Выбрать главу

‘Wat moet je dan verdorie vinden?’ schreeuwde Tanis. Hij voelde Goudmaans hand op zijn arm en wist dat hij als een waanzinnige tekeerging, maar wat was dit frustrerend! Ze hadden iets waar de Koningin van de Duisternis de hele wereld voor zou willen opofferen en ze wisten niet eens waarom.

‘Dat kan ik je niet vertellen,’ jammerde Berem.

Tanis ademde diep in, sloot zijn ogen en probeerde zichzelf tot bedaren te brengen. Zijn hoofd bonsde. Hij had het gevoel dat hij elk moment in duizend stukjes uiteen kon spatten. Goudmaan stond op, legde beide handen op zijn schouders en fluisterde sussende woorden die hij niet kon verstaan, behalve de naam Mishakal. Langzaam trok het afschuwelijke gevoel weg en was hij alleen nog leeg en uitgeput.

‘Goed dan, Berem,’ verzuchtte Tanis. ‘Het is al goed. Het spijt me. We zullen het er niet meer over hebben. Vertel me eens iets over jezelf. Waar kom je vandaan?’

Berem aarzelde even. Zijn ogen vernauwden zich en hij spande zijn spieren. Die merkwaardige reactie trof Tanis. ‘Ik kom uit Soelaas. En jij?’ vroeg hij nogmaals, nonchalant.

Berem keek hem behoedzaam aan. ‘Ik... ik denk niet dat je er ooit van hebt gehoord. Een... een klein dorpje in de buurt van... in de buurt van...’ Hij slikte en schraapte zijn keel. ‘Neraka.’

‘Neraka?’ Tanis keek Waterwind aan.

De Vlakteman schudde zijn hoofd. ‘Hij heeft gelijk. Daar heb ik nog nooit van gehoord.’

‘Ik ook niet,’ prevelde Tanis. ‘Jammer dat Tasselhof er niet is met zijn kaarten... Berem, waarom—’

‘Tanis!’ riep Goudmaan.

De halfelf stond op toen hij haar stem hoorde en tastte intuïtief naar het zwaard dat er niet meer was. Vagelijk herinnerde hij zich dat hij ermee had geworsteld, dat het gewicht hem onder water had getrokken. Nu vervloekte hij zichzelf omdat hij Waterwind niet bij de deur opwacht had gezet, want nu kon hij slechts staren naar de man in het rode gewaad die in de deuropening stond.

‘Hallo,’ zei de man vriendelijk in het Gemeenschaps.

Het rode gewaad deed Tanis zo sterk aan Raistlin denken dat zijn blik troebel werd. Even dacht hij dat het inderdaad Raistlin was. Toen trok het waas voor zijn ogen weg. Deze magiër was ouder, veel ouder, en hij had een vriendelijk gezicht.

‘Waar zijn we?’ vroeg Tanis bars. ‘Wie bent u? Waarom zijn we hiernaartoe gebracht?’

‘KRIAQUECH,’ zei de man vol afschuw. Hij draaide zich om en liep weg.

‘Verdomme!’ Tanis sprong op de man af met de bedoeling hem vast te grijpen en terug te sleuren. Er werd echter een krachtige hand op zijn schouder gelegd.

‘Wacht,’ zei Waterwind. ‘Rustig aan, Tanis. Hij is een magiegebruiker. Ook al had je een zwaard, dan nog kon je het niet tegen hem opnemen. We volgen hem gewoon om te zien waar hij naartoe gaat. Als hij een spreuk over dit gebouw heeft uitgesproken, moet hij hem misschien opheffen om zelf naar buiten te kunnen.’

Tanis haalde diep adem. ‘Natuurlijk je hebt gelijk.’ Hij zuchtte. ‘Het spijt me. Ik weet ook niet wat ik mankeer. Ik voel me gespannen, uitgerekt, als het vel op een trommel. We volgen hem. Goudmaan, blijf jij maar hier bij Berem...’

‘Nee!’ schreeuwde Berem. Hij sprong overeind van zijn stoel en klampte zich met zoveel kracht aan Tanis vast dat die bijna viel. ‘Laat me hier niet achter! Toe!’

‘We laten je helemaal niet achter,’ zei Tanis terwijl hij zich uit de doodsgreep van Berem probeerde te bevrijden. ‘Ach, wat maakt het ook uit. Misschien kunnen we beter bij elkaar blijven.’

Ze haastten zich de kale, smalle, verlaten gang op.

‘Daar gaat hij!’ Waterwind wees.

In het schemerige licht zagen ze nog net een puntje van het rode gewaad om de hoek verdwijnen. Zachtjes slopen ze erachteraan. De gang leidde naar een andere gang met aan weerszijden kamers.

‘Dit was er eerder nog niet,’ nep Waterwind uit. ‘Hier was altijd een muur!’

‘Een overtuigende illusie,’ mompelde Tanis.

Ze stapten de nieuwe gang in en keken nieuwsgierig om zich heen. Aan weerszijden van de lege gang waren kamers vol met dezelfde oude, slecht bij elkaar passende meubels als in hun eigen kamer. Ook deze vertrekken waren verlaten, maar overal was dezelfde merkwaardige gloed zichtbaar. Misschien was het een herberg. Zo ja, dan waren zij kennelijk de enige gasten, misschien wel de eerste gasten sinds eeuwen.

Ze liepen verder door beschadigde gangen en enorme zalen met pilaren. Ze hadden geen tijd om hun omgeving grondig te herkennen, want ze moesten de man in het rood volgen, die opmerkelijk snel en ongrijpbaar bleek te zijn. Tot twee keer toe dachten ze dat ze hem kwijt waren, maar dan vingen ze weer een glimp op van het rode gewaad, onder hen op een wenteltrap of in een aangrenzende gang.

Op één zo’n splitsing bleven ze even staan, kijkend naar de gangen aan weerszijden, hulpeloos en gefrustreerd.

We splitsen ons op,’ zei Tanis na een tijdje. ‘Maar loop niet te ver door. We komen hier terug. Als je hem ziet, Waterwind, fluit dan één keer. Dan zal ik dat ook doen.’

Knikkend glipten Waterwind en Goudmaan de ene gang in, terwijl Tanis - met Berem bijna letterlijk op zijn hielen - de andere verkende.

Hij vond niets. De gang leidde naar een grote kamer, griezelig verlicht zoals alles daar. Moest hij binnen gaan kijken of kon hij beter teruggaan? Na een korte aarzeling besloot Tanis even snel naar binnen te kijken. De kamer was leeg, afgezien van een enorme ronde tafel. En op die tafel, zag hij toen hij dichterbij kwam, lag een bijzondere landkaart.

Snel boog Tanis zich over de kaart, in de hoop daarop iets te vinden wat hem kon vertellen wat dit voor een mysterieuze plaats was, en waar die zich bevond. De kaart was een exacte maquette van de stad. Hij werd beschermd door een kristallen koepel en was zo gedetailleerd dat Tanis het merkwaardige gevoel kreeg dat de stad onder het kristal echter was dan de stad waarin hij rondliep.

Jammer dat Tas er niet is, dacht hij weemoedig. Hij stelde zich voor hoe opgetogen de kender zou zijn.

De architectuur van de gebouwen was oud en klassiek: sierlijke torenspitsen reikten naar de kristallen hemel, het licht schitterde op de witte koepels. Stenen bogen overspanden groene boulevards. De straten vormden een groot spinnenweb en leidden rechtstreeks naar het hart van de stad.

Tanis voelde dat Berem nerveus aan zijn mouw plukte en gebaarde dat ze moesten weggaan. Hoewel hij kon praten, was het wel duidelijk dat de man gewend was aan stilzwijgen en er misschien zelfs de voorkeur aan gaf.

‘Ja, heel even nog,’ zei Tanis, die eigenlijk niet weg wilde. Hij had niets van Waterwind gehoord, en de kans was groot dat ze met deze kaart de weg naar buiten konden vinden.

Hij boog over het glas heen om de maquette grondiger te bestuderen. Rond het middelpunt van de stad stonden grote paviljoens en paleizen met zuilengangen. Glazen koepels beschermden zomerbloemen tegen de winterse sneeuw. Precies in het midden van de stad verrees een gebouw dat Tanis bekend voorkwam, ook al wist hij dat hij hier nog nooit van zijn leven was geweest. Toch herkende hij het. Terwijl hij het bestudeerde en zijn geheugen afzocht, gingen zijn nekharen overeind staan.

Het leek een tempel voor de goden. En het was het mooiste gebouw dat hij ooit had gezien, mooier nog dan de Zonnetoren en de Sterrentoren in de twee elfenrijken. Zeven torens reikten naar de hemel, alsof ze de goden loofden om hun schepping. De middelste toren stak ver boven de rest uit, alsof hij de goden niet loofde, maar hen naar de kroon stak. Er kwamen verwarde herinneringen bij hem boven aan zijn elfenleraren, die hem verhalen hadden verteld over de Catastrofe, over de Priesterkoning. ..

Tanis’ adem stokte in zijn keel, en hij liep achterwaarts bij de maquette vandaan. Berem staarde hem met een wit gezicht van schrik aan.

‘Wat is er?’ kraste hij angstig met zijn beide handen om Tanis’ arm.

De halfelf schudde zijn hoofd. Hij kon geen woord uitbrengen. Het afschuwelijke besef waar ze waren, wat er gaande was en wat dat betekende overspoelde hem als het woeste rode water van de Bloedzee.

Verward keek Berem naar het midden van de kaart. Hij sperde zijn ogen open en slaakte een ijselijke kreet die Tanis nog nooit uit een mensenkeel had horen komen. Opeens stortte Berem zich op de kristallen koepel en sloeg erop alsof hij er geen spaan van heel wilde laten.