‘Waarom doe je dan alsof je het niet kunt?’ vroeg Tanis zwaar ademend.
Wrijvend in zijn nek keek Berem hem aan. ‘Niemand stelt vragen aan een man die niet kan praten...’
Tanis dwong zichzelf tot bedaren te komen en daar eens even rustig over na te denken. Toen hij een vluchtige blik op Waterwind en Goudmaan wierp, zag hij dat de Vlakteman boos het hoofd schudde. Goudmaan haalde nauwelijks merkbaar haar schouders op. Uiteindelijk schoof Tanis een houten stoel bij en ging tegenover Berem zitten. Hij zag dat de rugleuning van de stoel kapot en versplinterd was, dus nam hij er voorzichtig op plaats. ‘Berem,’ zei Tanis langzaam in een poging zijn ongeduld te bedwingen, ‘je praat tegen ons. Houdt dat in dat je onze vragen wilt beantwoorden?’
Berem staarde Tanis aan en knikte, één keer.
‘Waarom?’ vroeg Tanis.
Berem likte zijn lippen en keek om zich heen. ‘Ik... Jullie moeten me helpen... hier weg te komen... Ik... ik kan hier niet blijven...’
Tanis kreeg het koud, hoewel het warm en benauwd was in de kamer. ‘Ben je in gevaar? Zijn wij in gevaar? Waar zijn we eigenlijk?’
‘Dat weet ik niet.’ Hulpeloos keek Berem om zich heen. ‘Ik weet niet waar we zijn. Ik weet alleen dat ik hier niet kan blijven. Ik moet terug!’
‘Waarom? De Drakenheren jagen op je. Een van d-de Drakenheren...’ Tanis kuchte en ging hees verder: ‘Een van hen heeft me verteld dat jij de Duistere Koningin de volledige overwinning kunt bezorgen. Hoezo, Berem? Wat heb jij dat zij willen hebben?’
‘Dat weet ik niet!’ riep Berem met gebalde vuist uit. ‘Ik weet alleen dat ze al heel lang achter me aan zitten... Jarenlang ben ik al voor hen op de vlucht. Geen rust, geen vrede.’
‘Hoe lang al, Berem?’ vroeg Tanis zachtjes. ‘Hoe lang achtervolgen ze je al?’
‘Jaren!’ antwoordde Berem verstikt. ‘Jaren... Ik weet niet precies hoe lang.’ Hij slaakte een zucht en leek zijn kalmte en onverstoorbaarheid weer te hervinden. ‘Ik ben Driehonderdtweeëntwintig jaar oud. Drieëntwintig? Vierentwintig?’ Hij haalde zijn schouders op. ‘En het grootste deel van die tijd is de Koningin al naar me op zoek.’
‘Driehonderdtweeëntwintig!’ zei Goudmaan verbijsterd. ‘Maar... maar je bent een mens! Dat is onmogelijk.’
‘Ja, ik ben een mens,’ zei Berem. Hij richtte zijn blauwe ogen op Goudmaan. ‘Ik weet dat het onmogelijk is. Ik ben ook gestorven. Meerdere keren.’ Zijn blik ging weer naar Tanis. ‘Jij hebt me zien sterven. In Pax Tharkas. Ik herkende je al toen je voor het eerst aan boord kwam.’
‘Dus je bent wel degelijk doodgegaan toen je onder de stenen bedolven werd!’ riep Tanis uit. ‘Maar tijdens het huwelijksbanket hebben we je levend gezien, Sturm en ik...’
‘Ja. Ik heb jullie ook gezien. Daarom sloeg ik op de vlucht. Ik wist... dat jullie vragen zouden stellen.’ Berem schudde zijn hoofd. ‘Hoe kon ik aan jullie uitleggen hoe ik het had overleefd? Ik weet zelf niet eens hoe dat is gebeurd. Het enige wat ik weet is dat ik sterf en dan opeens weer leef. Keer op keer.’ Hij liet zijn hoofd in zijn handen zakken. ‘Het enige wat ik wil is rust.’
Tanis wist niet wat hij hiervan moest denken. Krabbend aan zijn baard keek hij de man aan. Het was bijna zeker dat hij loog. O, niet over dat sterven en weer tot leven komen. Dat had Tanis met eigen ogen gezien. Maar hij wist zeker dat de Koningin van de Duisternis iedereen die ze in de oorlog kon missen had ingezet om deze man te vinden. Hij moest toch weten waarom?
‘Berem, hoe is die groene edelsteen, eh... in je borst terechtgekomen?’
‘Dat weet ik niet,’ antwoordde Berem zo zachtjes dat ze hem nauwelijks konden verstaan. Verlegen bracht hij zijn hand naar zijn borst, alsof hij pijn had. ‘Het maakt deel uit van mijn lichaam, net als mijn botten en mijn bloed. Ik... ik denk dat het daardoor komt dat ik telkens weer tot leven kom.’
‘Kun je hem verwijderen?’ vroeg Goudmaan vriendelijk. Ze liet zich naast Berem op een kussen zakken en legde haar hand op zijn arm.
Berem schudde zo wild zijn hoofd dat zijn grijze haar voor zijn ogen viel. ‘Ik heb het geprobeerd,’ mompelde hij. ‘Ik heb al ik weet niet hoe vaak geprobeerd hem eruit te trekken. Het is alsof ik mijn hart er uit probeer te rukken.’
Tanis huiverde, maar slaakte toen een geërgerde zucht. Hier had hij niets aan. Hij had nog steeds geen flauw idee waar ze waren. Hij had gehoopt dat Berem hun dat zou kunnen vertellen...
Opnieuw keek Tanis om zich heen. Ze bevonden zich in een kamer van wat duidelijk een oud gebouw was, die werd verlicht door een zacht, griezelig licht dat afkomstig leek van het mos dat de wanden als een tapijt bedekte. De meubels waren net zo oud als het gebouw, en ze waren beschadigd en versleten, al moesten ze ooit peperduur zijn geweest. Er waren geen ramen. Buiten was niets te horen. Ze hadden geen idee hoe lang ze hier al waren. Ze konden de tijd nergens uit afleiden; de monotonie werd slechts doorbroken als ze wat van de vreemde planten aten of onrustig sliepen.
Tanis en Waterwind hadden het gebouw verkend, maar konden geen uitgang vinden, noch een teken van leven. Tanis vroeg zich af of er soms een toverspreuk over was uitgesproken die was bedoeld om hen binnen te houden. Telkens als ze op verkenningstocht gingen, leidden de smalle, schemerig verlichte gangen hen namelijk onherroepelijk en op onverklaarbare wijze terug naar deze kamer.
Ze herinnerden zich weinig van wat er was gebeurd nadat het schip was weggezonken in de maalstroom. Tanis wist nog dat hij de houten planken had horen breken. Hij zag de mast vallen en de zeilen scheuren. Hij hoorde geschreeuw. Hij zag dat Caramon door een gigantische golf overboord werd geslagen. Hij herinnerde zich dat hij Tika’s rode krullen op het water had zien drijven, maar dat zij vervolgens ook verdween. Verder was er de draak... en Kitiara... Hij had de krassen van de drakenklauwen nog op zijn arm. Toen kwam er weer een golf... Hij herinnerde zich dat hij zijn adem had ingehouden tot hij zeker wist dat hij zou sterven van de pijn aan zijn longen. Hij wist nog dat hij dacht dat het een gemakkelijke, welkome dood zou zijn, ook al deed hij zijn uiterste best om zich aan een stuk hout vast te klampen. Hij herinnerde zich dat hij even aan het oppervlak van het kolkende water was gekomen om vervolgens meteen naar beneden te worden gezogen, en besefte dat het einde nabij was...
Maar hij was wakker geworden in deze vreemde kamer, met kleren die doorweekt waren van het zeewater, en Goudmaan, Waterwind en Berem waren bij hem.
Aanvankelijk leek Berem doodsbang voor hen te zijn. Hij zat op zijn hurken in een hoekje en liet hen niet in de buurt komen. Geduldig had Goudmaan hem toegesproken en hem eten gebracht. Langzaam maar zeker had ze hem met haar tedere zorgen voor zich ingenomen. Maar, zo erkende Tanis nu, zijn intense verlangen om hier weg te gaan speelde ook een rol.
Toen hij Berem begon te ondervragen, veronderstelde Tanis dat de man het schip de maalstroom in had gestuurd omdat hij wist dat dit oord bestond, dat hij hen hier met opzet naartoe had gebracht.
Nu was de halfelf er echter niet meer zo zeker van. Berems verwarde, angstige gezicht maakte duidelijk dat ook hij geen idee had waar ze waren. Het feit alleen al dat hij nu tegen hen praatte, gaf wel aan dat het waar was wat hij zei. Hij was wanhopig. Hij wilde hier weg. Waarom?
Tanis stond op en ijsbeerde door de kamer. ‘Berem...’ begon hij. Hij kon voelen dat Berem hem met zijn blik volgde. ‘Als je op de vlucht bent voor de Koningin van de Duisternis, lijkt dit me een ideale plaats om je schuil te houden...’
‘Nee!’ riep Berem. Hij kwam half overeind uit zijn stoel.
Met een ruk draaide Tanis zich om. ‘Waarom niet? Waarom wil je hier zo graag weg? Waarom wil je terug naar waar ze je gemakkelijk kan vinden?’
Berem kromp ineen en ging met gebogen schouders weer op zijn stoel zitten. ‘Ik... ik weet niets over dit oord. Dat zweer ik je. Ik... ik m-moet terug... Ik moet ergens naartoe... ik ben ergens naar op zoek... Tot ik het vind, zal ik geen rust vinden.’