‘De Doemstad!’ kreunde Berem. ‘De Doemstad!’
Tanis wilde op hem aflopen om hem te sussen, maar op dat moment hoorde hij Waterwinds schrille fluitje. Hij greep Berem vast en sleurde hem bij de kaart vandaan. ‘Ik weet het,’ zei hij. ‘Kom, we moeten hier weg.’
Maar hoe? Hoe kwam je weg uit een stad die volgens de verhalen van Krynn was weggevaagd? Hoe kwam je weg uit een stad die op de bodem van de Bloedzee moest liggen? Hoe kwam je weg uit...
Terwijl hij Berem door de deur van de kaartenkamer naar buiten duwde, wierp Tanis een blik op de muur boven de deur. In het verbrokkelde marmer waren woorden gekerfd. Woorden die ooit een van de wereldwonderen hadden beschreven. Woorden waarvan de letters nu gebarsten waren en bedekt met mos. Maar ze waren nog leesbaar.
WELKOM, O EDELE BEZOEKER, IN ONZE PRACHTIGE STAD.
WELKOM IN DE GELIEFDE STAD VAN DE GODEN.
WELKOM, GEËERDE GAST, IN
ISTAR.
5
‘Ik heb hem al eens gedood…’
‘Ik zie toch wat u met hem doet! Uprobeert hem te vermoorden!’ schreeuwde Caramon tegen Par-Salian, hoofd van de enig overgebleven Toren van de Hoge Magie in het vreemde, onwerkelijke woud van Wayreth en daarmee de hoogst geplaatste in de orde van de magiegebruikers die op dat moment op Krynn leefden.
De twintigjarige krijger had het gevoel dat hij de verschrompelde oude man in het sneeuwwitte gewaad met blote handen doormidden kon breken. Hij had de afgelopen twee dagen veel over zich heen laten gaan, maar nu was zijn geduld op.
‘Wij houden ons niet bezig met moord,’ zei Par-Salian met zijn zachte stem. ‘Je broer wist wat hem te wachten stond toen hij ermee instemde deze Proeve af te leggen. Hij wist dat hem de dood wachtte als hij faalde.’
‘Dat heeft hij niet echt beseft,’ mompelde Caramon. Hij streek over zijn ogen. ‘En anders kon het hem niet schelen. Soms vertroebelt zijn... zijn liefde voor de magie zijn geest.’
‘Liefde? Nee.’ Par-Salian glimlachte bedroefd. ‘Ik geloof niet dat we het liefde kunnen noemen.’
‘Wat maakt het uit,’ mopperde Caramon. ‘Hij besefte helemaal niet wat u hem zou aandoen. Het is allemaal zo verrekte serieus...’
‘Natuurlijk,’ antwoordde Par-Salian mild. ‘Wat zou er met jou gebeuren, krijger, als je het strijdperk betrad zonder te weten hoe je met je zwaard moest omgaan?’
Caramon trok een boos gezicht. ‘Nou niet van onderwerp veranderen...’
‘Wat zou er dan gebeuren?’ hield Par-Salian vol.
‘Dan zou ik worden gedood,’ zei Caramon op de overdreven geduldige toon die je gebruikt tegen een ouder iemand die een beetje aan het verkindsen is. ‘Maar—’
‘En dat niet alleen,’ onderbrak Par-Salian hem, ‘je kameraden, die op je vertrouwden, zouden ook kunnen sterven als gevolg van jouw onbekwaamheid, nietwaar?’
‘Ja,’ zei Caramon ongeduldig, klaar om verder te gaan met zijn tirade. Toen viel het muntje en zweeg hij.
‘Je begrijpt waar ik op doel,’ zei Par-Salian vriendelijk. ‘We nemen niet iedereen die magie gebruikt deze Proeve af. Er zijn er voldoende met de gave, die hun leven lang tevreden zijn met de basisspreuken die ze op school leren. Daar hebben ze in hun dagelijks leven genoeg aan, en meer willen ze ook niet. Maar soms staat er iemand als jouw broer op. Voor hem is de gave meer dan een hulpmiddel om zichzelf het leven gemakkelijker te maken. Voor hem staat de gave gelijk aan het leven. Hij streeft naar meer. Hij streeft naar kennis en macht die gevaarlijk kunnen zijn, niet alleen voor de gebruiker maar ook voor degenen om hem heen. Daarom dwingen we alle magiegebruikers die willen doordringen tot het niveau dat echte macht behelst de Proeve af te leggen, zich eraan te onderwerpen. Zo scheiden we het kaf van het koren...’
‘U hebt uw uiterste best gedaan om Raistlin van het koren te scheiden!’ grauwde Caramon. ‘Hij is niet onbekwaam, maar zijn gezondheid is zwak en nu is hij gewond, misschien zelfs stervende.’
‘Nee, hij is niet onbekwaam. Integendeel zelfs. Je broer heeft zich uitstekend geweerd, krijger. Al zijn vijanden heeft hij verslagen. Hij heeft zich heel professioneel opgesteld. Bijna té professioneel.’ Par-Salian keek bedachtzaam. ‘Ik vraag me af of er soms iemand belangstelling heeft gekregen voor je broer.’
‘Ik zou het niet weten.’ Caramons stem klonk bars en vastberaden. ‘En het kan me ook niet schelen. Het enige wat ik weet is dat ik hier een eind aanga maken. En wel nu.’
‘Dat kan niet. Dat kunnen we je niet toestaan. Hij is niet stervende—’
‘Ukunt me niet tegenhouden,’ verklaarde Caramon kil. ‘Magie! Trucjes om kinderen zoet te houden. Echte macht. Ha! Daar hoef je je leven niet voor op te offeren...’
‘Daar denkt je broer anders over,’ zei Par-Salian zachtjes. ‘Zal ik je laten zien hoezeer hij in zijn magie gelooft? Zal ik je echte macht laten zien?’
Zonder acht te slaan op de oude magiër deed Caramon een stap naar voren, vastbesloten om een eind te maken aan de lijdensweg van zijn broer. Die stap was echter zijn laatste, voorlopig althans. Hij ontdekte dat hij niet meer kon bewegen, aan de grond genageld was alsof zijn voeten waren vastgevroren. Caramon werd bang. Hij was nog nooit eerder in de ban van een betovering geweest, en de hulpeloosheid die hij voelde nu een ander hem volledig in zijn macht had was angstaanjagender dan een bataljon kobolden met strijdbijlen.
‘Kijk goed.’ Op zangerige toon sprak Par-Salian vreemde woorden uit. ‘Ik zal je een visioen tonen van wat er zou kunnen gebeuren...’
Opeens zag Caramon zichzelf de Toren van de Hoge Magie betreden. Verbijsterd knipperde hij met zijn ogen. Hij liep de deur door, de griezelige gang in. Het beeld was zo realistisch dat Caramon geschrokken naar zijn eigen lichaam keek en half verwachtte dat hij er niet meer was. Maar hij was er nog wel. Hij leek op twee plaatsen tegelijk te zijn. Echte macht. De krijger begon te zweten, maar tegelijk liepen er koude rillingen over zijn rug.
Caramon — de Caramon in de Toren — zocht naar zijn broer. De ene na de andere lege gang liep hij door, Raistlins naam roepend. En uiteindelijk vond hij hem.
De jonge magiër lag op de koude stenen vloer. Bloed sijpelde uit zijn mond. Naast hem lag een zwarte elf die hij met zijn magie had gedood. Maar tegen een verschrikkelijke prijs. De jonge magiër leek zelf ook op het randje van de dood te zweven.
Caramon rende op zijn broer af en tilde met zijn sterke armen diens frêle lichaam op. Zonder acht te slaan op Raistlins wanhopige smeekbedes om hem met rust te laten wilde de krijger zijn tweelingbroer de boze Toren uit dragen. Hij zou Raistlin uit dit oord bevrijden, al was het het laatste wat hij deed.
Maar zodra ze de deur bereikten die naar buiten leidde, verscheen er voor hen een geestverschijning. Alweer een proeve, dacht Caramon grimmig. Nou, deze hoeft Raistlin voor de verandering eens niet af te leggen. Voorzichtig legde de krijger zijn broer op de grond, waarna hij zich omdraaide om deze laatste uitdaging het hoofd te bieden.
Wat er toen gebeurde sloeg helemaal nergens op. De Caramon die toekeek knipperde verbijsterd met zijn ogen. Hij zag zichzelf een betovering uitspreken. Hij had zijn zwaard laten vallen, hield nu vreemde voorwerpen in zijn handen en sprak woorden die hij helemaal niet begreep. Bliksemflitsen schoten uit zijn handen. De geestverschijning verdween met een schrille kreet.
De echte Caramon keek verwilderd naar Par-Salian, maar de magiër schudde slechts zijn hoofd en wees zonder iets te zeggen naar het beeld dat voor Caramon in de lucht zweefde. Bang en verward richtte de krijger zijn blik er weer op.
Hij zag dat Raistlin langzaam overeind kwam.
‘Hoe deed je dat?’ vroeg Raistlin, die met zijn rug tegen de muur ging zitten.
Dat wist Caramon niet. Hoe was het mogelijk dat hij zomaar iets kon waar zijn broer jaren op had gestudeerd? Maar de krijger hoorde zichzelf zonder aarzeling een verklaring geven. Hij zag ook de uitdrukking van pijn en ontzetting op het gezicht van zijn broer.