‘Haal ons hier weg,’ zei Waterwind botweg. Dat laatste deel van het gesprek had hij begrepen, want Zebulah had in het Gemeenschaps gesproken. ‘Wie is die vrouw, Tanis? Ze ziet eruit als een elf.’
‘Ze is een zee-elf. Haar naam is...’ Tanis zweeg.
‘Apoletta,’ zei de elfenvrouw glimlachend. ‘Je moet het me maar vergeven dat ik je niet formeel begroet, maar wij bedekken ons lichaam niet zoals jullie KriaQUECH. Zelfs na al die jaren kan ik mijn echtgenoot niet zover krijgen dat hij dat belachelijke gewaad uit laat wanneer hij aan land gaat. Zedigheid noemt hij het. Dus ik zal jullie en hem niet beschamen door uit het water te komen en jullie naar behoren te begroeten.’
Blozend vertaalde Tanis de woorden van de elfenvrouw voor zijn vrienden. Goudmaan zette grote ogen op. Berem leek niets te horen. Hij ging op in een soort innerlijke droom en was zich slechts vagelijk bewust van wat er om hem heen gebeurde. Waterwinds gezichtsuitdrukking veranderde niet. Kennelijk kon niets wat hij over elfen te horen kreeg hem nog verbazen.
‘Maar goed, de zee-elfen hebben ons gered,’ ging Tanis verder. ‘Zoals alle elfen beschouwen ze het leven als heilig en helpen ze iedereen die verdwaald is of dreigt te verdrinken. Deze man, haar echtgenoot—’
‘Zebulah,’ zei hij met uitgestoken hand.
‘Ik ben Tanis Halfelf, dit zijn Waterwind en Goudmaan van de Que-shu-stam, en dit is Berem, eh...’ Onzeker deed Tanis er het zwijgen toe, want hij wist niet wat hij verder moest zeggen.
Apoletta glimlachte beleefd, maar die glimlach stierf snel weer weg. ‘Zebulah,’ zei ze, ‘ga die vrienden halen over wie de halfelf sprak.’
‘Misschien moeten we met u meegaan,’ bood Tanis aan. ‘Als u al dacht dat ik u zou verslinden... Ik kan niet voorspellen wat Caramon zou doen.’
‘Nee,’ zei Apoletta hoofdschuddend. Het water glinsterde in haar haren en fonkelde op haar gladde, groengetinte huid. ‘Stuur de barbaren maar mee, halfelf. Blijf jij liever hier. Ik wil graag met je praten over die oorlog waarvan jij denkt dat die ons kan bedreigen. Het bedroeft me te horen dat de draken zijn gewekt. Als dat waar is, vrees ik dat je gelijk hebt. Dan is onze wereld niet langer veilig.’
‘Ik ben snel terug, liefste,’ zei Zebulah.
Apoletta stak haar hand uit naar haar echtgenoot. Die pakte hem vast en drukte er een tedere kus op. Toen vertrok hij. Tanis vertaalde snel voor Waterwind en Goudmaan wat er was gezegd, en ze stemden er bereidwillig mee in om Caramon en Tika te gaan halen.
Terwijl ze met Zebulah meeliepen door de onwerkelijke, beschadigde straten, vertelde hij hun verhalen over de val van Istar en wees hij hen op enkele herkenningspunten.
‘Zie je,’ legde hij uit, ‘toen de goden de vuurberg naar Krynn slingerden, raakte die Istar en sloeg een enorme krater in het land. Het zeewater stroomde in het gat, en zo werd het water gevormd dat later de Bloedzee zou gaan heten. Veel gebouwen in Istar werden vernietigd, maar een aantal bleef staan, en her en der bleef er een luchtbel vastzitten. De zee-elfen ontdekten dat dat een prima plek was om de zeelieden naartoe te brengen die ze uit gezonken schepen redden. Al snel voelden de meesten zich prima thuis.’
De magiër sprak met iets van trots. Dat vond Goudmaan amusant, al was ze zo vriendelijk dat niet te laten merken. Het was de trots van een eigenaar, alsof de ruïnes toebehoorden aan Zebulah en hij ze had ingericht ter lering en vermaak van bezoekers.
‘Maar u bent een mens, geen zee-elf. Hoe komt het dat u hier nu woont?’ vroeg ze.
De magiegebruiker glimlachte en kreeg een blik in zijn ogen alsof hij naar het verleden keek. ‘Ik was jong en hebberig,’ zei hij zachtjes, ‘hoopte altijd maar een snelle manier te vinden om rijk te worden. Mijn magische krachten brachten me tot in de diepten van de zee, waar ik zocht naar de verloren rijkdom van Istar. En een schat heb ik inderdaad gevonden, maar niet een van goud of zilver.
Op een avond zag ik Apoletta door het woud van de zee zwemmen. Ik zag haar voordat ze mij zag, voordat ze van vorm kon veranderen. Ik werd verliefd op haar... en heb lang mijn best moeten doen om haar tot de mijne te maken. Zij kon boven niet leven, en nadat ik al die tijd hier beneden te midden van de rust en de vredige schoonheid had gewoond, wist ik dat ook ik boven niet langer een leven had. Maar af en toe vind ik het fijn om met lieden als jullie te praten, dus nu en dan wandel ik door de ruïnes om te kijken wie de elfen hier hebben ondergebracht.’
Zebulah laste een adempauze in voordat hij aan een volgend verhaal begon, en onderwijl keek Goudmaan om zich heen naar de ruïnes.
‘Waar is de befaamde tempel van de Priesterkoning?’ vroeg ze.
Er trok een schaduw over het gelaat van de magiër. De genietende blik in zijn ogen maakte plaats voor een diepgeworteld verdriet met een vleugje woede.
‘Het spijt me,’ zei Goudmaan snel. ‘Het was niet mijn bedoeling u leed te berokkenen...’
‘Nee, geeft niet,’ zei Zebulah met een kort, droevig glimlachje. ‘Het is wel goed voor me om er af en toe aan te worden herinnerd wat een duistere, afschuwelijke tijd dat was. Ik ben geneigd te vergeten - tijdens mijn dagelijkse omzwervingen hier - dat deze stad ooit gevuld was met lachende, huilende, levende, ademende wezens. Kinderen speelden op deze straten, ook op die verschrikkelijke avond toen de goden de vuurberg lieten neerstorten.’
Hij zweeg even voor hij met een zucht verder ging.
‘Je vroeg waar de tempel staat. Die staat er niet meer. Op de plaats waar de Priesterkoning stond en de goden zijn arrogante eisen toeschreeuwde, is nu een zwart gat. Het is gevuld met zeewater, maar er leeft niets. Niemand weet hoe diep het is, want de zee-elfen wagen zich er niet in de buurt. Ik heb zo lang als ik de angst kon verdragen in het donkere, stille water staan turen, en ik geloof niet dat de duisternis een einde kent. Het is zo grenzeloos als het hart van het kwaad.’
Zebulah bleef op een van de door de zee verduisterde straten staan en keek Goudmaan vorsend aan. ‘De schuldigen zijn gestraft. Maar waarom de onschuldigen ook? Jij draagt het medaillon van Mishakal de Genezeres. Begrijp jij het? Heeft de godin het jou uitgelegd?’
Goudmaan aarzelde, geschrokken van de vraag, en zocht in haar ziel naar het antwoord. Waterwind stond streng en zwijgend als altijd naast haar en verried niets van zijn gedachten.
‘Dat heb ik me zelf ook vaak afgevraagd,’ zei Goudmaan onzeker. Ze schoof wat dichter naar Waterwind toe en legde haar hand op zijn arm, alsof ze zichzelf ervan wilde verzekeren dat hij er nog was. ‘In een droom ben ik ooit gestraft vanwege mijn twijfel, vanwege mijn gebrek aan vertrouwen. Gestraft met het verlies van degene van wie ik hou.’ Waterwind sloeg zijn sterke arm om haar heen en trok haar tegen zich aan. ‘Maar telkens als ik me schaam voor mijn twijfel, denk ik eraan dat het juist die twijfel was die me ertoe aanzette op zoek te gaan naar de oude goden.’
Even zweeg ze. Waterwind streek over haar zilverachtig gouden haar, en ze keek glimlachend naar hem op. ‘Nee,’ zei ze zachtjes tegen Zebulah, ‘ik ken de oplossing van dat grote raadsel niet. Ik vraag het me nog steeds af. Ik brand nog steeds van woede wanneer ik onschuldigen zie lijden en schuldigen beloond zie worden. Maar ik weet nu dat mijn woede als een smidsvuur kan zijn. In de hitte ervan wordt mijn geest, een ruwe klomp ijzer, gesmolten en omgevormd tot een glanzende stalen staaf, mijn geloof. Die staaf schraagt mijn zwakke vlees.’
Zebulah bestudeerde Goudmaan zwijgend, zoals ze daar stond te midden van de ruïnes van Istar, met haar zilverachtig gouden haar dat glansde als het zonlicht dat deze verpletterde gebouwen nooit meer zou beroeren. De klassieke schoonheid van haar gelaat was getekend door de duistere wegen die ze had bereisd. Haar schoonheid werd er echter niet door aangetast, integendeeclass="underline" de lijntjes van leed en wanhoop hadden die schoonheid verfijnd. Er lag wijsheid in haar ogen, versterkt door de grote vreugde van de wetenschap dat ze een nieuw leven met zich meedroeg.