Выбрать главу

Een beetje gegeneerd krabde Bakaris met zijn gezonde hand aan zijn stoppelbaard.

‘Mijn excuses, vrouwe,’ zei hij sarcastisch, ‘maar de bedienden van uw etablissement achtten het kennelijk niet nodig me een scheermes te brengen. Ik weet hoezeer de elfen gruwen van gezichtsbeharing.’

Tot zijn verrassing zag Bakaris dat zijn opmerking doel trof. Laurana’s gezicht werd bleek en haar lippen werden krijtwit. Het kostte haar de grootst mogelijke inspanning om zich te beheersen. ‘Lopen!’ zei ze met verstikte stem.

Zodra hij dat hoorde, kwam de dwerg met zijn hand op zijn strijdbijl de cel binnen. ‘Je hoort wat de generaal zegt,’ grauwde Flint. ‘Lopen. Waarom ze een ellendig mannetje als jij willen ruilen voor Tanis—’

‘Flint!’ zei Laurana kortaf.

Opeens begreep Bakaris het. De grote lijnen van Kitiara’s plan drongen tot hem door.

‘Aha, Tanis. Dus ik word voor hem geruild.’ Hij hield Laurana’s gezicht scherp in de gaten. Geen reactie. Het leek wel of hij het over een vreemde had in plaats van de man die volgens Kitiara de geliefde van deze vrouw was. Hij probeerde het nogmaals, erop gebrand zijn theorie te toetsen. ‘Maar een gevangene zou ik hem niet noemen, al zou je hem een gevangene van de liefde kunnen noemen. Kennelijk heeft Kit genoeg van hem. Tja. Arme man. Ik zal hem missen. Hij en ik hebben veel gemeen...’

Nu zag hij wel een reactie. Hij zag dat ze haar kaken op elkaar klemde en dat haar tengere schouders beefden onder de mantel. Zonder een woord te zeggen draaide Laurana zich om en beende de cel uit. Dus hij had gelijk. Dit had iets te maken met de bebaarde halfelf. Maar wat? Tanis was in Zeedrift bij Kit weggelopen. Had ze hem teruggevonden? Was hij naar haar teruggekeerd? Bakaris zweeg en wikkelde de mantel stevig om zich heen. Niet dat het ertoe deed, wat hem betrof niet. Zelf kon hij deze nieuwe informatie gebruiken om wraak te nemen. Denkend aan Laurana’s gespannen, strakke gezicht in het maanlicht dankte Bakaris de Duistere Koningin voor haar goedgezind zijn toen de dwerg hem naar buiten duwde.

De zon was nog niet op, al verried een dun, roze lijntje aan de oostelijke horizon dat de dageraad nog hooguit een uur op zich zou laten wachten. Het was nog donker in de stad Kalaman, donker en stil, want iedereen sliep vredig na een dag en een nacht feesten. Zelfs de wachters stonden te gapen op hun post, en in sommige gevallen zaten ze zelfs luidruchtig te snurken. Het was een eenvoudige opgave voor de vier in dikke mantels gehulde gestalten om stilletjes over straat naar een kleine, afgesloten deur in de stadsmuur te glippen.

‘Vroeger gaf deze deur toegang tot een trap die naar de bovenkant van de muur liep en aan de andere kant weer naar beneden,’ fluisterde Tasselhof, die in een van zijn buidels zocht naar zijn instrumenten waarmee hij sloten kon open peuteren.

‘Hoe weet je dat?’ mompelde Flint. Hij keek nerveus om zich heen.

‘Ik ben als kind vaak in Kalaman geweest,’ zei Tas. Hij pakte een dun stukje ijzerdraad en duwde het met zijn kleine, vaardige handen in het slot. ‘Met mijn ouders. Hierlangs gingen we altijd naar binnen en naar buiten.’

‘Waarom gingen jullie niet gewoon via de poort? Of was dat soms te simpel?’ bromde Flint.

‘Schiet op!’ beval Laurana ongeduldig.

‘We wilden best via de poort,’ zei Tas, prutsend met het stukje ijzerdraad. ‘Ziezo.’ Hij haalde het ijzerdraadje uit het slot, stopte het zorgvuldig terug in zijn buidel en duwde zachtjes de oude deur open. ‘Waar was ik gebleven? O ja. We wilden best via de poort, maar de stad was verboden toegang voor kenders.’

‘Maar je ouders gingen toch naar binnen,’ snoof Flint. Hij liep achter Tas aan de deur door, een smalle stenen trap op. De dwerg luisterde maar half naar de kender. Hij hield Bakaris scherp in de gaten, die zich naar zijn mening iets te voorbeeldig gedroeg. Laurana had zich volledig voor haar omgeving afgesloten. Als ze al iets zei, beperkte ze zich meestal tot een scherp bevel om op te schieten.

‘Ja, natuurlijk,’ kwebbelde Tas opgewekt. ‘Ze beschouwden het als een vergissing. Ik bedoel, waarom stonden wij opeens samen met kobolden op de zwarte lijst? Kennelijk had iemand een foutje gemaakt. Maar mijn ouders vonden het onbeleefd om daarover te beginnen, dus gingen we gewoon via de zijdeur naar binnen en naar buiten. Dat was voor iedereen het gemakkelijkst. Daar zijn we. Doe die deur maar open - hij is meestal niet op slot. Oeps, voorzichtig. Een wachter. Even wachten tot hij weg is.’

Met hun rug tegen de muur gedrukt hielden ze zich in de schaduw verborgen tot de wachter voorbij was gestrompeld, half in slaap. Toen staken ze stilletjes de muur over, gingen weer een deur door en renden nog een trap af. Opeens stonden ze buiten de stad.

Ze waren alleen. Flint keek om zich heen, maar zag helemaal niets of niemand in de schemering voor de dageraad. Huiverend drukte hij zijn kin in zijn mantel. Een sluipende twijfel bekroop hem. Stel dat Kitiara de waarheid vertelde? Stel dat Tanis inderdaad bij haar was? Stel dat hij stervende was?

Boos dwong Flint zichzelf daar niet meer aan te denken. Hij hoopte bijna dat het een valstrik was. Opeens werden zijn duistere gedachten verjaagd door een barse stem, zo dichtbij dat hij ervan schrok.

‘Ben jij dat, Bakaris?’

‘Ja. Fijn je weer te zien, Gachan.’

Bevend draaide Flint zich om en zag een donkere gestalte opduiken uit de schaduw van de muur. Hij droeg een dikke mantel en wikkels om zijn handen. Het deed hem denken aan Tas’ beschrijving van de dracoon.

‘Hebben ze verder nog wapens bij zich?’ vroeg Gachan op hoge toon, zijn blik gericht op Flints strijdbijl.

‘Nee,’ antwoordde Laurana scherp.

‘Fouilleer hen,’ droeg Gachan Bakaris op.

‘Op mijn erewoord,’ zei Laurana boos. ‘Ik ben een prinses van de Qualinesti...’

Bakaris deed een stap in haar richting. ‘Elfen hebben zo hun eigen erecode,’ sneerde hij. ‘Dat zei je tenminste toen je die nacht die vervloekte pijl op me afschoot.’

Laurana bloosde, maar ze gaf geen antwoord en week geen duimbreed.

Vlak voor haar bleef Bakaris staan. Met zijn linkerhand tilde hij zijn rechterarm op en liet hem weer vallen. ‘Je hebt mijn carrière verwoest, mijn leven.’

Laurana hield haar rug recht en keek hem aan, zonder zich te verroeren. ‘Ik zei dat ik geen wapens droeg.’

‘Mij mag je wel fouilleren, als je wilt,’ bood Tasselhof aan. Uiteraard geheel toevallig ging hij tussen Bakaris en Laurana in staan. ‘Hier.’ Hij liet de inhoud van een buidel op Bakaris’ voet vallen.

‘Verdomme!’ vloekte Bakaris. Hij gaf de kender een dreun tegen zijn slaap.

‘Flint!’ zei Laurana waarschuwend, met opeengeklemde kiezen. Ze kon zien dat de dwerg rood aanliep van woede. Op haar bevel slikte hij zijn woede in.

‘Het s-spijt me, echt!’ snufte Tas, die onhandig zijn spulletjes bij elkaar raapte.

‘Als we nog langer treuzelen, hoeven we de wachters niet eens meer te roepen,’ zei Laurana kil, vastbesloten om niet te trillen onder de smerige aanraking van de man. ‘Nog even en de zon komt op, dan zien ze ons vanzelf.’

‘De elfenvrouw heeft gelijk, Bakaris,’ zei Gachan met een scherp randje aan zijn reptielenstem. ‘Pak die dwerg zijn strijdbijl af, dan kunnen we gaan.’

Met een blik op de lichter wordende horizon—en de dracoon met zijn mantel en kap — keek Bakaris Laurana een moment hatelijk aan en griste toen de strijdbijl uit de handen van de dwerg.

‘Hij vormt geen bedreiging. Wat kan zo’n oude man nou helemaal uitrichten?’ mompelde Bakaris.

‘Lopen,’ beval Gachan Laurana, zonder acht te slaan op Bakaris. ‘We gaan in de richting van dat bosje. Blijf uit het zicht en doe geen poging de wachters te alarmeren. Ik ben magiegebruiker en mijn spreuken zijn dodelijk. De Zwarte Vrouwe heeft me opgedragen u veilig bij haar te brengen, “generaal”. Over uw twee vrienden heeft ze niets gezegd.’