Toen hij weer naar de officier keek, voelde Tas zich opeens fantastisch. Nu pas drong tot hem door wat hij had gedaan.
‘Hé!’ riep hij uitgelaten terwijl hij zich naar Flint omdraaide. ‘Het is ons gelukt! We hebben met een draak gevochten en ik heb iemand gevangengenomen! Helemaal in mijn eentje!’
Flint knikte langzaam. Tas keek weer naar voren, naar de grond die op hen af leek te komen, en vond dat die grond er nog nooit zo... zo heerlijk aards had uitgezien.
Khirsah landde. De voetsoldaten dromden schreeuwend en juichend om hen heen. Iemand nam de officier mee. Daar had Tas geen enkel bezwaar tegen, en het viel hem op dat de officier hem nog een laatste indringende blik toewierp voordat hij werd afgevoerd. Maar de kender was hem al snel vergeten, toen hij naar Flint keek.
De dwerg lag slap voorover in het zadel. Zijn gezicht zag er oud en vermoeid uit en zijn lippen waren blauw.
‘Wat is er?’
‘Niets.’
‘Maar je hebt je handen tegen je borst gedrukt. Ben je gewond?’
‘Nee, hoor.’
‘Waarom druk je dan je handen tegen je borst?’
Flint trok een boos gezicht. ‘Je zult me wel niet met rust laten voordat ik je vraag heb beantwoord. Nou, als je het dan zo nodig moet weten, het komt door die vervloekte lans. En degene die dit stomme vest heeft ontworpen was een nog grotere imbeciel dan jij. De schacht van de lans klapte zó tegen mijn sleutelbeen. Dat zal wel een fikse blauwe plek worden. En wat je gevangene betreft, je mag van geluk spreken dat jullie niet allebei te pletter zijn gevallen, leeghoofd dat je bent! Gevangen. Ha! Het was meer geluk dan wijsheid, als je het mij vraagt. En ik zal je nog eens iets vertellen. Zo lang als ik leef ga ik nooit meer op de rug van zo’n monster zitten!’
Boos klemde Flint zijn lippen op elkaar, en hij staarde Tas zo fel aan dat die zich omdraaide en snel wegliep. Hij wist dat je Flint maar beter even kon laten afkoelen als hij in zo’n bui was. Na de lunch zou hij zich vast weer een stuk beter voelen.
Pas die avond, toen Tasselhof met opgetrokken benen naast Khirsah lag, knus tegen diens bronzen flank aan gekropen, herinnerde hij zich dat Flint zijn handen tegen de linkerkant van zijn borst had gedrukt.
De oude dwerg had de lans onder zijn rechteroksel gehouden.
Boek Twee
1
Lentedooi.
Toen de dageraad aanbrak en een rozegouden licht zich over het land verspreidde, werden de inwoners van Kalaman gewekt door klokgelui. Kinderen sprongen uit bed en drongen de slaapkamer van hun ouders binnen, eisend dat hun vader en moeder zouden opstaan zodat deze bijzondere dag een aanvang kon nemen. Hoewel sommigen mopperden en deden alsof ze de dekens weer over hun hoofd wilden trekken, stonden de meeste ouders lachend op, niet minder gretig dan hun kinderen.
Vandaag was een gedenkwaardige dag in de geschiedenis van Kalaman. Niet alleen werd het jaarlijkse Lentedooifestival gehouden, het was bovendien een overwinningsfeest voor het leger van de ridders van Solamnië. Het leger, onder leiding van zijn inmiddels legendarische generaal, de elfenvrouw, had zijn kamp opgeslagen op de vlakte buiten de stadsmuur en zou om het middaguur een triomftocht door de stad maken.
De zon piepte boven de muren uit, en de hemel boven Kalaman was gevuld met de rook van kookvuren, en al snel lokte de geur van geroosterde ham, warme muffins, gebakken spek en exotische koffie zelfs de slaperigste lieden uit hun warme bed. Ze zouden toch al snel wakker zijn geworden, want bijna meteen stroomden de straten vol met kinderen. De regels werden flink versoepeld tijdens Lentedooi. Na een winter lang binnen zitten mochten de kinderen één dag helemaal hun eigen gang gaan. Tegen het vallen van de avond zouden ze blauwe plekken op hun hoofd hebben, schaafwonden op hun knieën en pijn in hun buik van het vele snoepen, maar het zou iedereen bijblijven als een heerlijke dag.
Halverwege de ochtend was het festival in volle gang. Marktlui prezen hun waren aan vanuit vrolijk gekleurde kraampjes. Argeloze lieden verspeelden hun geld in kansspelen. Dansende beren dartelden over straat, en illusionisten ontlokten kreten van verwondering aan jong en oud.
Op het middaguur luidden de klokken opnieuw. De straten werden vrijgemaakt. De mensen verdrongen zich op de stoep. De stadspoort werd geopend en de ridders van Solamnië maakten zich klaar om Kalaman binnen te rijden.
Er viel een verwachtingsvolle stilte. Allen tuurden gretig in de richting van de poort, en men verdrong elkaar om goed uitzicht te hebben op de ridders, en met name op de elfenvrouw over wie ze zoveel verhalen hadden gehoord. Zij reed als eerste binnen, alleen op een zuiver wit paard. Het publiek, dat van plan was geweest haar toe te juichen, was met stomheid geslagen, zozeer waren ze onder de indruk van haar schoonheid en allure. Gehuld in glanzende zilveren wapenrusting, versierd met bladgoud, stuurde Laurana haar ros door de stadspoort de straat in. Er was zorgvuldig geoefend met een delegatie kinderen die bloemen op Laurana’s pad dienden te strooien, maar de kinderen waren zo onder de indruk van de beeldschone vrouw in de glanzende wapenrusting dat ze hun bloemen met beide handjes omklemden en er niet één op straat gooiden.
Achter de elfenmaagd met het honingblonde haar reden er twee naar wie menigeen in het publiek verwonderd wees: een kender en een dwerg die samen op de brede rug van een ruige pony zaten. De kender leek het enorm naar zijn zin te hebben, want hij riep en zwaaide naar de mensen. Maar de dwerg, die achter hem zat en hem met beide armen in een dodelijke greep hield, nieste zo hevig dat het leek of hij elk moment van de pony kon vallen.
Achter de dwerg en de kender reed een elfenheer die zozeer op de elfenmaagd leek dat niemand tegen zijn buren hoefde te vertellen dat ze broer en zus waren. Naast de elfenheer reed nog een elfenmaagd, met vreemd, zilverkleurig haar en diepblauwe ogen, die verlegen en nerveus leek te worden van de mensenmassa. Daarna kwamen de ridders van Solamnië, misschien vijfenzeventig in totaal, luisterrijk in hun glanzende harnassen. Het publiek begon te juichen en met vlaggen te zwaaien.
Enkele ridders wisselden een grimmige blik, want allemaal beseften ze dat ze heel anders zouden zijn ontvangen als ze een maand eerder Kalaman waren binnengereden. Maar nu waren ze helden. Driehonderd jaar van haat, verbittering en onterechte beschuldigingen waren vergeten nu het publiek juichte om degenen die hen hadden gered van de verschrikkingen van het drakenleger.
Achter de ridders marcheerden enkele duizenden voetsoldaten. En toen werd de hemel boven de stad tot grote opgetogenheid van het publiek gevuld met draken — niet de gevreesde eskaders rode en blauwe draken waarvoor de stedelingen de hele winter in angst hadden geleefd, maar ontzagwekkende zilveren, bronzen en gouden draken wier vleugels schitterden in het zonlicht terwijl ze in hun georganiseerde formaties cirkelden, doken en draaiden. Op de drakenzadels zaten ridders met fonkelende drakenlansen.
Na de optocht kwamen de stedelingen bijeen voor de toespraak van hun heer ter ere van de helden. Laurana bloosde toen ze hem hoorde zeggen dat zij alleen verantwoordelijk was voor de ontdekking van de drakenlansen, de terugkeer van de goede draken en de klinkende overwinningen van het leger. Stamelend trachtte ze het te ontkennen, gebarend naar haar broer en de ridders. Maar ze kwam niet boven het geschreeuw en gejuich van het publiek uit. Vertwijfeld keek Laurana naar heer Michael, de vertegenwoordiger van grootmeester Gunthar Uth Wistan, die pas uit Sancrist was aangekomen. Michael grijnsde slechts.
‘Gun ze toch hun held,’ riep hij haar boven het kabaal uit toe. ‘Hun heldin, moet ik eigenlijk zeggen. Ze verdienen het. De hele winter hebben ze in angst geleefd, wachtend op de dag dat de draken aan de hemel zouden verschijnen. Nu hebben ze een beeldschone heldin, die uit een sprookje is komen rijden om hen te redden.’
‘Maar het is niet waar!’ wierp Laurana tegen, terwijl ze iets dichter bij Michael ging staan om zich verstaanbaar te kunnen maken. Ze had haar armen vol winterrozen. De geur ervan was verstikkend, maar ze durfde niemand te beledigen door ze weg te leggen. ‘Ik ben niet uit een sprookje komen rijden. Ik ben dwars door vuur, duisternis en bloed heen gereden om hier te komen. Dat ik het bevel over het leger kreeg, was een strategische zet van heer Gunthar, dat weet jij net zo goed als ik. En als mijn broer en Silvara hun leven niet op het spel hadden gezet om de goede draken te gaan halen, zouden we nu in ketenen achter de Zwarte Vrouwe aan door de straten sjokken.’