De grote, rode draak beschreef een laatste cirkel. De zuidelijke muur van de binnenplaats was tijdens de Catastrofe honderden meters naar beneden gevallen om aan de voet van de klif terecht te komen, zodat er een ruime doorgang was ontstaan naar de poort van het fort zelf. Met een diepe zucht van opluchting bekeek de rode draak de gladde tegels waarmee de binnenplaats was geplaveid, slechts hier en daar onderbroken door scheuren, geschikt voor een zachte landing. Zelfs de draken, die op Krynn maar weinig te vrezen hadden, hadden begrepen dat het beter was voor hun gezondheid om het ongenoegen van heer Ariakas te vermijden.
Op de binnenplaats was het opeens een drukte van belang, alsof het een mierenhoop was die door de nadering van een roofwesp wordt opgeschrikt. Draconen krijsten en wezen. De kapitein van de nachtwacht kwam haastig naar de kantelen en keek over de rand naar beneden. De draconen hadden gelijk. Er landde inderdaad een eskader rode draken op de binnenplaats, en een ervan vervoerde een officier, aan de wapenrusting te zien. De kapitein keek slecht op zijn gemak toe terwijl de man uit het drakenzadel sprong, nog voordat zijn rijdier volledig tot stilstand was gekomen. De draak klapperde wild met zijn vleugels om te voorkomen dat hij de officier zou raken, zodat overal om hem heen stofwolken oprezen in het maanlicht. De officier liep doelgericht over de binnenplaats naar de deur. Zijn zwarte laarzen galmden op het plaveisel. Het leek wel of er een doodsklok werd geluid.
Bij die gedachte hapte de kapitein naar adem, want nu herkende hij de officier. Hij draaide zich om, struikelde in zijn haast bijna over een dracoon, schold de soldaat de huid vol en rende het fort in, op zoek naar Garibanus, de plaatsvervangend bevelhebber.
De in een maliehandschoen gehulde vuist van heer Ariakas sloeg met zo’n daverende klap tegen de houten deur dat de splinters in het rond vlogen. Draconen haastten zich om open te doen, waarna ze onderdanig terug deinsden. De drakenheer liep met grote passen naar binnen, vergezeld door een koude windvlaag die de kaarsen doofde en de toortsen deed flakkeren.
Een snelle blik van achter het glanzende masker van de drakenhelm leerde Ariakas dat hij een grote, ronde hal met een koepelvormig dak betrad. Aan weerszijden van de hal waren twee reusachtige trappen die op de eerste verdieping met een bocht samenkwamen op een balkon. Terwijl Ariakas om zich heen keek, zonder acht te slaan op de kruiperige draconen, zag hij Garibanus door een deur boven aan de trap naar buiten komen, terwijl hij snel zijn broek dichtknoopte en een hemd over zijn hoofd aantrok. De wachtkapitein stond bevend naast Garibanus en wees naar de Drakenheer.
Meteen raadde Ariakas met wie de plaatsvervangend commandant zich had vermaakt. Kennelijk had hij in meerdere opzichten de plaats van de vermiste Bakaris ingenomen.
Daar is ze dus, dacht heer Ariakas tevreden. Met grote passen liep hij de hal door en met twee treden tegelijk de trap op. Overal maakten draconen zich als ratten uit de voeten. De wachtkapitein verdween. Ariakas was al halverwege de trap voordat Garibanus zich voldoende van de schrik had hersteld om hem aan te spreken.
‘H-heer Ariakas,’ stamelde hij terwijl hij haastig zijn hemd in zijn broek stopte en de trap afliep. ‘Wat een... eh... onverwachte eer.’
‘Zo onverwacht toch niet, hoop ik?’ vroeg Ariakas gladjes. Door de drakenhelm had zijn stem een merkwaardig metaalachtige klank.
‘Tja, misschien ook niet,’ zei Garibanus met een zwak lachje.
Ariakas liep door, zijn blik gericht op een deur boven zich. Zodra hij besefte waar de heer naartoe wilde, ging Garibanus tussen Ariakas en de deur staan.
‘Mijn heer,’ begon hij verontschuldigend, ‘Kitiara is nog niet aangekleed. Ze...’
Zonder een woord te zeggen, zonder zelfs maar zijn pas in te houden, haalde heer Ariakas uit met zijn geschoeide hand. Hij raakte Garibanus midden in zijn ribbenkast. Er klonk een suizend geluid, alsof er een blaasbalg werd dichtgeknepen, en het gekraak van botten, gevolgd door een vochtige, zompige dreun toen de jongeman ruim tien el verderop tegen de muur tegenover de trap klapte. Het slappe lichaam gleed op de grond, maar Ariakas zag het niet eens. Zonder om te kijken liep hij verder, nog steeds met zijn blik gericht op de deur boven aan de trap.
Heer Ariakas, de opperbevelhebber van het drakenleger die rechtstreeks aan de Duistere Koningin verslag uitbracht, was een briljant militair strateeg. Bijna had Ariakas heel het werelddeel Ansalon in zijn greep gehad. Hij liet zich zelfs al ‘keizer’ noemen. Zijn koningin was oprecht tevreden over hem en beloonde hem vaak en rijkelijk.
Nu zag hij zijn schitterende droom echter als de rook van herfstvuren door zijn vingers glippen. Hij had vernomen dat zijn soldaten wild op de vlucht waren geslagen over de Solamnische vlakten, dat ze Palanthas in de steek hadden gelaten, zich uit Fort Vingaard hadden teruggetrokken en de plannen voor de belegering van Kalaman hadden gelaten voor wat ze waren. Elfen hadden in Noord- en Zuid-Ergoth een verbond gesloten met mensen. De bergdwergen hadden hun ondergrondse rijk Thorbardin verlaten en hadden zich volgens de berichten samen met een groep menselijke vluchtelingen aangesloten bij hun oude vijanden, de heuveldwergen, in een poging het drakenleger uit Abanasinië te verdrijven. Silvanesti was bevrijd. In IJsmuur had een Drakenheer de dood gevonden. En als de geruchten klopten, was Pax Tharkas in handen van een stel greppeldwergen.
Daar dacht Ariakas aan terwijl hij statig de trap op schreed, en het maakte hem razend. Er waren er slechts weinig die het ongenoegen van heer Ariakas overleefden. Niemand overleefde zijn razernij.
Ariakas had zijn invloedrijke positie van zijn vader geërfd, een priester die bij de Koningin van de Duisternis in hoog aanzien stond. Hoewel hij slechts veertig was, bekleedde Ariakas die positie al een jaar of twintig, want zijn vader was door toedoen van zijn zoon vroegtijdig aan zijn eind gekomen. Toen Ariakas twee was, had hij gezien dat zijn vader zijn moeder bruut vermoordde, omdat ze met haar zoontje wilde vluchten voordat het kind net zo verdorven werd als zijn vader.
Hoewel Ariakas zijn vader op het oog altijd met respect bejegende, was hij de moord op zijn moeder nooit vergeten. Hij werkte hard, blonk uit in zijn studie en maakte zijn vader apetrots. Velen vroegen zich af of de vader ook nog zo trots was geweest toen hij de eerste steken voelde van het mes waarmee zijn negentien jaar oude zoon hem doodde ter vergelding van de moord op zijn moeder — en met een half oog op de troon van de Drakenheer.
Voor de Koningin van de Duisternis was het zeker geen grote tragedie, want ze ontdekte al snel dat de jonge Ariakas het verlies van haar belangrijkste priester ruimschoots compenseerde. De jongeman had zelf geen noemenswaardig talent als priester, maar dankzij zijn aanzienlijke kundigheid als magiegebruiker verdiende hij de Zwarte Mantel en grote lof van de kwade tovenaars van wie hij les had gehad. Hoewel hij de afschuwelijke proeve in de Toren van de Hoge Magie met succes aflegde, lag zijn hart niet bij de magie. Die gebruikte hij slechts zelden, en hij droeg nooit de Zwarte Mantel die hem als tovenaar met kwade krachten toekwam.
Ariakas’ grote passie was oorlog. Hij had de strategie bedacht waardoor de Drakenheren en hun legers er bijna in waren geslaagd het werelddeel Ansalon aan zich te onderwerpen. Hij was degene die ervoor had gezorgd dat ze op minimale tegenstand stuitten, want het briljante plan om snel toe te slaan en zo de verdeelde rassen van mensen, elfen en dwergen afzonderlijk te verslaan voordat ze de kans kregen zich te verenigen, kwam van hem. Volgens Ariakas’ plan zou hij in de zomer de onbetwiste heerschappij over heel Ansalon hebben. Andere Drakenheren op andere werelddelen van Krynn bekeken hem met onverholen afgunst en angst, want één werelddeel was niet genoeg voor Ariakas. Zijn blik was al westwaarts gericht, naar het land aan de andere kant van de Sirrionzee.