Khirsah zette een scherpe duikvlucht in, zo plotseling dat het perkament uit Tas’ handen werd gerukt. Beteuterd keek hij het na terwijl het als een boomblaadje bij hem vandaan dwarrelde. Hij had echter weinig tijd om verdrietig te zijn, want opeens voelde hij dat Flint nog meer verstijfde.
‘Wat nou? Wat is er?’ schreeuwde Tas.
Flint wees en riep iets. Tas probeerde wanhopig te zien wat hij zag en te verstaan wat hij zei, maar op dat moment vlogen ze een laaghangende wolk in en kon de kender de neus op zijn gezicht niet eens zien, zoals de greppeldwergen zeiden.
Toen liet Khirsah de wolk achter zich en kon Tas het zien.
‘Lieve hemel!’ zei de kender vol ontzag. Onder hen vlogen rijen draken die zich op de nietige soldaten stortten. Hun leerachtige rode en blauwe vleugels spreidden zich als boosaardige vaandels terwijl ze op het hulpeloze leger van de gouden generaal afdoken.
Tasselhof zag dat de strakke gelederen uiteen werden geslagen toen de afschuwelijke drakenvrees over de mannen kwam. Maar ze konden nergens naartoe, en het uitgestrekte grasland bood geen enkele beschutting. Daarop hadden de draken gewacht, besefte Tas, misselijk bij de gedachte aan het vuur en de bliksem die de draken uitspuwden op de weerloze soldaten.
‘We moeten ze tegenhouden... Oef!’
Khirsah wendde zo plotseling dat Tas bijna zijn tong inslikte. De hemel kantelde en even had de kender het bijzonder interessante gevoel dat hij naar boven viel. Meer uit instinct dan op grond van een bewuste beslissing greep Tas Flints riem vast, want opeens herinnerde hij zich dat hij zich had moeten vastgespen, net als de dwerg. Nou ja, de volgende keer zou hij eraan denken.
Als er een volgende keer kwam. De wind raasde om hem heen en de grond onder hem tolde toen de draak al draaiend om zijn as naar beneden suisde. Kenders waren dol op nieuwe ervaringen, en dit was met afstand een van de opwindendste, maar toch wenste Tas dat de grond niet zo vreselijk snel op hen afkwam.
‘Ik bedoelde niet dat we ze nu meteen moesten tegenhouden!’ riep Tas tegen Flint. Toen hij omhoogkeek - of was het naar beneden? - zag hij de andere draken ver boven zich... nee, onder zich. Ach, hij wist ook niet meer wat boven of onder was. Nu waren de draken achter hen. Ze vlogen helemaal voorop. Alleen. Waar was Flint mee bezig?
‘Niet zo snel! Rem dat beest af!’ schreeuwde hij tegen Flint. ‘We vliegen voor alle anderen uit! Zelfs voor Laurana!’
De dwerg wilde niets liever dan de draak afremmen. Bij die laatste wending waren de teugels binnen handbereik gekomen, en nu trok hij er uit alle macht aan, schreeuwend: ‘Ho, jongen, ho!’ omdat hij zich vaag herinnerde dat dat bij paarden werkte. Maar bij de draak had het geen enkel effect.
De doodsbange dwerg vond het ook niet bepaald geruststellend te zien dat hij niet de enige was die moeite had zijn draak onder controle te houden. Achter hem werd het keurige lint van brons en zilver verbroken, alsof er een onhoorbaar signaal was gegeven. De draken vormden groepjes van twee of drie en verlieten de formatie.
Verwoed rukten de ridders aan de teugels in een poging de draken weer in een keurig rechte cavalerieopstelling te krijgen. Maar de draken wisten wel beter, want het luchtruim was hun domein. Een luchtgevecht was volkomen anders dan een grondgevecht. Ze zouden deze paardenruiters wel eens laten zien hoe je op de rug van een draak strijd diende te leveren.
Met een sierlijke bocht dook Khirsah weer een wolk in, waardoor Tas meteen niet meer wist wat boven en onder was in de dikke mist die hem omhulde. Opeens was daar de door de zon verlichte hemel, toen de draak de wolk achter zich liet. Nu kon hij boven en onder weer onderscheiden. En ‘onder’ kwam in angstaanjagend tempo dichterbij.
Toen brulde Flint. Geschrokken keek Tas op, en hij zag dat ze recht op een eskader blauwe draken afvlogen die hen nog niet hadden gezien, geconcentreerd als ze waren op de groep door paniek overmande voetsoldaten die ze achtervolgden.
‘De lans! De lans!’ riep Tas.
Flint worstelde met de lans, maar hij had niet genoeg tijd om hem te richten en behoorlijk tegen zijn schouder te zetten. Niet dat het ertoe deed. De blauwe draken hadden hen nog steeds niet gezien. Vanuit de wolk dook Khirsah stilletjes achter ze op. Toen flitste de jonge draak als een bronzen vlam over de groep blauwe draken heen op de leider af, een grote blauwe draak met een ruiter die een blauwe helm droeg. Met een snelle, geruisloze duik stortte Khirsah met alle vier zijn dodelijk scherpe klauwen op de voorste draak.
Door de klap schoot Flint naar voren in zijn riemen. Tas kwam boven op hem terecht en drukte de dwerg plat in het zadel. Flint deed verwoede pogingen om overeind te komen, maar Tas omklemde hem stevig met één arm. Met de andere sloeg hij op de helm van de dwerg terwijl hij de draak schreeuwend aanmoedigde.
‘Dat was geweldig! Nog een keer!’ krijste de kender. Door het dolle heen hamerde hij op Flints hoofd.
Met een luide verwensing in het dwergs duwde Flint Tas van zich af.
Precies op dat moment schoot Khirsah naar boven, een wolk in, voordat het eskader blauwe draken op zijn aanval kon reageren.
Khirsah wachtte even, misschien om zijn geschrokken ruiters even te laten bijkomen. Flint ging rechtop zitten en Tas sloeg stevig zijn armen om de dwerg heen. Hij vond dat Flint er een beetje vreemd uitzag, nogal grauw en merkwaardig afwezig. Maar ach, dit was dan ook geen doorsnee ervaring, hielp Tas zichzelf herinneren. Voordat hij aan Flint kon vragen of die zich wel goed voelde, dook Khirsah weer op uit de wolk.
Onder zich zag Tas de blauwe draken. De voorste was midden in de lucht afgeremd en hing stil in de lucht. De draak was geschrokken en lichtgewond; op het achterste deel van zijn flank zat bloed waar Khirsah met zijn scherpe klauwen de taaie, geschubde huid had doorboord. Zowel de draak als de ruiter met de blauwe helm tuurden om zich heen, op zoek naar hun aanvaller. Opeens wees de ruiter.
Tas waagde een snelle blik achterom, en de adem stokte hem in de keel. Het was een schitterende aanblik. Brons en zilver schitterde in het zonlicht toen de Wittesteendraken uit de wolken opdoken en zich krijsend op het eskader blauwe draken stortten. Meteen viel de formatie uiteen, want de blauwe draken moesten alle zeilen bijzetten om hoogte te houden en te voorkomen dat hun belagers hen van achteren konden aanvallen. Hier en daar braken gevechten uit. Bliksem flitste en knetterde en verblindde de kender bijna. Een grote bronzen draak rechts van hem gilde van pijn en stortte met een zwartgeblakerde, brandende kop neer. Tas zag dat de ruiter zich hulpeloos vastklampte aan de teugels, zijn mond opengesperd in een kreet die de kender wel kon zien, maar niet kon horen. Met rijdier en al stortte de ridder in de diepte.
Tas staarde naar de grond, die heel snel naderde, en vroeg zich in een dromerig waas af hoe het zou zijn op het gras te pletter te vallen. Hij had echter geen tijd om daar lang bij stil te staan, want opeens slaakte Khirsah een brul.
De blauwe leider zag Khirsah en hoorde diens galmende strijdkreet. Zonder acht te slaan op de vechtende draken om zich heen vloog hij met zijn ruiter omhoog om zijn duel met de bronzen draak voort te zetten.
‘Nu bent u aan de beurt, dwerg. Breng de lans in stelling!’ riep Khirsah. De bronzen draak sloeg met zijn machtige vleugels en vloog omhoog, zodat hij voldoende hoogte had om te kunnen manoeuvreren, en om de dwerg de tijd te geven zich voor te bereiden.
‘Ik hou de teugels wel vast!’ riep Tas.
Maar de kender wist niet of Flint hem had gehoord. Het gezicht van de dwerg was een strak masker, en hij bewoog langzaam en houterig.
Wild van ongeduld kon Tas niets anders doen dan de teugels vasthouden en toekijken terwijl Flint met grauwe vingers met de lans prutste, tot hij er eindelijk in slaagde de schacht ervan onder zijn oksel te klemmen en zich schrap te zetten, zoals hij had geleerd. Daarna staarde hij met een uitdrukkingsloos gezicht recht voor zich uit.