Выбрать главу

‘Sst, Caramon.’

6

Apoletta.

Na een lange achtervolging door de straten van een stad waarvan de geruïneerde schoonheid een kwelling was voor Tanis, betraden ze een van de prachtige paleizen in het centrum. Door een verdorde tuin renden ze een gang in en een hoek om, waar ze bleven staan. De man in het rode gewaad was nergens te bekennen.

‘Trap!’ zei Waterwind opeens. Nu zijn ogen gewend raakten aan het vreemde licht, zag Tanis dat ze boven aan een marmeren trap stonden die zo steil was dat ze hun prooi uit het oog hadden verloren. Toen ze gehaast de overloop opliepen, zagen ze ver onder zich het rode gewaad wapperen.

‘Blijf in de schaduw bij de muur,’ zei Waterwind waarschuwend, met een gebaar naar de rand van de trap, die breed genoeg was voor vijftig man naast elkaar.

De vervaagde en gebarsten muurschilderingen waren nog altijd zo schitterend en levensecht dat Tanis even dacht dat de mensen die erop afgebeeld waren meer leven in zich hadden dan hij. Misschien hadden sommigen van hen hier wel gestaan toen de vuurberg insloeg in de tempel van de Priesterkoning...

Nadat ze ongeveer twintig treden naar beneden waren gerend, kwamen ze uit op een brede overloop, versierd met levensgrote standbeelden van zilver en goud. Van daaruit liep de trap verder naar beneden, naar een nieuwe overloop en nog een trap, enzovoorts, tot ze allemaal uitgeput en buiten adem waren. Nog steeds zagen ze voor zich uit het wapperende rode gewaad.

Opeens merkte Tanis dat er iets veranderd was. Het werd vochtiger en het rook sterk naar de zee. Als hij goed luisterde, hoorde hij vaag het kabbelen van water tegen steen. Hij voelde dat Waterwind een hand op zijn arm legde en hem terug de schaduw introk. Ze hadden bijna de voet van de trap bereikt. De man in het rood was er al en tuurde in een donkere poel die zich vóór hem uitstrekte in een enorme, schemerige grot.

De man in het rood knielde bij het water neer. Toen pas besefte Tanis dat er nog iemand was, in het water. Hij zag haren glanzen in het licht van de toortsen; het had een ietwat groene gloed. Twee slanke, blanke armen rustten op de onderste trede van de trap, maar de rest van het lichaam bevond zich onder water. Het hoofd rustte op de armen, volkomen ontspannen. De man in het rood stak zijn hand uit en raakte de persoon in het water zachtjes aan. Het hoofd werd opgetild.

‘Je hebt me laten wachten,’ klonk een berispende vrouwenstem.

Tanis schrok. De vrouw sprak elfs. Nu zag hij haar gezicht, de grote, glanzende ogen, de spitse oren, de fijne gelaatstrekken...

Een zee-elf.

Flarden van verhalen uit zijn jeugd kwamen naar boven terwijl hij probeerde het gesprek te volgen tussen de man in het rood en de elfenvrouw, die teder naar hem glimlachte.

‘Neem me niet kwalijk, liefste,’ zei de man in het rood sussend in het elfs. Hij ging naast haar zitten. ‘Ik ben even gaan kijken hoe de jongeman het maakte over wie je zo bezorgd was. Het komt nu wel goed met hem. Maar het scheelde niet veel. Je had gelijk. Hij wilde heel graag dood. Het had iets te maken met zijn broer — een magiegebruiker — die hem heeft verraden.’

‘Caramon,’ prevelde Tanis. Waterwind keek hem vragend aan. De Vlakteman kon het gesprek in het elfs uiteraard niet volgen. Tanis schudde zijn hoofd, want hij wilde geen woord missen van wat er werd gezegd.

‘QueaKi’ iGKeecx,’ zei de vrouw vol minachting. Dat bracht Tanis in verwarring. Het was zeker geen elfs woord.

‘Inderdaad.’ De man fronste. ‘Nadat ik had gekeken of die twee veilig waren, ben ik bij een paar anderen gaan kijken. Een van hen, een kerel met een baard, een halfelf, sprong op me af alsof hij me met huid en haar wilde verslinden. De anderen die we hebben weten te redden maken het goed.’

‘De doden hebben we ceremonieel opgebaard,’ zei de vrouw, en Tanis hoorde het eeuwenoude verdriet in haar stem, het verdriet van de elfen om het verlies van levens.

‘Ik had hun graag willen vragen wat ze op de Bloedzee van Istar deden. Ik ben nog nooit een scheepskapitein tegengekomen die dwaas genoeg was om de maalstroom te trotseren. Het meisje vertelde me dat er boven een oorlog gaande is. Misschien hadden ze geen keus.’

Speels spetterde de elfenvrouw de man in het rood onder met water.

‘Er is boven altijd wel een oorlog gaande. Je bent te nieuwsgierig, liefste. Soms denk ik dat je me gaat verlaten om terug te keren naar je eigen wereld. Vooral als je met die KriaQUECH hebt gepraat.’

Tanis hoorde een oprecht bezorgde toon in de stem van de vrouw, al spetterde ze de man nog steeds speels onder met water.

De man in het rood bukte om haar een kus te geven op haar natte haar, dat groen glansde in het licht van de sputterende toorts boven hen aan de muur. ‘Nee, Apoletta. Ze mogen hun oorlogen houden, en hun broers die broers verraden. En hun onstuimige halfelfen en dwaze zeekapiteins ook. Zolang ik nog op mijn magie kan vertrouwen, blijf ik onder de golven wonen—’

‘Over onstuimige halfelfen gesproken,’ viel Tanis hem in het elfs in de rede terwijl hij met grote passen de trap afliep. Waterwind, Goudmaan en Berem volgden hem, al hadden ze geen idee wat er werd gezegd.

Geschrokken keek de man om. De elfenvrouw verdween zo snel in het water dat Tanis zich even afvroeg of hij zich haar had ingebeeld. Niet één rimpeltje in het donkere oppervlak verried haar aanwezigheid. Onder aan de trap pakte Tanis de magiegebruiker bij de hand, net op het moment dat die achter de zee-elf aan het water in wilde glijden.

‘Wacht! Ik zal u echt niet met huid en haar verslinden,’ zei Tanis overredend. ‘Het spijt me dat ik me zo raar gedroeg. Ik weet wat voor indruk het maakt dat we achter u aan zijn geslopen, maar we hadden geen keus. Ik weet dat ik u niet kan tegenhouden als u een spreuk wilt uitspreken of iets dergelijks. Ik weet dat u me levend kunt verbranden of me in slaap kunt brengen of me in een spinnenweb kunt hullen, en de goden mogen weten wat nog meer. Ik heb vaker met magiegebruikers te maken gehad. Maar wilt u misschien naar ons luisteren? Help ons, alstublieft. Ik hoorde u praten over twee vrienden van ons, een grote man en een mooi meisje met rood haar. U zei dat de man bijna dood was geweest, dat zijn broer hem had verraden. We willen hen vinden. Wilt u ons niet vertellen waar ze zijn?’

De man aarzelde.

Haastig praatte Tanis verder, een beetje onsamenhangend, in zijn poging de aandacht vast te houden van deze man, die hen misschien kon helpen. ‘Ik heb die vrouw gezien die bij u was. Ik hoorde haar praten. Ik weet wat ze is. Een zee-elf, nietwaar? U hebt gelijk. Ik ben een halfelf. Maar ik ben door elfen grootgebracht en ik heb de legenden over zee-elfen gehoord. Ik dacht dat ze verzonnen waren. Maar ja, ik dacht ook dat draken verzonnen waren. Er wordt in de wereld boven inderdaad een oorlog uitgevochten. En u hebt gelijk. Het lijkt wel of er altijd wel ergens een oorlog woedt. Maar deze oorlog zal zich niet tot de bovenwereld beperken. Als de Koningin van de Duisternis de overwinning behaalt, kunt u erop rekenen dat ze erachter zal komen dat hier zee-elfen huizen. Ik weet niet of er draken in de zee zijn, maar—’

‘Er zijn inderdaad zeedraken, halfelf,’ zei iemand, en daar dook de elfenvrouw weer op uit het water. In een flits van zilver en groen schoot ze door het donkere water naar de trap. Ze legde haar armen erop en keek hem met haar felgroene ogen aan. ‘En we hebben geruchten opgevangen over hun terugkeer. Alleen geloofden we het niet. We wisten niet dat de draken waren gewekt. Wiens schuld was dat?’

‘Maakt het iets uit?’ vroeg Tanis vermoeid. ‘Ze hebben het oude land vernietigd. Silvanesti is nu een land vol nachtmerries. De Qualinesti zijn van huis en haard verdreven. De draken branden en moorden. Niets, niemand is veilig. De Duistere Koningin heeft slechts één doeclass="underline" ieder levend wezen overheersen. Zijn jullie veilig? Zelfs hier? Want ik neem aan dat we ons op de bodem van de zee bevinden.’

‘Dat klopt, halfelf,’ zei de man in het rood met een zucht. ‘Je bevindt je op de bodem van de zee, in de ruïne van de stad Istar. De zee-elfen hebben jullie gered en hiernaartoe gebracht, want dat doen ze met iedereen die schipbreuk lijdt. Ik weet waar jullie vrienden zijn en ik kan jullie naar hen toe brengen. Verder zou ik niet weten wat ik voor jullie kan betekenen.’