Выбрать главу

‘Dit is geweldig!’ zei Tas terwijl hij de lans uitprobeerde. ‘Bam! Daar gaat de eerste draak. Bam! Daar gaat er nog een. Ik... o!’ Tas ging op de rug van de draak staan, net zo volmaakt in balans als de lans. ‘Flint! Schiet op! Ze maken zich klaar voor vertrek. Ik zie Laurana. Ze zit op die grote zilveren draak en ze vliegt deze kant op om de gelederen te inspecteren. Nog even en het signaal wordt gegeven. Schiet op, Flint!’ Opgewonden sprong Tas op en neer.

‘Eerst, heer Flint,’ zei Khirsah, ‘moet u het gewatteerde vest aantrekken. Zo... goed zo. Haal de riem door die gesp. Nee, niet die. Die andere... Zo ja.’

‘Je ziet eruit als die mammoet die ik een keer heb gezien,’ zei Tas giechelend. ‘Heb ik je dat verhaal wel eens verteld? Ik—’

‘Verduiveld!’ brulde Flint, nauwelijks in staat te lopen in dat dikke, met bont gevoerde vest. ‘Dit is niet het moment voor die kletsverhalen van je.’ De dwerg ging neus aan neus staan met de draak. ‘Goed dan, draak. Hoe kom ik erop? En waag het niet om je tanden in me te zetten!’

‘Zeker niet, vader,’ zei Khirsah met groot respect. Hij boog zijn hoofd en strekte zijn bronzen vleugel helemaal uit op de grond.

‘Kijk, dat lijkt er meer op,’ zei Flint. Trots streek hij zijn baard glad, waarna hij een zelfgenoegzame blik op de verbijsterde kender wierp. Vervolgens liep Flint plechtig over de vleugel van de draak omhoog en nam vorstelijk plaats voor op het zadel.

‘Dat is het signaal!’ gilde Tas, die achter Flint weer in het zadel sprong. Hij schopte met zijn hakken tegen de flanken van de draak en riep: ‘Vort! Vort!’

‘Niet zo snel,’ zei Flint, die rustig de drakenlans uittestte. ‘Hé! Hoe moet ik eigenlijk sturen?’

‘U kunt aangeven waar u wilt dat ik naartoe ga door aan de teugels te trekken,’ zei Khirsah, uitkijkend naar het signaal. Daar was het.

‘Aha, ik begrijp het,’ zei Flint, die naar voren boog om de teugels te pakken. ‘Ik heb het hier immers voor het zeggen... Oef!’

‘Natuurlijk, vader.’ Khirsah sprong de lucht in en spreidde zijn machtige vleugels om de luchtstroom te vangen die opsteeg langs de wand van de lage klif waarop ze stonden.

‘Wacht, de teugels!’ riep Flint, graaiend naar de leren riemen die buiten zijn bereik hingen.

In zichzelf glimlachend deed Khirsah alsof hij hem niet hoorde.

De goede draken en de ridders die ze bereden hadden zich verzameld in het glooiende heuvelgebied ten oosten van het Vingaardgebergte. Hier had de kille winterwind plaats gemaakt voor een warm briesje uit het noorden, die de rijp op de grond deed smelten. De rijke geur van de opbloeiende natuur hing als een parfum in de lucht toen de draken in een glinsterende boog opstegen om hun plaats in de formatie in te nemen.

Het was een adembenemend tafereel. Tasselhof wist dat hij het tot in de eeuwigheid voor zich zou blijven zien, en daarna misschien ook nog.

Bronzen, zilveren, koperen en gouden vleugels fonkelden fel in het ochtendlicht. De grote drakenlansen die op de zadels waren gemonteerd glansden. De harnassen van de ridders weerkaatsten het felle zonlicht. De vlag met de ijsvogel met zijn gouden borduursel was als een glinstering aan de blauwe hemel.

De afgelopen weken waren roemrijk geweest. Zoals Flint al had gezegd: het leek erop of het tij in de oorlog voor hen eindelijk ten goede was gekeerd.

De gouden generaal, zoals Laurana inmiddels door haar troepen werd genoemd, had schijnbaar uit het niets een leger geformeerd. In de greep van de opwinding stroomden de Palanthijnen toe om zich achter haar te scharen. Ze dwong het respect van de ridders van Solamnië af met haar gedurfde ideeën en ferme, besluitvaardige manier van handelen. Laurana’s grondtroepen stroomden Palanthas uit, overspoelden de vlakte en zette het ongeorganiseerde leger van de Drakenheer die bekendstond als de Zwarte Vrouwe onder druk tot het in paniek op de vlucht sloeg.

Nu ze de ene na de andere overwinning hadden behaald en het drakenleger voor hen op de vlucht was geslagen, beschouwden de mannen de oorlog als vrijwel gewonnen.

Maar Laurana wist wel beter. Ze moesten het nog opnemen tegen de draken van de Drakenheer. Waar die waren en waarom ze tot op dat moment niet aan de strijd hadden deelgenomen was voor Laurana en haar officieren een raadsel. Dag na dag hield ze de ridders met hun rijdieren paraat, zodat ze op elk gewenst moment het luchtruim konden kiezen.

En nu was die dag aangebroken. De draken waren gesignaleerd. Eskaders van blauwe en rode draken vlogen volgens de berichten in westelijke richting om de brutale generaal en haar zootje ongeregeld van een leger een halt toe te roepen.

Als een fonkelende ketting van zilver en brons scheerden de draken van Wittesteen, zoals ze werden genoemd, over de Solamnische Vlakte. Hoewel alle ridders in de drakeneenheid in korte tijd zo veel mogelijk lessen hadden gekregen in het berijden van een draak (met uitzondering van de dwerg, die dat steevast weigerde) was deze wereld vol sliertige, laaghangende bewolking nog altijd nieuw en vreemd voor hen.

Hun banieren klapperden wild. De voetsoldaten in de diepte leken wel mieren die over het grasland krioelden. Voor sommige ridders was vliegen een opwindend avontuur. Anderen moesten elk beetje moed dat ze hadden aanspreken.

Maar altijd was daar Laurana, helemaal voorop, die hen niet alleen in woord maar ook in daad leidde, gezeten op de grote zilveren draak die haar broer van de Drakeneilanden naar Palanthas had gebracht. Zelfs het zonlicht had niet zo’n rijke gouden glans als het haar dat onder haar helm vandaan golfde. Zij was voor hen een symbool geworden, net als de drakenlans: slank en sierlijk, mooi maar dodelijk. Ze zouden haar zijn gevolgd tot aan de poorten van de Afgrond.

Als Tasselhof over Flints schouder tuurde, kon hij Laurana in de verte zien. Ze vloog aan het hoofd van het lange lint, soms half omgedraaid in het zadel om te kijken of iedereen het tempo kon bijhouden, soms voorovergebogen om met haar zilveren rijdier te overleggen. Ze leek alles prima onder controle te hebben, dus besloot Tas dat hij zich kon ontspannen en van de vlucht kon genieten. Het was werkelijk een van de wonderbaarlijkste ervaringen van zijn leven. De tranen stroomden over zijn gezicht toen hij vervuld van pure vreugde omlaag keek.

De kender, bezeten van landkaarten, had de ultieme kaart gevonden.

Onder hem strekte zich in miniatuur een uiterst gedetailleerd tafereel uit van bomen, rivieren, heuvels, valleien, dorpen en boerderijen. Tas wenste vurig dat hij dit beeld kon vastleggen, zodat het nooit zou vervagen.

Waarom ook niet, vroeg hij zich opeens af. De kender omklemde het zadel met zijn knieën en bovenbenen, liet Flint los en zocht in zijn buidels. Daar haalde hij een vel perkament uit dat hij stevig tegen de rug van de dwerg drukte, zodat hij er met een stukje houtskool op kon tekenen.

‘Hou op met dat gewiebel,’ riep hij tegen Flint, die nog steeds probeerde de teugels vast te pakken.

‘Wat doe je, jij leeghoofd?’ riep de dwerg. Verwoed tastte hij naar Tas, alsof hij jeuk op zijn rug had maar er niet bij kon.

‘Ik teken een kaart!’ riep Tas in extase. ‘De perfecte map! Ik word nog beroemd. Kijk! Daar zijn onze eigen troepen, zo klein als mieren. En daar is Fort Vingaard. Beweeg eens niet zo! Ik schiet elke keer uit.’

Kreunend gaf Flint zijn pogingen op om de teugels te pakken en de kender weg te duwen. Hij besloot dat hij zich er maar beter op kon concentreren op de draak te blijven zitten en zijn ontbijt binnen te houden. Hij had de fout begaan naar beneden te kijken. Nu staarde hij rillend en met elke spier gespannen recht voor zich uit. De manen van de griffioen die zijn helm sierden zwiepten in de razende wind wild om zijn gezicht. Er scheerden vogels door de lucht - onder hem! Flint besloot ter plekke dat draken samen met boten en paarden op zijn lijst kwamen te staan van dingen die hij ten koste van alles moest vermijden.

‘O!’ zei Tas met een opgewonden kreetje. ‘Daar is het drakenleger. Er wordt gevochten! En ik kan alles zien.’ De kender leunde naar voren in het zadel om naar beneden te kunnen kijken. Nu en dan meende hij boven het geraas van de wind uit het gerinkel van zwaarden, kreten en geschreeuw te horen. ‘Zeg, kunnen we een beetje dichterbij gaan vliegen? Ik... Oeps! O, nee, mijn kaart!’