Выбрать главу

Maar toen had het noodlot toegeslagen.

Toen hij de deur van Kitiara’s slaapkamer bereikte, ontdekte Ariakas dat die op slot was. Kil sprak hij één magisch woord, en de zware houten deur spatte uit elkaar. In een regen van splinters en omringd door de blauwe vlammen die aan de deurposten likten, trad hij met zijn hand op zijn zwaard binnen.

Kit lag in bed. Zodra ze Ariakas zag, ging ze zitten en wikkelde haar zijden kamerjas strakker om haar sierlijke lichaam. Ondanks zijn razende woede moest Ariakas toegeven dat hij bewondering had voor de vrouw op wie hij van al zijn bevelhebbers het meest vertrouwde. Hoewel zijn komst een verrassing voor haar moest zijn, hoewel ze ongetwijfeld wist dat haar leven op het spel stond nu ze zo’n gevoelige nederlaag had geleden, nam ze hem koel en kalm op. Er was geen sprankje angst in haar bruine ogen te zien, en er kwam geen geluid over haar lippen.

Dat maakte Ariakas alleen maar razender, want het benadrukte slechts hoe ontzettend teleurgesteld hij in haar was. Zonder iets te zeggen rukte hij de drakenhelm van zijn hoofd en smeet die door de kamer. Hij raakte een rijk bewerkte houten kist, die als glas versplinterde.

De aanblik van Ariakas’ gezicht bracht Kitiara even van haar stuk. Ze kromp ineen op het bed en omklemde nerveus de linten van haar kamerjas.

Slechts weinigen konden Ariakas recht aankijken zonder een spier te vertrekken. Het was een gezicht dat was gespeend van elke menselijke emotie. Zelfs zijn woede kwam slechts tot uitdrukking in een trekkend spiertje in zijn kaak. Lang zwart haar omlijstte zijn bleke gelaatstrekken. Een lichte baardschaduw bedekte zijn gladde huid. Zijn ogen waren zwart en koud als een bevroren meer.

Met één sprong stond Ariakas naast het bed. Hij rukte de gordijnen los die eromheen hingen, greep Kitiara bij haar korte krullen en sleurde haar van het bed op de stenen vloer.

Kitiara kwam met een klap neer, en een kreet van pijn ontsnapte aan haar lippen. Ze herstelde zich echter snel, en wilde al soepel als een kat overeind komen toen Ariakas’ stem haar deed verstijven.

‘Blijf op je knieën zitten, Kitiara,’ zei hij. Langzaam en doelbewust trok hij zijn lange, glanzende zwaard uit de schede. ‘Blijf op je knieën zitten en buig je hoofd, zoals iedere veroordeelde die naar het blok wordt geleid. Want ik ben de beul die het vonnis zal voltrekken, Kitiara. Aldus boeten mijn bevelhebbers voor hun falen.’

Kitiara bleef op haar knieën zitten, maar ze keek hem recht aan. Toen hij de brandende haat in haar bruine ogen zag, was Ariakas even heel dankbaar dat hij degene was met een zwaard in zijn hand. Opnieuw moest hij schoorvoetend toegeven dat hij haar bewonderde. Zelfs nu ze oog in oog stond met de dood lag er geen angst in haar blik, alleen opstandigheid.

Hij hief zijn zwaard, maar sloeg niet toe.

IJskoude vingers klemden zich om de pols van zijn zwaardarm.

‘Ik vind dat u de uitleg van de Drakenheer moet aanhoren,’ zei iemand met holle stem.

Heer Ariakas was een sterk man. Hij kon een speer zo hard werpen dat hij dwars door het lichaam van een paard ging. Met één handbeweging kon hij iemands nek breken. Maar hij kon zich niet bevrijden uit de greep van de kille vingers die langzaam zijn pols vermorzelden. Uiteindelijk liet Ariakas kronkelend van pijn het zwaard vallen. Kletterend viel het op de grond.

Ietwat wankel stond Kitiara op. Met een gebaar beval ze haar helper Ariakas los te laten. Met een ruk draaide de heer zich om, zijn hand al geheven om de magie op te roepen waarmee hij deze man tot as kon verbranden.

Als aan de grond genageld bleef hij staan. Happend naar adem deinsde hij struikelend achteruit. De spreuk die hij had willen gebruiken ontglipte hem.

Voor hem stond een man, niet veel groter dan hijzelf, gekleed in een harnas dat nog van voor de Catastrofe dateerde. Het was het harnas van een ridder van Solamnië. Het teken van de orde van de Roos sierde het borstkuras, al was het zo oud en versleten dat het bijna onzichtbaar was. De man droeg geen helm en had geen wapen. Desondanks deed Ariakas met grote ogen nog een stap achteruit. Want de man naar wie hij keek behoorde niet tot het land der levenden.

Zijn gezicht was transparant. Ariakas kon de muur er dwars doorheen zien. In de holle ogen brandde een bleek licht. De man staarde recht voor zich uit, alsof hij op zijn beurt dwars door Ariakas heen kon kijken.

‘Een doodsridder!’ fluisterde Ariakas vol ontzag.

De heer wreef over zijn pijnlijke pols, die nog verdoofd aanvoelde door de kille aanraking van een geest, afkomstig uit een rijk waar de warmte van levend vlees slechts een verre herinnering is. Banger dan hij wilde toegeven bukte Ariakas om zijn zwaard op te rapen, waarbij hij een betovering prevelde om de nawerking van die dodelijke aanraking te verdrijven. Hij rechtte zijn rug en wierp een verbitterde blik op Kitiara, die hem met een scheve glimlach opnam.

‘Dit... dit wezen dient jou?’ vroeg hij schor.

Kitiara haalde haar schouders op. ‘Laten we zeggen dat we hebben afgesproken elkaar te dienen.’

Opnieuw nam Ariakas haar met schoorvoetende bewondering op. Met een zijdelingse blik op de doodsridder stak hij zijn zwaard weg.

‘Komt hij vaak in je slaapkamer?’ sneerde hij. Zijn pols deed vreselijk Pijn.

‘Hij komt en gaat wanneer hij wil,’ antwoordde Kitiara. Ze hield haar kamerjas losjes om zich heen, schijnbaar niet zozeer uit oogpunt van zedelijkheid als wel omdat ze last had van de kou, zo vroeg in de lente. Rillend haalde ze een hand door haar krullen en haalde haar schouders op. ‘Het is immers zijn kasteel.’

Met een afwezige blik in zijn ogen zweeg Ariakas. In gedachten nam hij de oude legendes door.

‘Heer Sothis,’ zei hij opeens tegen de schim. ‘Ridder van de Zwarte Roos.’

De ridder maakte een beleefde buiging.

‘Ik was de oude legende van Fort Dargaard vergeten,’ prevelde Ariakas. Bedachtzaam nam hij Kitiara op. ‘Je bent zelfs nog moediger dan ik dacht, dame, dat je in dit vervloekte huisje intrek hebt genomen. Volgens de legende voert heer Sothis een leger van skeletsoldaten aan...’

‘Heel effectief in de strijd,’ antwoordde Kitiara gapend. Ze liep naar een tafeltje bij de open haard om een karaf van geslepen glas te pakken. ‘Hun aanraking alleen al...’ Glimlachend nam ze Ariakas op. ‘Ach, u weet zelf ook wel wat hun aanraking doet met hen die niet over de magische kracht beschikken om zich ertegen te verweren. Wijn?’

‘Ja,’ antwoordde Ariakas zonder zijn blik van heer Sothis’ doorzichtige gelaat af te wenden. ‘En de zwarte elfen, de bansheevrouwen, die hem naar verluidt volgen?’

‘Die zijn hier ook... ergens.’ Kit rilde opnieuw en hief haar wijnglas. ‘Waarschijnlijk krijg je ze binnenkort wel een keer te horen. Heer Sothis slaapt uiteraard niet. De dames helpen hem de lange, nachtelijke uren door te komen.’

Even verbleekte Kitiara, met het wijnglas aan haar lippen. Onaangeroerd zette ze het neer, met een hand die nauwelijks merkbaar beefde. ‘Het is niet aangenaam,’ zei ze kortaf. Ze blikte om zich heen en vroeg: ‘Wat heb je met Garibanus gedaan?’

Ariakas sloeg zijn glas wijn achterover en maakte een achteloos gebaar. ‘Die heb ik onder aan de trap achtergelaten.’

‘Dood?’ vroeg Kitiara terwijl ze het glas van de Drakenheer nog eens volschonk.

Ariakas trok een boos gezicht. ‘Misschien wel. Hij liep in de weg. Maakt het uit?’

‘Ik vond hem... vermakelijk,’ zei Kitiara. ‘Hij is in meerdere opzichten een waardig opvolger van Bakaris.’

‘Bakaris, ja.’ Heer Ariakas dronk opnieuw zijn glas leeg. ‘Dus je commandant heeft zich gevangen laten nemen terwijl je leger een nederlaag leed.’

‘Hij was een imbeciel,’ zei Kitiara kil. ‘Hij wilde op een draak rijden, hoewel hij nog niet hersteld is.’

‘Dat heb ik gehoord. Wat is er met zijn arm gebeurd?’

‘De elfenvrouw heeft er bij de Toren van de Hogepriester een pijl doorheen geschoten. Het was zijn eigen schuld, en hij heeft ervoor geboet. Ik moest hem het bevel ontnemen en hem benoemen tot mijn persoonlijke lijfwacht. Maar hij wilde per se een kans om zijn fouten goed te maken.’