Ze liepen achter Gachan aan over het vlakke, open terrein voor de stadspoort naar een grote groep bomen, waarbij ze zo veel mogelijk in de schaduw bleven. Bakaris liep naast Laurana, die haar hoofd geheven hield en resoluut weigerde zijn aanwezigheid te erkennen. Zodra ze bij de bomen aankwamen wees Gachan.
‘Daar zijn onze rijdieren,’ zei hij.
‘We gaan helemaal nergens naartoe!’ zei Laurana boos. Geschrokken keek ze naar de dieren.
In eerste instantie dacht Flint dat het kleine draken waren, maar toen hij dichterbij kwam, stokte zijn adem in zijn keel.
‘Wyverns!’ verzuchtte hij.
Wyverns waren verre verwanten van draken, maar veel kleiner en lichter, en ze werden door de Drakenheren vaak gebruikt om berichten te versturen, zoals de elfenheren griffioenen gebruikten. Ze waren echter lang niet zo intelligent als draken en stonden bekend om hun wrede, onvoorspelbare karakter. De dieren in het bosje tuurden de reisgenoten met hun rode ogen aan en krulden dreigend hun schorpioenachtige staarten. Het gif op de punt van zo’n staart kon een vijand binnen enkele tellen doden.
‘Waar is Tanis?’ vroeg Laurana op hoge toon.
‘Hij gaat achteruit,’ antwoordde Gachan. ‘Als je hem wilt zien, moet je mee naar Fort Dargaard.’
‘Nee.’ Laurana deinsde terug, maar voelde toen Bakaris’ hand, die zich stevig om haar arm sloot.
‘Niet om hulp roepen,’ zei hij luchtig, ‘anders sterft een van je vrienden. Nou, het lijkt erop dat we een reisje gaan maken naar Fort Dargaard. Tanis is een dierbare vriend van me. Ik zou het vreselijk vinden als hij jullie niet meer te zien kreeg.’ Bakaris draaide zich om naar de dracoon. ‘Gachan, ga terug naar Kalaman. Laat ons weten hoe het volk reageert als het ontdekt dat zijn “generaal” verdwenen is.’
Gachan aarzelde en nam Bakaris behoedzaam op met zijn reptielenogen. Kitiara had hem gewaarschuwd dat iets dergelijks kon gebeuren. Hij dacht te weten wat Bakaris van plan was: wraak nemen. Gachan kon Bakaris best tegenhouden, dat was het punt niet. Maar de kans bestond dat een van de gevangenen er tijdens een gevecht in zou slagen te ontsnappen en hulp te halen. Ze waren naar zijn zin nog veel te dicht bij de stadsmuren. Die stomme Bakaris ook! Gachan trok een boos gezicht, maar besefte toen dat hij alleen maar kon hopen dat Kitiara maatregelen had getroffen voor het geval dit zou gebeuren. Schouderophalend troostte Gachan zichzelf met gedachten aan Bakaris’ lot wanneer hij voor de Zwarte Vrouwe moest verschijnen.
‘Zoals u wenst, commandant,’ antwoordde de dracoon gladjes. Gachan trok zich terug in de schaduw. Ze zagen zijn gemantelde gestalte van de ene boom naar de andere schieten, terug naar Kalaman. Er verscheen een gretige uitdrukking op Bakaris’ bebaarde gezicht, en de wrede lijntjes om zijn mond werden dieper.
‘Kom mee, generaal.’ Hij duwde Laurana in de richting van de wyverns.
Maar in plaats van ernaartoe te lopen, draaide ze zich met een ruk naar hem om.
‘Vertel me één ding,’ zei ze met krijtwitte lippen. ‘Is het waar? Is Tanis bij... bij Kitiara? In h-het briefje stond dat hij in Fort Vingaard was... en dat hij op sterven lag.’
Toen hij de angst in haar ogen zag — niet om zichzelf, maar om de halfelf — glimlachte Bakaris. Hij had nooit durven dromen dat wraak zo zoet zou zijn. ‘Hoe moet ik dat weten? Ik zat opgesloten in die stinkende gevangenis van jullie. Maar ik vind het moeilijk te geloven dat hij gewond is geraakt. Kit liet hem niet eens in de buurt van een gevecht komen. De enige strijd die hij levert, is de strijd der liefde...’
Laurana liet haar hoofd hangen. Quasi meelevend legde Bakaris zijn hand op haar arm. Laurana rukte zich boos los en wendde zich af, zodat hij haar gezicht niet kon zien.
‘Ik geloof er niets van!’ grauwde Flint. ‘Tanis zou nooit toestaan dat Kitiara dit deed...’
‘O, daar heb je helemaal gelijk in, dwerg,’ zei Bakaris, die heel goed wist in hoeverre zijn leugens zouden worden geloofd. ‘Hij weet hier niets van. De Zwarte Vrouwe heeft hem weken geleden al naar Neraka gestuurd om voorbereidingen te treffen voor onze audiëntie met de Koningin.’
‘Weet je, Flint,’ zei Tas ernstig, ‘Tanis was erg aan Kitiara gehecht. Weet je nog, dat feestje in de herberg van het Laatste Huis? Het was Tanis’ levenslichtdag. Naar de maatstaven van de elfen was hij meerderjarig geworden, en tjonge, wat een feest was dat! Weet je nog? Caramon kreeg een kroes bier over zich heen toen hij Dezra vastpakte. En Raistlin dronk te veel wijn, en toen ging een van zijn spreuken mis en brandde hij een gat in Otiks schort, en Kitiara en Tanis zaten samen in een hoekje naast de open haard en...’
Bakaris wierp Tas een geërgerde blik toe. De commandant wilde er liever niet aan worden herinnerd hoe hecht de band tussen Kitiara en de halfelf precies was. ‘Zeg tegen de kender dat hij zijn mond moet houden, generaal,’ grauwde Bakaris, ‘of ik voer hem aan de wyverns. De Zwarte Vrouwe zal met twee gijzelaars net zo tevreden zijn als met drie.’
‘Dus dit is een valstrik,’ zei Laurana zachtjes. Verdwaasd keek ze om zich heen. ‘Tanis is niet stervende... Hij is er niet eens. Wat ben ik een dwaas geweest...’
‘Wij gaan helemaal nergens naartoe met jou,’ verklaarde Flint. Hij zette zijn beide voeten stevig op de grond.
Bakaris nam hem koeltjes op. ‘Heb je wel eens gezien dat een wyvern iemand doodstak?’
‘Nee,’ zei Tas belangstellend, ‘maar ik heb wel een keer een schorpioen gezien. Lijkt het daarop? Niet dat ik het erop aan wil laten komen, laat dat duidelijk zijn,’ voegde de kender er stamelend aan toe toen hij Bakaris’ gezicht zag betrekken.
‘Het is heel goed mogelijk dat de wachters op de stadsmuren jullie gegil kunnen horen,’ zei Bakaris tegen Laurana, die hem aanstaarde alsof hij een taal sprak die ze niet verstond. ‘Maar dan is het al te laat.’
‘Wat ben ik een dwaas geweest...’ herhaalde Laurana zachtjes.
‘Je hoeft het maar te zeggen, Laurana,’ zei Flint koppig. ‘Dan vechten we...’
‘Nee,’ zei ze met een klein stemmetje, als van een kind. ‘Nee. Ik wil jullie leven niet op het spel zetten, niet dat van jou en Tas. Dit komt door mijn domheid. Dan zal ik er ook voor boeten. Bakaris, neem mij maar mee. Laat mijn vrienden gaan...’
‘Zo is het wel genoeg,’ zei Bakaris ongeduldig. ‘Ik laat helemaal niemand gaan.’ Hij klom op de rug van een wyvern en stak zijn hand naar haar uit. ‘Er zijn er maar twee, dus we zullen in paren moeten rijden.’
Met een uitdrukkingsloos gezicht accepteerde Laurana Bakaris’ hulp en klom op de rug van de wyvern. Hij sloeg zijn goede arm om haar heen en drukte haar grijnzend tegen zich aan.
Zodra hij haar aanraakte, kreeg haar gezicht weer een beetje kleur. Boos probeerde ze zich los te rukken uit zijn greep.
‘Zo ben je veel veiliger, generaal,’ zei Bakaris ruw in haar oor. ‘Ik zou niet willen dat je er afviel.’
Laurana beet op haar lip en staarde recht voor zich uit. Ze moest zichzelf dwingen om niet te huilen.
‘Stinken die beesten altijd zo verschrikkelijk?’ vroeg Tas, die de wyvern vol afkeer bestudeerde terwijl hij Flint hielp met opstijgen. ‘Misschien moet je ze eens vragen een bad te nemen...’
‘Pas op voor die staart,’ zei Bakaris kil. ‘De wyverns doden over het algemeen niemand tenzij ik er bevel toe geef, maar ze zijn nogal nerveus. Van de kleinste dingen raken ze van streek.’
‘O.’ Tas slikte moeizaam. ‘Het was echt niet beledigend bedoeld. Sterker nog, ik denk dat ik wel aan de geur zou kunnen wennen, na een tijdje...’
Op een teken van Bakaris spreidden de wyverns hun leerachtige vleugels en stegen op, traag omdat ze niet gewend waren aan zo’n zware last. Flint omklemde Tas stevig en hield zijn blik gericht op Laurana, die samen met Bakaris voor hen uit vloog. Af en toe zag de dwerg dat Bakaris zich tegen Laurana aan drukte, waarop zij zich terugtrok. Het gezicht van de dwerg stond grimmig.