‘Wat zingen ze?’
‘Ik ken de tekst nu bijna net zo goed als hij.’ Kitiara lachte, maar rilde toen opnieuw. ‘Laat nog een karaf wijn halen en ik zal u zijn verhaal vertellen, als u tijd heeft.’
‘Ik heb tijd,’ zei Ariakas. Hij maakte het zich gemakkelijk in zijn stoel. ‘Maar morgenochtend moet ik weg, anders kan ik de citadels er niet op uitsturen.’
Kitiara glimlachte naar hem. Het was de charmante, scheve glimlach die al zo velen had verleid.
‘Dank u, mijn heer,’ zei ze. ‘Ik zal uw vertrouwen niet weer beschamen.’
‘Nee,’ zei Ariakas koeltjes terwijl hij een zilveren belletje luidde, ‘dat weet ik wel zeker, Kitiara. Want als je dat toch doet, zul je hem’—hij gebaarde naar beneden, waar het gejammer een ijselijke hoogte had bereikt — ‘nog gaan benijden om zijn lot.’
‘Zoals je weet,’ begon Kitiara, ‘was heer Sothis een trouwe, edele ridder van Solamnië. Maar hij was een intens hartstochtelijk man met weinig zelfdiscipline, en dat zou zijn ondergang betekenen.
Sothis werd verliefd op een beeldschone elfenmaagd, een discipel van de Priesterkoning van Istar. Hij was toen al getrouwd, maar elke gedachte aan zijn vrouw werd verdreven door de aanblik van de schoonheid van dit meisje. Hij vergat zowel zijn heilige huwelijksgeloften als zijn riddereed en gaf toe aan zijn hartstocht. Met leugens en de belofte dat hij haar zou huwen wist hij het meisje te verleiden, en hij nam haar mee naar Fort Dargaard. Zijn vrouw verdween onder verdachte omstandigheden.’
Kitiara haalde haar schouders op en vertelde verder: ‘Afgaand op wat ik van het lied heb gehoord, bleef de elfenmaagd trouw aan de ridder, ook nadat ze zijn afschuwelijke misdaden had ontdekt. Ze bad tot de godin Mishakal dat hij de kans zou krijgen zijn fouten goed te maken, en kennelijk werden haar gebeden verhoord. Aan heer Sothis werd de macht geschonken om de Catastrofe te voorkomen, al moest hij daarvoor zijn leven opofferen.
Gesterkt door de liefde van het meisje dat hij zo onrechtvaardig had behandeld ging heer Sothis op weg naar Istar, vastbesloten de Priesterkoning een halt toe te roepen en zijn verloren eer te herwinnen.
Maar de ridder werd tijdens zijn reis staande gehouden door elfenvrouwen, discipelen van de Priesterkoning, die op de hoogte waren van de misdaad van heer Sothis en hem dreigden te ruïneren. Om het effect van de liefde van de elfenmaagd tegen te gaan, vertrouwden ze hem toe dat ze hem in zijn afwezigheid ontrouw was geweest.
Sothis’ hartstocht ging met hem op de loop en maakte helder denken onmogelijk. Razend van jaloezie reed hij terug naar Fort Dargaard. Hij was nog niet binnen of hij beschuldigde het onschuldige meisje al van verraad. Toen voltrok de Catastrofe zich. De grote kroonluchter in de hal viel op de grond, en de vlammen verteerden de elfenmaagd en haar kind. Vlak voordat ze stierf vervloekte ze de ridder en veroordeelde hem tot een eeuwig, afschuwelijk leven. Sothis en zijn volgelingen kwamen om bij de brand, om vervolgens in deze vreselijke vorm terug te keren.’
‘Dus dat is wat hij hoort,’ prevelde Ariakas luisterend.
3
De valstrik...
Bakaris sliep onrustig in zijn gevangeniscel. Overdag was hij hooghartig en brutaal, maar in zijn slaap werd hij gekweld door erotische dromen over Kitiara en nachtmerries over zijn terechtstelling door de ridders van Solamnië. Of misschien werd hij wel door Kitiara terechtgesteld. Wanneer hij badend in het koude zweet wakker werd, kon hij dat nooit met zekerheid zeggen. Wanneer hij in de stille uurtjes van de nacht in zijn koude cel lag en de slaap niet kon vatten, vervloekte hij de elfenvrouw die zijn ondergang had bewerkstelligd. Belust op wraak wenste hij keer op keer dat ze in zijn handen zou vallen.
Daar lag Bakaris aan te denken, zwevend tussen slapen en waken, maar toen er een sleutel in het slot van zijn celdeur werd omgedraaid, sprong hij geschrokken overeind. Het was bijna dageraad. Het uur van zijn terechtstelling naderde. Misschien kwamen de ridders hem al halen.
‘Wie is daar?’ riep Bakaris bars.
‘Sst!’ klonk het bevelend. ‘Je loopt geen gevaar, zolang je je mond houdt en doet wat je wordt opgedragen.’
Verbijsterd ging Bakaris weer op zijn brits zitten. Die stem herkende hij. Hoe kon het ook anders? Elke nacht hoorde hij hem in zijn wraaklustige dromen. De elfenvrouw. En in de schaduw zag de commandant nog twee gestalten staan, kleine gestalten. De dwerg en de kender waarschijnlijk. Die waren altijd bij de elfenvrouw in de buurt.
De celdeur ging open. De elfenvrouw schreed naar binnen. Ze droeg een dikke mantel en had een tweede mantel in haar handen.
‘Schiet op,’ beval ze kil. ‘Trek aan.’
‘Pas als je me hebt verteld wat er gaande is,’ antwoordde Bakaris wantrouwig, al zong hij van binnen van vreugde.
‘We gaan je ruilen voor... voor een andere gevangene,’ zei Laurana.
Bakaris fronste zijn wenkbrauwen. Hij wilde niet te gretig lijken.
‘Ik geloof je niet,’ verklaarde hij. Hij ging weer op zijn bed liggen. ‘Het is een valstrik...’
‘Het kan me niet schelen wat jij wel en niet gelooft,’ snauwde Laurana ongeduldig. ‘Je gaat mee, al moet ik je buiten westen slaan. Het maakt niet uit of je bij bewustzijn bent, zolang ik je maar kan laten zien aan Kiti... aan degene die jou wil hebben.’
Kitiara! Dus dat was het. Wat was ze van plan? Wat voor spelletje speelde ze? Bakaris aarzelde. Hij vertrouwde Kit net zomin als zij hem vertrouwde. Ze was alleszins in staat om hem voor haar eigen doeleinden te gebruiken, en dat was ze nu ongetwijfeld van plan. Maar misschien kon hij haar op zijn beurt gebruiken. Wist hij maar wat er gaande was! Maar één blik op Laurana’s bleke, strakke gezicht vertelde Bakaris dat ze niet zou aarzelen om haar dreigement waar te maken. Hij zou rustig zijn kans moeten afwachten.
‘Kennelijk heb ik geen keus,’ zei hij. Het maanlicht sijpelde tussen de tralies voor het raam de smerige cel binnen en verlichtte Bakaris’ gezicht. Hij zat nu al weken in de gevangenis. Hoe lang precies wist hij niet, hij was de tel kwijt. Toen hij zijn hand uitstak naar de mantel, ving hij een glimp op van Laurana’s kille groene ogen, die strak op hem gericht waren en zich vernauwden van afkeer.