‘Nee, Raistlin!’ riep de echte Caramon. ‘Het is een list! Een list van deze oude man! Dat kan ik helemaal niet! Ik zou nooit je magie van je stelen. Nooit!’
Maar de onechte Caramon liep zwierig en brutaal op zijn ‘kleine’ broertje af om hem van zichzelf te ‘redden’.
Raistlin hief zijn handen op naar zijn broer. Maar niet om hem te omhelzen, nee. De jonge magiër, ziek, gewond en volkomen verteerd door jaloezie, sprak de woorden van de enige spreuk, de laatste spreuk die hij nog kon opbrengen.
Vlammen laaiden op uit Raistlins handen en omhulden zijn broer.
Vol afschuw, te verbijsterd om iets te zeggen, keek Caramon toe terwijl zijn onechte ik door het vuur werd verteerd... en zijn broer op de koude stenen vloer zeeg.
‘Nee! Raist...’
Koele, tedere handen raakten zijn gezicht aan. Hij hoorde stemmen, maar de woorden waren betekenisloos. Hij kon ze wel begrijpen als hij wilde, maar dat wilde hij niet. Zijn ogen waren gesloten. Hij kon ze wel openen, maar dat weigerde hij. Als hij zijn ogen opendeed en naar die woorden luisterde zou de pijn alleen maar reëler worden.
‘Ik moet rusten,’ hoorde Caramon zichzelf zeggen, en hij zonk weer weg in de duisternis.
Hij naderde alweer een toren, een andere toren. De Sterrentoren in Silvanesti. Raistlin was bij hem, alleen droeg die nu de Zwarte Mantel. En nu was het Raistlins beurt Caramon te helpen. De grote krijger was gewond. Bloed gutste gestaag uit een grote speerwond in zijn arm, die er bijna was afgerukt.
‘Ik moet rusten,’ zei Caramon opnieuw.
Voorzichtig legde Raistlin hem neer, zorgde hij ervoor dat hij goed zat, met zijn rug tegen het koude steen van de toren. Toen wilde Raistlin weggaan.
‘Raist! Niet doen,’ riep Caramon. ‘Je kunt me hier niet achterlaten.’
Als hij om zich heen keek, zag de gewonde, hulpeloze krijger honderden van de ondode elfen die hen in Silvanesti hadden aangevallen, klaar om hem te bespringen. Eén ding slechts hield hen tegen: de magische kracht van zijn broer.
‘Raist! Laat me niet alleen!’ gilde hij.
‘Hoe voelt het om zwak en alleen te zijn?’ vroeg Raistlin zachtjes.
‘Raist! Mijn broer...’
‘Ik heb hem al eens gedood, Tanis. Dan kan ik het nu ook.’
‘Raist! Nee! Raist!’
‘Caramon, toe...’ Een andere stem. Een tedere stem. Zachte handen raakten hem aan.
‘Caramon, toe. Word wakker. Kom terug, Caramon. Kom bij me terug. Ik heb je nodig.’
Nee! Caramon duwde die stem weg. Hij duwde de zachte handen weg. Nee, ik wil niet terugkomen. Dat doe ik niet. Ik ben moe. Ik heb pijn. Ik wil rusten.
Maar de handen en de stem gunden hem geen rust. Ze grepen hem vast en trokken hem weg uit de diepte waarin hij wilde wegzakken.
Maar nu viel hij, steeds dieper in een afschuwelijke, rode duisternis. Skeletachtige vingers grepen naar hem, oogloze hoofden tolden om hem heen, hun mond opengesperd in een geluidloze kreet. Hij ademde diep in en zonk weg in bloed. Worstelend, half stikkend wist hij zich terug te vechten naar het oppervlak om nog één keer adem te halen. Raistlin! Maar nee, die is er niet meer. Zijn vrienden. Tanis. Ook weg. Hij zag hoe hij werd meegesleurd. Het schip. Weg. Doormidden gebroken. Verminkte zeelui wier bloed zich vermengde met de bloedrode zee.
Tika! Zij was dicht bij hem. Hij trok haar tegen zich aan. Ze hapte naar adem. Maar hij kon haar niet vasthouden. Het kolkende water rukte haar uit zijn armen en trok hem naar beneden. Deze keer kon hij het oppervlak niet meer terugvinden. Zijn longen brandden, stonden op knappen. De dood... rust... zoete, warme...
Maar telkens weer die handen! Handen die hem naar het afschuwelijke oppervlak trokken. Die hem dwongen de brandende lucht in te ademen. Nee, laat me gaan!
Daarna andere handen die uit het bloedrode water kwamen. Stevige handen die hem onder water trokken. Hij viel... steeds dieper... in de genadige duisternis. Gefluisterde magische woorden susten hem, hij ademde... ademde water... zijn ogen waren dicht,.. het water was warm en troostend... Hij was weer een kind.
Maar niet compleet. Zijn tweelingbroer was er niet.
Nee! Ontwaken was een kwelling. Hij wilde liever voorgoed ronddwalen in die duistere droom. Dat was beter dan de scherpe, bittere pijn.
Maar de handen trokken aan hem. De stem riep hem.
‘Caramon, ik heb je nodig...’
Tika.
‘Ik ben geen priester, maar ik denk dat het nu wel goed komt met hem. Laat hem maar even slapen.’
Snel veegde Tika haar tranen af, zodat ze sterk en beheerst zou lijken.
‘Wat... wat was er met hem?’ dwong ze zichzelf kalm te vragen, al kon ze een huivering niet onderdrukken. ‘Is hij gewond geraakt toen het schip... de waterkolk in voer? Hij is nu al dagen zo. Al sinds u ons hebt gevonden.’
‘Nee, dat denk ik niet. Als hij gewond was geweest, hadden de zee-elfen hem wel genezen. Dit was iets in zijn binnenste. Wie is die “Raist” over wie hij het telkens heeft?’
‘Zijn tweelingbroer,’ zei Tika aarzelend.
‘Wat is er met hem gebeurd? Is hij gestorven?’
‘Nee... nee. Ik... ik weet niet precies wat er is gebeurd. Caramon hield heel veel van zijn broer en hij... Raistlin heeft hem verraden.’
‘Op die manier.’ De man knikte ernstig. ‘Dat gebeurt soms, daarboven. En dan vraag jij je nog af waarom ik liever hierbeneden woon.’
‘U hebt zijn leven gered,’ zei Tika. ‘En ik ken u niet eens... Ik weet niet eens hoe u heet.’
‘Zebulah,’ antwoordde de man glimlachend. ‘En ik heb zijn leven niet gered. Hij is teruggekomen vanwege zijn liefde voor jou.’
Tika boog het hoofd, zodat haar gezicht schuilging achter haar rode krullen. ‘Ik hoop het,’ fluisterde ze. ‘Ik hou ontzettend veel van hem. Ik zou mijn leven geven om hem te redden.’
Nu ze zeker wist dat alles goed zou komen met Caramon, richtte ze haar aandacht op die vreemde man. Ze zag dat hij van middelbare leeftijd was, met een gladgeschoren gezicht en ogen die net zo groot en oprecht waren als zijn glimlach. Hij was een mens en droeg een rood gewaad. Aan zijn riem bungelden buidels.
‘U bent een magiegebruiker,’ zei Tika opeens. ‘Net als Raistlin.’
‘Aha, dat verklaart alles.’ Zebulah glimlachte. ‘Toen die jongeman mij in zijn halfbewusteloze toestand zag, moest hij aan zijn broer denken.’
‘Maar wat doet u hier?’ Tika blikte om zich heen naar haar vreemde omgeving, waar ze tot op dat moment nauwelijks aandacht aan had geschonken.
Natuurlijk had ze het wel gezien toen de man haar hiernaartoe had gebracht, maar toen was ze zo bezorgd dat er niets tot haar was doorgedrongen. Nu besefte ze dat ze zich in een kamer van een beschadigd, bouwvallig gebouw bevond. Het was er warm en benauwd. In de vochtige lucht tierden de planten welig.
Er stonden wel wat meubels, maar die waren net zo oud en beschadigd als de kamer waarin ze lukraak waren neergezet. Caramon lag op een bed met drie poten, en de vierde hoek was gestut met een stapel oude, bemoste boeken. Dunne straaltjes water sijpelden als piepkleine slangetjes over een stenen muur die glom van het vocht. Alles glom feitelijk van het vocht, en het reflecteerde het bleke, griezelige, groene licht dat afkomstig was van het mos op de muur. Overal groeide mos, in alle soorten en maten: donkergroen, goudgeel, koraalrood. Het bedekte de muren en kroop over het gewelfde plafond.
‘Wat doe ik eigenlijk hier?’ prevelde ze. ‘En waar ben ik?’
‘Je bent... Tja, hier, zou je kunnen zeggen,’ antwoordde Zebulah vriendelijk. ‘De zee-elfen hebben je gered van de verdrinkingsdood, en ik heb je hiernaartoe gebracht.’
‘Zee-elfen? Ik heb nog nooit van zee-elfen gehoord,’ zei Tika. Nieuwsgierig blikte ze om zich heen, alsof er elk moment een uit een kast kon komen. ‘En ik kan me niet herinneren dat ik door elfen ben gered. Het enige wat ik me kan herinneren is dat er een soort heel grote, vriendelijke vissen waren...’
‘O, je hoeft niet om je heen te kijken op zoek naar zee-elfen. Je ziet ze toch niet. Ze vrezen en wantrouwen KriaQUECH - “luchtademers” in hun taal. En die vissen waren de zee-elfen, in de enige vorm waarin ze zich aan de KriaQUECH vertonen. Dolfijnen zouden jullie ze noemen.’