van bereden draken met de nieuwe drakenlansen aanvoeren in de strijd.

Ze hoopte eerst Fort Vingaard te heroveren en de gevangenen en slaven te bevrijden die daar werden vastgehouden. Daarna wilde ze doorstoten naar het zuiden en het oosten en het drakenleger voor zich uit drijven. Tot slot zou ze hen verpletteren tussen de hamer—haar leger — en het aambeeld: de Dargaardbergen die de grens vormden tussen Solamnië en Estwild. Als ze Kalaman en de bijbehorende haven kon heroveren, kon ze de voorraadroutes afsnijden die het drakenleger nodig had om op dit deel van het continent in leven te blijven.

Laurana werd zozeer door haar plannen in beslag genomen dat het niet tot haar doordrong toen iemand voor de deur met galmende stem de wachter aansprak, en ook het antwoord hoorde ze niet. De deur ging open, maar omdat ze ervan uitging dat het een van haar adjudanten was, keek ze niet op van haar werk voordat ze haar bevelen tot in detail had vastgelegd.

Pas toen de persoon die binnenkwam zo vrij was tegenover Laurana op een stoel plaats te nemen, keek ze op.

‘O,’ zei ze blozend. ‘Gilthanas, vergeef me. Ik ging zo op in... Ik dacht dat je... Laat ook maar. Hoe voel je je? Ik maakte me zorgen—’

‘Het gaat wel, Laurana,’ viel Gilthanas haar in de rede. ‘Ik was alleen veel vermoeider dan ik besefte, en sinds... Sanctie... slaap ik niet meer zo goed.’ Zwijgend staarde hij naar de kaarten die Laurana op tafel had uitgespreid. Afwezig pakte hij een pas geslepen ganzenveer en streek die met zijn vingertoppen glad.

‘Wat is er, Gilthanas?’ vroeg Laurana zachtjes.

Haar broer keek naar haar op en glimlachte bedroefd. ‘Je kent me te goed,’ zei hij. ‘Ik heb nooit iets voor je geheim kunnen houden, zelfs niet toen we nog kinderen waren.’

‘Is er iets met vader?’ vroeg Laurana angstig. ‘Heb je iets gehoord...’

‘Nee, over ons volk heb ik niets gehoord,’ antwoordde Gilthanas, ‘behalve wat ik je heb verteld, namelijk dat ze een bondgenootschap zijn aangegaan met de mensen en samenwerken om het drakenleger van de eilanden van Ergoth en uit Sancrist te verdrijven.’

‘Dat is allemaal aan Alhana te danken,’ prevelde Laurana. ‘Zij heeft hen ervan weten te overtuigen dat ze zich niet langer afzijdig konden houden van de rest van de wereld. Ze is er zelfs in geslaagd Porthios te overreden...’

‘Ik begrijp dat ze hem van nog veel meer heeft overtuigd?’ vroeg Gilthanas zonder zijn zus aan te kijken. Met de punt van de ganzenveer prikte hij gaten in het perkament.

‘Er wordt gesproken over een huwelijk,’ zei Laurana langzaam. ‘Als dat waar is, betreft het een verstandshuwelijk teneinde onze volkeren te verenigen, daar twijfel ik niet aan. Ik geloof niet dat Porthios in staat is van iemand te houden, zelfs niet van zo’n mooie vrouw als Alhana. En wat de elfenprinses zelf betreft...’

Gilthanas zuchtte. ‘Haar hart ligt samen met Sturm begraven in de Toren van de Hogepriester.’

‘Hoe weet je dat?’ Verbijsterd keek Laurana hem aan.

‘Ik heb hen in Tarsis samen gezien,’ zei Gilthanas. ‘Ik zag zijn gezicht, en ik zag het hare. Ik wist het ook van het Sterrenjuweel. Aangezien hij het duidelijk geheim wilde houden, heb ik hem niet verraden. Hij was een voortreffelijk man,’ voegde Gilthanas er zachtjes aan toe. ‘Ik ben er trots op dat ik hem heb gekend, en ik had nooit verwacht dat ik dat ooit over een mens zou zeggen.’

Laurana slikte moeizaam en streek over haar ogen. ‘Ja,’ antwoordde ze hees, ‘maar dat kwam je me niet vertellen.’

‘Nee,’ zei Gilthanas, ‘hoewel het misschien wel een goede inleiding vormt.’ Even bleef hij zwijgend zitten, alsof hij een beslissing trachtte te nemen. Toen ademde hij diep in. ‘Laurana, er is in Sanctie iets gebeurd wat ik niet tegen Astinus heb gezegd. En ik zal het verder ook niemand vertellen als jij het van me verlangt...’

‘Hoezo ik?’ vroeg Laurana. Ze trok wit weg en haar hand beefde zo dat ze haar pen moest wegleggen.

Gilthanas leek haar niet te hebben gehoord. Hij bleef strak naar de kaart zitten staren terwijl hij sprak. ‘Toen... toen we wegvluchtten uit Sanctie, moesten we terug naar het paleis van heer Ariakas. Meer dan dat kan ik je niet vertellen, omdat ik anders degene zou verraden die ons vele malen het leven heeft gered en daar nog steeds in groot gevaar verkeert omdat ze doet wat ze kan om haar volk te redden.

De nacht dat we daar waren en ons verborgen hielden tot we een kans zagen te ontsnappen, vingen we een gesprek op tussen heer Ariakas en een van zijn Drakenheren. Het was een vrouw, Laurana,’ - nu keek Gilthanas haar wel aan - ‘een mensenvrouw, Kitiara.’

Laurana zei niets. Haar gezicht was lijkbleek en haar grote ogen leken kleurloos in het licht van de lamp.

Met een zucht boog Gilthanas naar voren en legde zijn hand op de hare. Ze voelde zo koud aan dat ze wel dood leek, en hij begreep dat ze wist wat hij ging zeggen.

‘Ik moest denken aan wat je me vertelde voordat we uit Qualinesti weggingen, dat Kitiara de mensenvrouw was van wie Tanis Halfelf hield, en de zus van Caramon en Raistlin. Ik herkende haar op grond van wat ik de broers over haar had horen zeggen. Ik zou haar toch wel hebben herkend, want met name Raistlin lijkt sprekend op haar. Ze... ze sprak over Tanis, Laurana.’ Gilthanas zweeg en vroeg zich af of hij haar de rest wel kon vertellen. Laurana zat er roerloos bij, met een gezicht als een masker van ijs.

‘Vergeef me dat ik je leed berokken, Laurana, maar dit moet je weten,’ zei Gilthanas uiteindelijk. ‘Kitiara lachte om Tanis, samen met die heer Ariakas en zei...’ Gilthanas bloosde. ‘Ik kan niet herhalen wat ze zei. Maar ze zijn minnaars, Laurana, zoveel kan ik je wel vertellen. Dat maakte ze pijnlijk duidelijk. Ze vroeg Ariakas toestemming om Tanis te bevorderen tot generaal in het drakenleger... in ruil voor informatie die hij kon geven over een of andere man met een groene edelsteen—’

‘Stop,’ zei Laurana geluidloos.

‘Het spijt me zo, Laurana.’ Met een verdrietig gezicht gaf Gilthanas haar een kneepje in haar hand. ‘Ik weet hoeveel je van hem houdt. Ik... ik begrijp nu hoe het is om zoveel van iemand te houden.’ Hij sloot zijn ogen en boog het hoofd. ‘En ik begrijp hoe het voelt als die liefde wordt verraden...’

‘Laat me alleen, Gilthanas,’ fluisterde Laurana.

Zwijgend gaf de elfenheer haar een troostend klopje op haar hand. Toen stond hij op, liep stilletjes de kamer uit en deed de deur achter zich dicht.