Happend naar adem staarde de geschrokken kender de gestalte na, wiens gewaad klapperde in de wind. Afwezig klopte Tas op de rol perkament die in zijn zak was gestoken. De klank van die stem bracht zeer onplezierige herinneringen bij hem naar boven: de hinderlaag op de weg vanuit Soelaas, lieden in dikke gewaden die op priesters leken... alleen waren het geen priesters. Tas huiverde. Een dracoon. Hier, in Kalaman!
Hoofdschuddend draaide Tas zich weer om naar de kraam van de cartograaf. Maar voor hem was het plezier van die dag vergald. Hij voelde geen sprankje opwinding toen het slot in zijn kleine hand open sprong.
‘Hé, jij daar!’ krijste iemand. ‘Kender! Maak dat je wegkomt!’
Er kwam een hijgende, rood aangelopen man op hem afgerend. Waarschijnlijk de cartograaf zelf.
‘U had niet zo hoeven rennen,’ zei Tas lusteloos. ‘U hoeft de kraam niet speciaal voor mij te openen.’
‘Openen!’ De mond van de man viel open. ‘Vervloekte dief die je bent! Ik ben net op tijd—’
‘Maar toch bedankt.’ Tas liet het slot in de hand van de man vallen en liep weg, waarbij hij afwezig de cartograaf ontweek toen die hem wilde vastgrijpen. ‘Ik ga maar eens. Ik voel me niet zo lekker. O, trouwens, wist u dat dat slot kapot was? Waardeloos. U moet echt voorzichtiger zijn. Je weet maar nooit wie er naar binnen glipt. Nee, u hoeft me niet te bedanken. Ik heb haast. Dag.’
Tasselhof liep weg. Achter hem klonken kreten: ‘Dief! Dief!’ Er dook een stadswachter op, zodat Tas in een slagerij moest wegduiken om te voorkomen dat hij omver werd gelopen. Hoofdschuddend om de verloedering van de wereld blikte de kender om zich heen in de hoop een glimp van de boosdoener op te vangen. Toen hij niemand zag die zijn belangstelling trok, liep hij maar door, en opeens vroeg hij zich geïrriteerd af waarom Flint hem voor de zoveelste keer had laten ontkomen.
Laurana sloot de deur, draaide de sleutel in het slot om en leunde er dankbaar tegenaan, genietend van de rust en vrede en de welkome afzondering van haar kamer. Ze wierp de sleutel op een tafel en liep vermoeid naar haar bed, zonder zelfs maar de moeite te nemen een kaars aan te steken. De stralen van de zilveren maan schenen door het glas in lood van het hoge, smalle raam naar binnen.
Beneden, in de lagere regionen van het kasteel, was het feestgedruis nog te horen dat ze zojuist achter zich had gelaten. Twee uur lang had ze geprobeerd te ontsnappen. Uiteindelijk moest heer Michael tussenbeide komen om de heren en dames van Kalaman eraan te herinneren dat ze uitgeput moest zijn na de lange strijd, voordat ze bereid waren haar te laten gaan.
De benauwdheid, de sterke geur van parfums en de wijn hadden haar hoofdpijn bezorgd. Ze had niet zoveel moeten drinken, wist ze. Ze kon wijn niet goed verdragen, en trouwens, ze vond het niet eens zo lekker. Maar de pijn in haar hoofd was beter te verdragen dan de pijn in haar hart.
Ze liet zich op het bed vallen en bedacht vagelijk dat ze eigenlijk moest opstaan om de luiken dicht te doen, maar het licht van de maan was troostend. Laurana vond het afschuwelijk om in het donker te slapen. In de schaduw hield zich van alles schuil, klaar om haar te bespringen. Eigenlijk moet ik me uitkleden, dacht ze. Straks kreukt deze japon nog, en ik heb hem van iemand geleend...
Er werd op de deur geklopt.
Laurana schrok bevend wakker. Toen herinnerde ze zich waar ze was. Zuchtend bleef ze doodstil liggen en deed haar ogen weer dicht.
Wie het ook was, hij zou vast weggaan zodra hij besefte dat ze sliep.
Weer werd er geklopt, steviger dan de eerste keer.
‘Laurana...’
‘Vertel het me morgenochtend maar, Tas,’ zei Laurana. Ze deed haar best om de ergernis uit haar stem te weren.
‘Het is belangrijk, Laurana,’ riep Tas. ‘Flint is er ook.’
Laurana hoorde geschuifel aan de andere kant van de deur.
‘Toe dan, zeg dan—’
‘Mooi niet! Dit was jouw idee.’
‘Maar hij zei dat het belangrijk was en ik—’
‘Al goed, ik kom eraan.’ Laurana zuchtte opnieuw. Moeizaam stond ze op, zocht op de tast de sleutel op de tafel, deed de deur van het slot en gooide hem open.
‘Hoi, Laurana,’ zei Tas opgewekt. Hij liep naar binnen. ‘Wat een geweldig feest, hè? Ik had nog nooit gebraden pauw gegeten—’
‘Wat is er, Tas?’ vroeg Laurana vermoeid terwijl ze de deur achter hen dichtdeed.
Toen Flint haar bleke, afgetobde gezicht zag, gaf hij de kender een por in zijn rug. Met een verwijtende blik op de dwerg haalde Tas een perkamentrol met een blauw lint eromheen uit zijn dikke buis.
‘Een... een priester - of zoiets - zei dat ik dit aan jou moest geven, Laurana,’ zei Tas.
‘Is dat alles?’ vroeg Laurana ongeduldig terwijl ze de rol uit zijn hand griste. ‘Waarschijnlijk is het een huwelijksaanzoek. Daarvan heb ik er de afgelopen week al een stuk of twintig gekregen. Om nog maar te zwijgen over de... uniekere voorstellen.’
‘O, nee hoor,’ zei Tas opeens serieus. ‘Dat is het zeker niet, Laurana. Het is van...’ Hij zweeg.
‘Hoe weet jij van wie het is?’ Laurana keek de kender indringend aan.
‘Ik, eh... ik heb er een beetje... eh... in gespiekt,’ gaf Tas toe. Toen klaarde hij op. ‘Maar alleen omdat ik je niet wilde lastigvallen als het niet belangrijk was.’
Flint snoof.
‘Dank je,’ zei Laurana. Ze rolde het perkament open en ging bij het raam staan, waar het maanlicht fel genoeg was om te kunnen lezen wat er stond.
‘We laten je wel alleen,’ zei Flint bars. Hij duwde de tegenstribbelende kender naar de deur.
‘Nee, wacht!’ zei Laurana verstikt. Flint draaide zich om en keek haar geschrokken aan.
‘Gaat het wel?’ vroeg hij. Toen ze zich in de dichtstbijzijnde stoel liet zakken, rende hij op haar af. ‘Tas, ga Silvara halen.’
‘Nee, nee. Je hoeft niemand te halen. Het... gaat wel. Weet je wat hierin staat?’ vroeg ze fluisterend.
‘Ik wilde het hem nog vertellen,’ zei Tasselhof verontwaardigd, ‘maar hij wilde niet luisteren.’
Met bevende hand gaf Laurana het perkament aan Flint.
De dwerg rolde het open en las hardop voor.
‘Tanis Halfelf heeft tijdens de slag om Fort Vingaard een wond opgelopen. Hoewel het eerst een lichte kwetsuur leek, is zijn toestand dusdanig verslechterd dat zelfs de zwarte priesters niets meer voor hem kunnen doen. Ik heb het bevel gegeven hem naar Fort Dargaard te vervoeren, waar ik hem zelf kan verzorgen. Tanis weet hoe ernstig zijn verwonding is. Hij heeft gevraagd of je bij hem wilt zijn als hij sterft, zodat hij je uitleg kan geven en met een schoon geweten kan inslapen.
Ik doe je het volgende aanbod. Mijn officier Bakaris, die bij Fort Vangaard is gepakt, is jouw gevangene. Ik ben bereid Tanis Halfelf te ruilen tegen Bakaris. De ruil zal morgen bij zonsopgang plaatsvinden in een bosje buiten de stadsmuren. Breng Bakaris mee. Als je het niet vertrouwt, mag je ook Tanis’ vrienden Flint Smidsvuur en Tasselhof Klisvoet meenemen. Maar verder niemand. De bezorger van deze boodschap wacht bij de stadspoort op je. Zorg dat je er morgen bij zonsopgang bent. Als hij oordeelt dat alles in orde is, zal hij je naar de halfelf brengen. Zo niet, dan zie je Tanis niet meer levend terug.
Ik doe dit alleen omdat wij twee vrouwen zijn die elkaar begrijpen.
Kitiara.’
Er viel een ongemakkelijke stilte, tot Flint met een minachtend ‘Hmpf!’ het perkament oprolde.
‘Hoe kun je zo kalm blijven?’ vroeg Laurana verbijsterd terwijl ze de rol uit de hand van de dwerg griste. ‘En jij...’ Haar boze blik ging naar Tasselhof. ‘Waarom heb je me dit niet eerder verteld? Hoe lang weet je het al? Jij hebt zelf gelezen dat hij stervende is, en toch ben je...’
Laurana legde haar hoofd in haar handen.
Tas staarde haar met open mond aan. ‘Laurana,’ zei hij na een tijdje, je denkt toch niet werkelijk dat Tanis...’
Met een ruk keek Laurana op. Haar donkere, bedroefde ogen gingen van Flint naar Tas. ‘Jullie geloven niets van die boodschap, hè?’ vroeg ze verbijsterd.