Caramon bewoog en kreunde in zijn slaap. Tika legde sussend haar hand op zijn voorhoofd en streek zijn vochtige haar weg.
‘Waarom hebben ze ons dan gered?’ vroeg ze.
‘Ken je elfen, landelfen?’ vroeg Zebulah.
‘Ja,’ antwoordde Tika zachtjes, denkend aan Laurana.
‘Dan weet je ook dat voor alle elfen het leven heilig is.’
‘Ik begrijp het.’ Tika knikte. ‘En net als de landelfen keren ze de wereld de rug toe in plaats van te helpen.’
‘Ze doen wat ze kunnen om te helpen,’ berispte Zebulah haar streng. ‘Lever geen kritiek op wat je niet begrijpt, jongedame.’
‘Neem me niet kwalijk,’ zei Tika blozend. Ze veranderde van onderwerp. ‘Maar u, u bent mens. Waarom...’
‘Waarom woon ik hier? Ik heb geen tijd en geen zin om jou mijn verhaal te vertellen, want het is me wel duidelijk dat jij me ook niet zou begrijpen. Net zomin als de anderen.’
Tika’s adem stokte in haar keel. ‘Zijn er dan anderen? Hebt u nog meer mensen gezien van ons schip? Onze vrienden?’
Zebulah haalde zijn schouders op. ‘Er zijn hier altijd anderen. De ruïnes strekken zich over een groot oppervlak uit, en in veel ervan zit nog wat lucht. Degenen die we redden brengen we naar de dichtstbijzijnde woning. Wat je vrienden betreft: ik zou het niet weten. Als ze samen met jullie op het schip zaten, zijn ze waarschijnlijk verdronken. De zee-elfen hebben een passende ceremonie gehouden voor de doden en hun ziel de weg gewezen.’ Zebulah stond op. ‘Ik ben blij dat je jongeman het heeft overleefd. Er is hier meer dan genoeg te eten. De meeste planten die je ziet zijn eetbaar. Dwaal rond door de ruïnes als je wilt. Ik heb er een betovering over uitgesproken, zodat je niet per ongeluk in de zee terechtkomt en verdrinkt. Richt het huis in. Je kunt nog meer meubels vinden—’
‘Maar wacht nou!’ riep Tika uit. ‘We kunnen hier niet blijven. We moeten terug naar de oppervlakte. Er is toch zeker wel een uitweg?’
‘Dat vragen ze me allemaal,’ zei Zebulah met iets van ongeduld. ‘En eerlijk gezegd ben ik het met hen eens. Er moet een uitweg zijn. Het lijkt erop dat sommigen er ook een vinden. Maar er zijn er ook die - net als ik - besluiten dat ze niet weg willen. Ik heb verschillende goede vrienden die hier al jaren zijn. Maar ga zelf maar kijken. Loop lekker rond. Maar blijf wel in de delen van de ruïnes die we hebben geordend.’ Hij draaide zich om naar de deur.
‘Wacht! Niet weggaan!’ Tika sprong overeind, struikelde over de gammele stoel waar ze op had gezeten en rende achter de in het rood geklede magiegebruiker aan. ‘Misschien ziet u mijn vrienden nog. Dan kunt u hun vertellen...’
‘O, dat betwijfel ik,’ antwoordde Zebulah. ‘Eerlijk gezegd — en het is niet als belediging bedoeld, jongedame — heb ik er genoeg van om met je te praten. Hoe langer ik hier woon, des te meer erger ik me aan KriaQUECH als jij. Jullie hebben altijd maar haast. Willen nooit lang op één plek blijven. Jij en je jongeman zouden in deze wereld veel gelukkiger zijn dan daarboven. Maar nee, je zet nog liever je leven op het spel om een uitweg te vinden. En wat wacht je daar? Verraad.’ Hij keek over zijn schouder naar Caramon.
‘Er is daarboven een oorlog gaande!’ riep Tika hartstochtelijk. ‘De mensen lijden. Kan dat u niets schelen?’
‘Daarboven lijden altijd mensen,’ zei Zebulah. ‘Daar kan ik niets aan doen. Nee, het kan me niets schelen. Wat levert het immers op als je om mensen geeft? Wat heeft het hem opgeleverd?’ Met een boos gebaar naar Caramon draaide Zebulah zich om en vertrok. Hij sloeg de krakkemikkige deur met een klap achter zich dicht.
Onzeker staarde Tika naar de deur. Ze vroeg zich af of ze niet naar buiten moest rennen, de man in zijn kraag moest vatten en hem niet meer uit het oog moest verliezen. Het leek erop dat hij de enige schakel was met de wereld daarboven. Al wist ze niet eens waar ze hierbeneden precies was...
‘Tika...’
‘Caramon!’ Zebulah was vergeten toen Tika naar de krijger toe rende, die moeizaam overeind kwam.
‘Waar zijn we, in de naam van de Afgrond?’ vroeg hij terwijl hij met grote ogen om zich heen keek. ‘Wat is er gebeurd? Het schip...’
‘Ik... ik weet het niet precies,’ stamelde Tika. ‘Voel je je goed genoeg om rechtop te zitten? Misschien kun je beter nog even gaan liggen...’
‘Ik mankeer niks,’ snauwde Caramon. Hij voelde haar ineenkrimpen onder zijn barse antwoord en sloeg schuldbewust zijn armen om haar heen. ‘Het spijt me, Tika. Vergeef me. Het is gewoon zo... Ik...’ Hij schudde zijn hoofd.
‘Ik begrijp het wel,’ zei Tika zachtjes. Met haar hoofd tegen zijn borst vertelde ze hem over Zebulah en de zee-elfen. Caramon luisterde en knipperde verward met zijn ogen terwijl hij het allemaal trachtte te bevatten. Boos richtte hij zijn blik op de deur.
‘Was ik maar bij kennis geweest,’ mompelde hij. ‘Die Zebulah weet hoogstwaarschijnlijk best hoe we hier weg kunnen komen. Ik had hem kunnen dwingen het ons te laten zien.’
‘Dat betwijfel ik,’ zei Tika weifelend. ‘Hij is een magiegebruiker, net als...’ Snel hield ze haar mond. Toen ze de pijn in Caramons ogen zag, kroop ze nog dichter tegen hem aan en streelde zijn gezicht.
‘Weet je, Caramon,’ zei ze zachtjes, ‘in zekere zin heeft hij gelijk. We zouden hier inderdaad gelukkig kunnen zijn. Besef je dat dit de eerste keer is dat we alleen zijn? Ik bedoel, echt alleen maar met z’n tweetjes? En het is hier stil en vredig en eigenlijk ook wel mooi. De gloed van het mos is zacht en een beetje griezelig, niet zo hard en fel als zonlicht. En moet je het water horen kabbelen. Alsof het ons toezingt. En dan is er nog al dat oude meubilair, en dit gekke bed...’
Tika hield op met praten. Ze voelde Caramons armen om zich heen verstrakken. Zijn lippen streken over haar haren. Haar liefde voor hem golfde door haar heen, tot het leek of haar hart zou blijven stilstaan van pijn en verlangen. Snel sloeg ze haar armen om hem heen en drukte hem tegen zich aan, zodat ze zijn hart tegen het hare voelde kloppen.
‘O, Caramon!’ fluisterde ze ademloos. ‘Laten we gelukkig zijn! Toe. Ik... ik weet dat... dat we vroeg of laat weer weg moeten. We moeten de anderen zien te vinden en de weg terugvinden naar de wereld boven water. Maar laten we nu even samen zijn.’
‘Tika!’ Caramon drukte haar tegen zich aan alsof hij hun lichamen wilde laten versmelten tot één levend wezen. ‘Tika, ik hou van je. Ik... ik heb ooit tegen je gezegd dat ik je pas tot de mijne kan maken als ik me volledig aan je kan wijden. En dat kan ik niet. Nog niet.’
‘Jawel!’ zei Tika fel. Ze duwde zich van hem af, zodat ze hem in de ogen kon kijken. ‘Raistlin is weg, Caramon. Je kunt nu je eigen leven bepalen.’
Teder schudde Caramon zijn hoofd. ‘Raistlin maakt nog steeds deel van me uit. Dat zal altijd zo blijven, net zo goed als ik altijd deel van hem zal uitmaken. Begrijp je dat?’
Nee, dat begreep ze niet, maar ze knikte toch maar, met gebogen hoofd.
Glimlachend ademde Caramon hortend in. Toen legde hij zijn vingers onder haar kin en tilde haar hoofd op. Haar ogen waren prachtig, dacht hij. Groen met bruine vlekjes. Nu glansden ze van de tranen. Haar huid was bruin van het buitenleven, en ze had meer sproetjes dan ooit. Daar schaamde ze zich voor. Ze zou zeven jaar van haar leven hebben gegeven voor een smetteloze huid als die van Laurana. Maar Caramon hield van elke sproet, en van de dikke rode krullen die aan zijn handen bleven hangen.
Tika zag de liefde in zijn ogen. De adem stokte haar in de keel. Hij trok haar naar zich toe. Zijn hart begon sneller te kloppen toen hij fluisterde: ‘Ik zal je geven wat ik kan, Tika, als je daar genoegen mee neemt. Omwille van jou zou ik willen dat het meer was.’
‘Ik hou van je,’ was het enige wat ze kon uitbrengen. Ze legde haar handen in zijn nek.
Hij wilde zeker weten dat ze het begreep. ‘Tika...’ begon hij.