Выбрать главу

Khirsah steeg nog wat verder. Tas keek om zich heen, zich afvragend waar hun vijand was gebleven. Hij was de blauwe draak en zijn ruiter volledig uit het oog verloren. Toen maakte Khirsah, die even op dezelfde plek was blijven hangen, een sprong, en Tas slaakte een kreet. Daar was de vijand, recht voor hen!

Hij zag dat de blauwe draak zijn afzichtelijke muil vol scherpe tanden opende. Denkend aan de bliksem dook Tas weg achter het schild. Hij keek naar Flint, en zag dat die nog steeds met rechte rug grimmig over het schild heen naar de naderende draak zat te kijken. Snel greep hij de baard van de dwerg vast en rukte zijn hoofd naar beneden, achter het schild.

Overal om hen heen flitste en knetterde de bliksem. De rollende donderklap die er meteen op volgde sloeg zowel de kender als de dwerg bijna buiten westen. Khirsah brulde het uit van de pijn, maar week niet van zijn koers af.

De draken klapten midden in de lucht op elkaar, en de drakenlans doorboorde zijn slachtoffer.

Even zag Tas slechts een waas van blauw en rood. De wereld draaide om hem heen. Eén keer staarde hij recht in de akelige, vurige ogen van een draak, die onheilspellend op hem gericht waren. Klauwen flitsten door de lucht. Khirsah krijste, de blauwe draak gilde. Vleugels klapperden. De grond leek wild rond te tollen toen de worstelende draken naar beneden stortten.

Waarom laat Vuurflits niet los, dacht Tas bezorgd. Toen zag hij het. We zitten aan elkaar vast, besefte hij verdoofd.

De drakenlans had zijn doel gemist. Hij had het vleugelgewricht van de blauwe draak geraakt, was daarop afgeketst en zat nu muurvast in de schouder. De blauwe draak probeerde zich wanhopig los te rukken, maar Khirsah, in de greep van razernij, haalde keer op keer naar hem uit met zijn vlijmscherpe tanden en vernietigende klauwen.

Volledig in beslag genomen door hun eigen strijd waren de draken hun berijders helemaal vergeten. Tas dacht ook niet meer aan de andere ruiter, tot hij hulpeloos opkeek en de drakenofficier met zijn blauwe helm zag, die slechts een meter of twee bij hem vandaan met moeite in het zadel wist te blijven.

Toen tolden de vechtende draken weer om hun as en werden de hemel en de grond één groot waas. Verdwaasd zag Tas dat de blauwe helm van de ruiter van diens hoofd viel, zodat het blonde haar van de officier golfde in de wind. Zijn ogen stonden kil en helder en er lag geen greintje angst in. Hij staarde Tasselhof recht aan.

Hij komt me bekend voor, dacht Tas met een merkwaardig soort afstandelijkheid, alsof dit een andere kender overkwam en hij slechts een toeschouwer was. Waar ken ik hem toch van? Hij moest aan Sturm denken.

De drakenofficier maakte zich los uit zijn riemen en ging rechtop in de stijgbeugels staan. Zijn ene arm - de rechter - hing slap langs zijn lichaam, maar met zijn andere hand reikte hij naar voren...

Opeens begreep Tas het allemaal. Hij wist precies wat de officier van plan was. Het was alsof de man hem zijn plannen in het oor had gefluisterd.

‘Flint!’ riep Tas dringend. ‘Maak de lans los! Maak hem los!’

Maar de dwerg hield de lans stevig vast. Hij had nog steeds die vreemde, afwezige uitdrukking op zijn gezicht. De draken vochten, klauwden en beten, en de blauwe draak moest niet alleen zijn tegenstander van zich afhouden, maar probeerde zich bovendien kronkelend van de lans te bevrijden. Tas zag dat de ruiter iets schreeuwde, waarop de draak de aanval even staakte en in de lucht bleef hangen.

Ongelooflijk behendig sprong de officier van de ene draak over naar de andere. Met zijn goede arm om Khirsahs nek geklemd trok de drakenofficier zich in een schrijlingse zit en omklemde de hals van de vechtende draak met zijn sterke benen.

Khirsah besteedde geen aandacht aan de mens. Zijn aandacht was volkomen op zijn vijand gericht.

De officier keek één keer vluchtig achterom naar de kender en de dwerg en zag dat ze geen van beiden een directe bedreiging vormden, aangezien ze op het oog allebei vastgegespt zaten. Koeltjes trok de officier zijn slagzwaard, boog naar voren en begon in te hakken op het tuig van de bronzen draak, op de plek vlak voor zijn machtige vleugels, op zijn borst, waar de riemen elkaar kruisten.

‘Flint!’ smeekte Tas. ‘Maak die lans nou los! Kijk!’ De kender schudde de dwerg heen en weer. ‘Als die officier de riemen doorsnijdt, valt het zadel eraf. Dan valt de lans eraf. Dan vallen wij eraf!’

Langzaam draaide Flint zijn hoofd om. Eindelijk begreep hij het. Nog steeds tergend langzaam bewegend prutste hij met zijn bevende hand aan het mechanisme waarmee de lans kon worden losgemaakt en de draken zouden worden bevrijd uit hun dodelijke omhelzing. Maar zou het op tijd lukken?

Tas zag het slagzwaard blinken in het zonlicht. Hij zag dat een van de riemen het begaf en klapperde in de wind. Er was geen tijd om na te denken of de mogelijkheden te overwegen.

Terwijl Flint met het mechanisme worstelde, stond Tas wankel op met de teugels om zijn pols gewikkeld. Zich vasthoudend aan de rand van het zadel kroop de kender om de dwerg heen naar voren. Vervolgens ging hij plat op zijn buik op de nek van de draak liggen, sloeg zijn benen om de puntige manen van de draak en kroop stilletjes naar voren, tot vlak achter de officier.

De man besteedde hoegenaamd geen aandacht aan de ruiters achter zich, want hij ging ervan uit dat ze veilig vastzaten in hun riemen. Hij ging zo in zijn taak op—het harnas was bijna los — dat het al gebeurd was voordat hij het in de gaten had.

Tasselhof stond op en sprong op de rug van de officier. Geschrokken en wild maaiend met zijn armen in een poging zijn evenwicht te bewaren liet de officier zijn zwaard vallen, zodat hij zich wanhopig aan de hals van de draak kon vastklampen.

Grauwend van woede probeerde de officier te zien wie hem had besprongen, toen het opeens zwart werd voor zijn ogen. Kleine armen werden om zijn hoofd geslagen, zodat hij niets meer zag. Woest liet de officier de draak los in een poging zich te bevrijden van wat in zijn beleving een wezen met zes armen en benen moest zijn, die hem allemaal met de hardnekkigheid van een insect omklemden. Hij voelde echter dat hij van de draak af dreigde te glijden en was gedwongen de manen vast te grijpen.

‘Flint! Maak de lans los. Flint...’ Tas wist niet eens meer wat hij allemaal uitkraamde. De grond kwam met razende snelheid op hem af, want de verzwakte draken tuimelden in volle vaart naar beneden. Hij kon niet helder denken. Het kostte hem zoveel kracht om de officier vast te houden, die nog steeds hevig tegenstribbelde, dat hij witte lichtflitsen zag.

Toen klonk er een luide, metaalachtige knal.

De lans kwam los. De draken waren bevrijd.

Khirsah spreidde zijn vleugels en wist zijn tollende duikvlucht veilig af te breken. De hemel en de aarde namen hun vaste, juiste positie weer in. De tranen stroomden Tas over de wangen. Niet dat hij bang was geweest, hield hij zichzelf snikkend voor. Maar niets had hem ooit zo mooi toegeschenen als die helderblauwe hemel, die zich weer bevond waar hij hoorde.

‘Gaat het wel, Vuurflits?’ riep Tas.

De bronzen draak knikte vermoeid.

‘Ik heb een gevangene,’ riep Tas, tot wie dat feit ook nu pas doordrong. Langzaam liet hij de man los, die duizelig en half verstikt het hoofd schudde.

‘Jij gaat toch nergens naartoe, lijkt me,’ mompelde Tas. De kender liet zich van de rug van de man glijden en kroop via de manen van de draak terug naar diens schouders. Tas zag dat de officier vol verbitterde woede en schuddend met zijn vuist omhoogkeek naar de hemel, waar zijn draken langzaam door Laurana en haar troepen uit het luchtruim werden verdreven. De officier richtte zijn blik met name op Laurana, en opeens wist Tas waar hij hem eerder had gezien.

De adem stokte de kender in de keel. ‘Je kunt ons maar beter aan de grond zetten, Vuurflits,’ riep hij met bevende handen. ‘Snel!’

De draak keek achterom naar zijn berijders, en Tas zag dat een van zijn ogen dik was. Aan de zijkant van zijn bronzen kop had hij schroei- en brandplekken, en uit zijn gescheurde neusgat droop bloed. Tas keek om zich heen, op zoek naar de blauwe draak. Die was nergens te bekennen.