Выбрать главу

‘Ach wat. Dit is goed voor hen. En voor ons,’ voegde Michael eraan toe. Hij keek Laurana vanuit zijn ooghoeken aan terwijl hij naar de mensen zwaaide. ‘Een paar weken geleden zou de heer ons nog geen droge broodkorst hebben gegeven als we erom kwamen smeken. Maar dankzij de gouden generaal is hij bereid het leger in de stad in garnizoen te leggen en ons te voorzien van mondvoorraden, paarden, wat we maar willen. Jongemannen melden zich in drommen aan. Tegen de tijd dat we naar Dargaard trekken zullen zich er duizend of meer hebben aangemeld. En je hebt het moreel van onze eigen soldaten hoog gehouden. Je hebt de ridders meegemaakt toen ze in de Toren van de Hogepriester waren. Moet je ze nu zien.’

Ja, dacht Laurana verbitterd. Toen heb ik ze inderdaad meegemaakt. Verdeeld door onenigheid binnen de eigen rangen, onderling bekvechtend en complotten tegen elkaar smedend. Er moest eerst een voortreffelijk, nobel man sterven voordat ze tot bezinning kwamen. Laurana sloot haar ogen. Het kabaal, de geur van de rozen, die haar altijd aan Sturm deed denken, de uitputting na de strijd, de hitte van de middagzon, alles overspoelde haar als een verstikkende golf. Ze werd duizelig en was even bang dat ze zou flauwvallen. Dat was eigenlijk wel een amusante gedachte. Hoe zou dat eruitzien: de gouden generaal die als een verwelkte blom omviel?

Toen voelde ze een sterke arm om zich heen.

‘Rustig maar, Laurana,’ zei Gilthanas, die haar steunde. Silvara stond naast haar en nam de rozen van haar over. Zuchtend opende Laurana haar ogen en glimlachte zwakjes naar de heer, die net zijn tweede toespraak van die ochtend beëindigde en werd beloond met een daverend applaus.

Ik kan geen kant op, besefte Laurana. De rest van de middag moest ze hier zwaaiend en glimlachend blijven zitten, en de ene na de andere toespraak verdragen waarin haar heldhaftigheid werd bejubeld, terwijl ze het liefst op een koel, donker plekje wilde wegkruipen om te slapen. En het was allemaal gelogen, allemaal nep. Ze moesten eens weten. Stel dat ze zou opstaan om de mensen te vertellen dat ze tijdens de veldslagen zo bang was dat ze zich de details alleen in haar nachtmerries herinnerde? Dat ze slechts een schaakstuk was voor de ridders? Dat ze hier niet eens zou zijn geweest als ze niet als een verwend meisje was weggelopen om bij een halfelf te zijn die niet eens van haar hield? Wat zouden ze dan zeggen?

‘En nu,’ - de stem van de heer van Kalaman schalde boven het lawaai van het publiek uit - ‘heb ik de eer en het grote voorrecht om u voor te stellen aan de vrouw die het tij in deze oorlog heeft gekeerd, de vrouw voor wie het drakenleger in doodsangst op de vlucht is geslagen, de vrouw die de kwade draken uit het luchtruim heeft verdreven, de vrouw wier leger de boosaardige Bakaris, commandant van het leger van de Drakenheer, heeft gevangen genomen, de vrouw wier naam nu in één adem wordt genoemd met de grote Huma, die andere onverschrokken krijger van Krynn. Over een week zal ze naar Fort Dargaard rijden om de overgave af te dwingen van de Drakenheer die bekendstaat als de Zwarte Vrouwe...’

De heer werd overstemd door gejuich. Hij zweeg theatraal, waarna hij naar achteren reikte om Laurana vast te pakken en zowat naar voren te sleuren.

‘Lauralanthalasa van het koninklijk huis van Qualinesti!’

Het kabaal was oorverdovend. Het weerkaatste tussen de hoge stenen gebouwen. Laurana keek uit over de zee van starende gezichten en wild zwaaiende vlaggen. Ze willen niets weten van mijn angst, besefte ze vermoeid. Ze zijn zelf al bang genoeg. Ze willen niets horen over duisternis en dood. Ze willen sprookjes horen over liefde, wedergeboorte en zilveren draken.

Wie niet?

Met een zucht wendde Laurana zich tot Silvara. Ze nam de rozen weer van haar over en hief ze hoog in de lucht, zwaaiend naar het uitbundige publiek. Toen begon ze aan haar toespraak.

Tasselhof Klisvoet had het reuze naar zijn zin. Het was niet moeilijk geweest om aan Flints waakzame blik te ontsnappen en van het podium af te glippen waar hij samen met de andere hoogwaardigheidsbekleders diende te staan. Hij ging op in de massa, vrij om deze interessante stad nog eens te verkennen. Lang geleden was hij eens samen met zijn ouders in Kalaman geweest, en hij koesterde dierbare herinneringen aan de openluchtbazaar, de zeehaven waar de schepen met de witte vleugels voor anker lagen, en honderden andere wonderen.

Doelloos liep hij tussen de feestende mensen door. Zijn scherpe ogen zagen alles en hij was druk in de weer om spulletjes in zijn buidels te stoppen. De inwoners van Kalaman waren wel erg onvoorzichtig, dacht Tas. Geldbuidels hadden de griezelige gewoonte om van hun gordels zó in Tas’ handen te vallen. Het was alsof de straat was geplaveid met juwelen, zoveel ringen en andere fascinerende snuisterijen ontdekte hij.

Toen de kender op de kraam van een cartograaf stuitte, was hij buiten zichzelf van vreugde. En het toeval wilde dat de cartograaf naar de optocht was gaan kijken. Het kraampje was afgesloten, de luiken waren dicht, en aan een haakje hing een groot bord GESLOTEN.

Wat jammer, dacht Tas. Maar hij zal het vast niet erg vinden als ik even zijn kaarten bekijk. Hij pakte het slot vast, gaf er met geoefende hand een rukje aan en glimlachte. Nog een paar ‘rukjes’ en het ging zo open. Kennelijk is hij er niet erg op gebrand om mensen buiten de deur te houden, als hij zo’n eenvoudig slot gebruikt, dacht Tas. Ik wip gewoon even binnen, dan kan ik een paar kaarten natekenen om mijn verzameling aan te vullen.

Opeens voelde Tas een hand op zijn schouder. Geërgerd dat iemand hem op zo’n moment stoorde keek hij achterom en zag een vreemde gestalte die hem vaag bekend voorkwam. Hij droeg een dik gewaad en een zware mantel, al beloofde het een warme lentedag te worden. Zelfs zijn handen waren in doeken gewikkeld. Het leek wel verband. Verdorie, een priester, dacht de kender geërgerd en afwezig.

‘Neem me niet kwalijk,’ zei Tas tegen de priester die hem vasthield, ‘ik wil niet onbeleefd zijn, maar ik wilde net—’

‘Klisvoet?’ viel de priester hem met kille, lispelende stem in de rede. ‘De kender die de gouden generaal vergezelt?’

‘Ja, inderdaad,’ zei Tas, gevleid omdat iemand hem herkende. ‘Dat ben ik. Ik vergezel Laura — eh, de gouden generaal nu al een hele tijd. Eens zien, volgens mij sinds het eind van de herfst. Ja, we hebben haar in Qualinesti leren kennen, direct nadat we uit de gevangeniswagens van de kobolden waren ontsnapt, en dat was nadat we in Xak Tsaroth een zwarte draak hadden gedood. Dat is me toch een prachtig verhaal...’ Tas was de kaarten helemaal vergeten. ‘Ziet u, we waren in een heel oude stad die in een grot was weggezakt, en daar stikte het van de greppeldwergen. We ontmoetten er een die Boepoe heette. Raistlin had haar betoverd—’

‘Hou je kop!’ De priester liet Tasselhofs schouder los. Met zijn omwikkelde hand omklemde hij de kraag van Tas’ hemd, draaide die met een geoefende polsbeweging een keer om en tilde de kender op. Hoewel kenders over het algemeen immuun zijn voor angst, vond Tas het een bijzonder onaangename ervaring om geen adem te kunnen krijgen.

‘Luister heel goed naar me,’ siste de priester, terwijl hij de woest tegenstribbelende kender heen en weer schudde. ‘Goed zo. Als je je rustig houdt, doet het minder pijn. Ik heb een boodschap voor de gouden generaal.’ De stem klonk zacht, maar dodelijk. ‘Hier heb je hem.’ Tas voelde dat er ruw iets in de zak van zijn buis werd geduwd. ‘Geef hem vanavond bij haar af, als ze alleen is. Begrepen?’

Half stikkend in de greep van de priester kon Tas niet eens knikken, laat staan iets zeggen, maar hij knipperde twee keer met zijn ogen. Onder zijn kap knikte de priester, waarop hij de kender op de grond liet vallen en snel wegliep.