Even kon ze niets zien door het rode waas voor haar ogen. Toen die optrok, zag ze dat Tas Bakaris omdraaide. De man was dood. Zijn ogen staarden naar de hemel en zijn gezicht was een masker van schrik en verrassing. Zijn hand lag nog om de dolk die hij in zijn eigen buik had gestoken.
‘Wat is er gebeurd?’ fluisterde Laurana, bevend van woede en walging.
‘Jij duwde hem om en toen viel hij op zijn eigen mes,’ zei Tas kalm.
‘Maar daarvoor...’
‘O, ik heb hem gestoken,’ zei Tas. Hij trok zijn mes uit de zij van de man en keek er trots naar. ‘En Caramon maar beweren dat ik er niets aan zou hebben, tenzij ik een woest konijn tegenkwam. Wacht maar tot hij dit hoort! Weet je, Laurana,’ ging hij een beetje bedroefd verder, ‘iedereen onderschat kenders altijd. Bakaris had echt mijn zakken moeten doorzoeken. Hé, dat was trouwens een leuk foefje, dat flauwvallen. Heb…’
‘Hoe gaat het met Flint?’ viel Laurana hem in de rede, want ze wilde niet denken aan die laatste paar afschuwelijke momenten. Zonder precies te weten wat ze deed en waarom, trok ze haar mantel van haar schouders en wierp die over het bebaarde gezicht. ‘We moeten hier weg.’
‘Het komt wel goed met hem,’ zei Tas met een blik op de dwerg, die kreunend zijn hoofd schudde. ‘En de wyverns dan? Denk je dat ze ons zullen aanvallen?’
‘Weet ik niet,’ zei Laurana. Behoedzaam nam ze de dieren op. Ze stonden slecht op hun gemak om zich heen te kijken, niet goed wetend wat er met hun baas was gebeurd. ‘Ik heb gehoord dat ze niet zo slim zijn. Ze zullen niet snel uit eigen beweging iets ondernemen. Misschien kunnen we, als we geen onverwachte bewegingen maken, het bos in vluchten voordat ze beseffen wat er is gebeurd. Ga Flint helpen.’
‘Kom op, Flint,’ zei Tas dringend. Hij trok aan de dwerg. ‘We moeten ontsn—’
De kender werd onderbroken door een wilde kreet, een kreet zo vervuld van doodsangst dat Tas’ haren er recht van overeind gingen staan. Toen hij opkeek, zag hij dat Laurana stond te staren naar een gestalte die naar het scheen uit de grot was opgedoken. Bij de aanblik ervan werd Tas bevangen door een afschuwelijk gevoel. Zijn hart bonkte in zijn keel, zijn handen werden ijskoud en hij kreeg geen adem.
‘Flint!’ kon hij er nog net uit persen voordat zijn keel dichtkneep.
De dwerg, die een toon in Tas’ stem opving die hij nog nooit had gehoord, ging moeizaam rechtop zitten. ‘Wat...’
Tas kon alleen maar wijzen.
Flint richtte zijn troebele ogen in de richting die Tas aanwees.
‘In Reorxnaam,’ zei de dwerg met overslaande stem, ‘wat is dat?’
De gestalte zweefde meedogenloos op Laurana af, die—in de ban van zijn magie — niets anders kon doen dan hem aanstaren. Het antieke harnas was dat van een ridder van Solamnië. Maar het was zwartgeblakerd, alsof het in het vuur had gelegen. Onder de helm gloeide een oranje licht, maar de helm zelf leek nergens op te rusten.
De gestalte stak zijn geharnaste arm uit. Flint stikte bijna van afschuw. Aan het eind van die arm zat geen hand. De ridder leek Laurana vast te grijpen met niets dan lucht. Maar ze gilde het uit van pijn en liet zich voor de angstaanjagende geestverschijning op haar knieën vallen. Ze liet het hoofd hangen en zeeg ineen, bewusteloos als gevolg van de kille aanraking. De ridder liet haar los, en ze viel slap op de grond. Vervolgens bukte hij en tilde haar op.
Tas wilde in beweging komen, maar de ridder richtte zijn vlammende oranje blik op hem en de kender kon zich niet verroeren. Hij kon slechts in de ogen van het wezen kijken. Hij noch Flint kon zijn blik afwenden, al was de afschuw die hen in zijn greep hield zo overweldigend dat de dwerg bang was dat hij gek zou worden. Alleen zijn liefde en bezorgdheid voor Laurana zorgden ervoor dat hij bij bewustzijn bleef. Keer op keer hield hij zichzelf voor dat hij iets moest doen, dat hij haar moest redden. Maar zijn bevende lichaam wilde hem niet gehoorzamen. De ridder liet zijn vlammende blik over de twee metgezellen gaan.
‘Ga terug naar Kalaman,’ klonk een holle stem. ‘Zeg dat we de elfenvrouw hebben. Morgen om het middaguur zal de Zwarte Vrouwe arriveren om de voorwaarden voor capitulatie te bespreken.’
De ridder draaide zich om en liep dwars door Bakaris’ lichaam heen. Het flakkerende harnas ging door het lijk heen alsof het er niet meer lag. Vervolgens verdween hij met Laurana in zijn armen in de donkere schaduw van het bos.
Zodra de ridder weg was, werd de betovering verbroken. Tas voelde zich zwak en misselijk en beefde over zijn hele lichaam. Flint kwam moeizaam overeind.
‘Ik ga erachteraan...’ mompelde de dwerg, al beefden zijn handen zo dat hij zijn helm nauwelijks van de grond kon oprapen.
‘N-nee,’ stamelde Tasselhof. Met een gespannen, lijkbleek gezicht keek hij de ridder na. ‘Wat dat ook voor wezen was, we kunnen er niet tegen vechten. Ik... ik was bang, Flint.’ Ellendig schudde de kender zijn hoofd. ‘Ik... Het spijt me, maar ik kan dat... dat monster niet nog een keer onder ogen komen. We moeten terug naar Kalaman. Misschien kunnen we hulp halen...’
Op een drafje rende Tas het bos in. Even bleef Flint boos en besluiteloos staan en hij keek Laurana na. Toen vertrok zijn gezicht van pijn. ‘Hij heeft gelijk,’ mompelde hij. ‘Ik kan ook niet achter dat monster aan. Wat het ook was, het was niet van deze wereld.’
Toen hij zich afwendde viel Flints blik op Bakaris, onder Laurana’s mantel. Het hart van de dwerg trok even pijnlijk samen. Zonder er acht op te slaan zei Flint plotseling heel overtuigd: ‘Hij loog over Tanis. En Kitiara ook. Hij is niet bij haar, dat weet ik zeker!’ De dwerg balde zijn vuist. ‘Ik weet niet waar Tanis is, maar op een dag zal ik hem onder ogen moeten komen en hem moeten vertellen... dat ik heb gefaald. Hij vertrouwde erop dat ik haar zou beschermen, en ik heb gefaald!’ De dwerg sloot zijn ogen. Toen hoorde hij Tas roepen. Met een zucht strompelde hij blindelings achter de kender aan, wrijvend over zijn linkerarm. ‘Hoe moet ik hem dat ooit vertellen?’ kreunde hij al rennend. ‘Hoe?’
4
Een vredig intermezzo.
‘Zo,’ zei Tanis met een boze blik op de man die kalmpjes voor hem zat, ‘nu wil ik antwoorden horen. Je hebt het schip met opzet de maalstroom ingestuurd. Waarom? Wist je dat dit oord bestond? Waar zijn we? Waar zijn de anderen?’
Berem zat voor Tanis op een houten stoel. Die was rijk bewerkt met afbeeldingen van vogels en dieren, in een stijl die onder elfen populair was. Het deed Tanis sterk denken aan de troon van Lorac in het vervloekte elfenrijk Silvanesti. De overeenkomst had niet bepaald een kalmerende uitwerking op Tanis, en Berem kromp ineen onder de boze blik van de halfelf. Met zijn handen, die te jong waren voor het lichaam van een man van middelbare leeftijd, plukte hij aan zijn sjofele broek. Hij wendde zijn blik af en keek nerveus om zich heen naar de vreemde omgeving.
‘Verdomme! Geef antwoord!’ raasde Tanis. Hij stortte zich op Berem, greep hem bij zijn hemd en sleurde hem uit zijn stoel. Toen bewogen zijn verkrampte handen naar Berems keel.
‘Tanis!’ Snel stond Goudmaan op en legde gebiedend haar hand op de arm van de halfelf. Maar die was buiten zinnen. Zijn gezicht was zo verwrongen van angst en woede dat ze hem nauwelijks herkende. Wanhopig trok ze aan zijn handen.
‘Waterwind, hou hem tegen!’
De grote Vlakteman greep Tanis bij de polsen, wrikte zijn handen los en omklemde hem met beide armen.
‘Laat hem met rust, Tanis!’
Even stribbelde de halfelf tegen, maar toen verslapte hij en haalde diep en bevend adem.
‘Hij is stom,’ zei Waterwind streng. ‘Hij kan het je niet vertellen, al zou hij het willen. Hij kan niet praten—’
‘Jawel.’
Geschrokken keek het drietal om naar Berem.
‘Ik kan wel degelijk praten,’ zei hij kalmpjes in het Gemeenschaps. Afwezig wreef hij over zijn keel, waar de afdrukken van Tanis’ vingers rood afstaken tegen zijn gebruinde huid.