De blik van de magiër ging naar de man die de vrouw zo teder vasthield. Ook zijn gelaat droeg de tekenen van de lange, pijnlijke weg die hij had afgelegd.
Hoewel dat gezicht altijd streng en stoïcijns zou blijven, was zijn grote liefde voor deze vrouw duidelijk af te lezen aan zijn donkere ogen en tedere aanraking.
Misschien was het verkeerd dat ik zo lang onder water ben gebleven, dacht Zebulah, die zich opeens heel oud en verdrietig voelde. Misschien had ik kunnen helpen als ik boven was gebleven en mijn woede had aangewend zoals deze twee dat hebben gedaan, als aansporing om op zoek te gaan naar antwoorden. In plaats daarvan liet ik mijn woede aan mijn ziel knagen, tot het simpelweg het gemakkelijkst leek hem hier beneden te verbergen.
‘We moeten niet langer treuzelen,’ zei Waterwind abrupt. ‘Het zal niet lang duren voor Caramon het in zijn hoofd haalt om ons te gaan zoeken, als hij daar niet al mee bezig is.’
‘Ja,’ zei Zebulah. Hij schraapte zijn keel. ‘We moesten maar eens gaan, al geloof ik niet dat de jongeman en de jongedame zijn weggegaan. Hij was ernstig verzwakt...’
‘Was hij gewond?’ vroeg Goudmaan bezorgd.
‘Lichamelijk niet,’ antwoordde Zebulah terwijl ze een vervallen gebouw in een met puin bezaaid zijstraatje betraden. ‘Maar wel in zijn ziel. Dat zag ik al aan hem voordat het meisje me vertelde over zijn tweelingbroer.’
Er verscheen een dreigend lijntje tussen Goudmaans sierlijke wenkbrauwen en haar lippen verstrakten.
‘Neem me niet kwalijk, vrouwe van de Vlakten,’ zei Zebulah glimlachend, ‘maar ik zie het smidsvuur waarover je sprak oplaaien in je ogen.’
Goudmaan bloosde. ‘Ik zei al dat ik nog zwak ben. Ik zou Raistlin en wat hij zijn broer heeft aangedaan zonder morren moeten accepteren. Ik zou er vertrouwen in moeten hebben dat het allemaal deel uitmaakt van het grotere goed waar ik geen zicht op heb. Maar ik vrees dat ik dat niet kan. Ik kan alleen maar bidden dat de goden ervoor zorgen dat hij mijn pad niet kruist.’
‘Ik niet,’ zei Waterwind opeens bars. ‘Ik niet,’ herhaalde hij grimmig.
Caramon lag in het duister te staren. In zijn armen lag Tika vast te slapen. Hij voelde haar kloppende hart, haar zachte ademhaling. Hij wilde zijn hand door de massa rode krullen halen die op zijn schouder lag, maar Tika bewoog zich onder zijn aanraking, dus hield hij op, bang dat ze wakker zou worden. Ze had rust nodig. De goden mochten weten hoe lang ze over hem had gewaakt, zonder een oog dicht te doen. Dat zou ze hem nooit vertellen, wist hij. Toen hij ernaar had gevraagd, had ze slechts gelachen en hem geplaagd met zijn gesnurk.
Maar haar lach klonk onzeker en ze kon hem niet in de ogen kijken.
Sussend klopte Caramon haar zachtjes op de schouder, en ze kroop dichter tegen hem aan. Het besef dat ze diep in slaap was troostte hem, maar toen zuchtte hij diep. Nog maar een paar weken geleden had hij Tika gezworen dat hij haar liefde pas zou aanvaarden als hij zich met hart en ziel aan haar kon wijden. Hij wist nog precies wat hij had gezegd: ‘Mijn band met mijn broer gaat voor. Ik ben zijn uitwendige kracht.’
Nu was Raistlin er niet meer, had hij zijn eigen kracht gevonden. Zoals hij tegen Caramon had gezegd: ‘Ik heb je niet langer nodig.’
Ik zou blij moeten zijn, hield Caramon zichzelf voor, starend in de duisternis. Ik hou van Tika en zij van mij. En nu zijn we vrij om die liefde te tonen. Nu kan ik me aan haar binden. Nu kan ik haar vóór alles laten gaan. Ze is een liefdevolle, gulle vrouw. Ze verdient liefde.
Raistlin niet, nooit. Tenminste, dat gelooft iedereen. Hoe vaak heb ik Tanis niet aan Sturm horen vragen, als hij dacht dat ik hem niet kon horen, waarom ik me het sarcasme, de bittere beschuldigingen en de hooghartige bevelen liet aanleunen. Ik heb hen allemaal vol medelijden naar me zien kijken. Ik weet dat ze denken dat ik soms traag van begrip ben, en dat ben ik ook, vergeleken met Raistlin. Ik ben de os, die log voortsjokt en zonder te klagen zijn last draagt. Zo denken ze over me.
Ze begrijpen het niet. Zij hebben me niet nodig. Zelfs Tika heeft me niet nodig, niet zoals Raist. Zij hebben hem nooit als klein kind midden in de nacht krijsend wakker horen worden. We waren erg vaak alleen, hij en ik. Er was verder niemand in de duisternis die hem kon horen en hem kon troosten, alleen ik. Hij kon zich nooit herinneren wat hij had gedroomd, maar het was afschuwelijk. Zijn magere lijfje beefde van angst. Zijn ogen stonden wild, want ze zagen verschrikkingen die alleen hij kon zien. Snikkend reikte hij dan naar me. En dan vertelde ik hem verhaaltjes of maakte grappige schaduwfiguren op de muur om de gruwelen te verjagen.
‘Kijk, Raist,’ zei ik dan, ‘konijntjes...’ En dan hield ik twee vingers omhoog en wiebelde ermee, zodat het net konijnenoren leken.
Na een tijdje hield hij op met beven. Glimlachen of lachen deed hij niet. Zelfs als klein kind deed hij dat maar zelden. Maar hij werd wel rustiger.
‘Ik moet slapen. Ik ben doodmoe,’ fluisterde hij dan, terwijl hij stevig mijn hand vasthield. ‘Maar jij moet wakker blijven, Caramon. Jij moet me in mijn slaap bewaken. Hou ze bij me vandaan. Ze mogen me niet te pakken krijgen.’
‘Ik blijf wel wakker. Ik zorg ervoor dat niets of niemand je pijn doet, Raist,’ beloofde ik dan.
Dan glimlachte hij - bijna - en sloot hij uitgeput zijn ogen. Ik hield me aan mijn belofte. Ik bleef wakker terwijl hij sliep. En het was vreemd. Misschien hield ik ze inderdaad bij hem vandaan, want zolang ik wakker was en de wacht hield, kreeg hij geen nachtmerries, nooit.
Zelfs toen hij ouder was werd hij soms midden in de nacht met een kreet wakker en strekte hij zijn handen naar me uit. En ik was er altijd. Maar wat moet hij nu? Hoe moet hij zich nu zonder mij redden, als hij alleen, verloren en bang is in het donker?
Hoe moet ik me zonder hem redden?
Caramon sloot zijn ogen en begon zachtjes, bang dat hij Tika anders wakker zou maken, te huilen.
7
Berem. Onverwachte hulp.
‘En dat is ons verhaal,’ zei Tanis eenvoudig.
Apoletta had aandachtig naar hem geluisterd, met haar groene ogen vorsend op zijn gezicht gericht. Ze had hem niet één keer onderbroken. Toen hij uitverteld was, zweeg ze. Met haar armen nog altijd op de treden die het stille water in leidden leek ze in gedachten verzonken. Tanis stoorde haar niet. De rust en sereniteit die onder water heersten susten en troostten hem. De gedachte dat hij moest terugkeren naar de harde, felle wereld van zonneschijn en oorverdovend geluid was opeens angstaanjagend. Wat zou het gemakkelijk zijn om alles te negeren en gewoon hier te blijven, onder de zee, voor altijd verborgen in deze stille wereld.
‘Hoe zit het met hem?’ vroeg ze uiteindelijk met een hoofdbeweging naar Berem.
Met een zucht keerde Tanis terug naar de werkelijkheid.
‘Dat weet ik niet,’ zei hij schouderophalend, met een vluchtige blik op Berem. De man stond in de duisternis van de grot te staren. Zijn lippen bewogen alsof hij telkens weer dezelfde bezwerende woorden sprak.
‘Volgens de Koningin van de Duisternis is hij de sleutel. Als zij hem vindt, zo beweert ze, is de overwinning aan haar.’
‘Nou,’ zei Apoletta bruusk, ‘nu hebben jullie hem. Betekent dat dat de overwinning aan ons is?’
Tanis knipperde met zijn ogen. Die vraag had hij niet verwacht. Krabbend aan zijn baard overpeinsde hij de mogelijkheid. Dat was nog niet eens bij hem opgekomen.
‘Inderdaad... wij hebben hem,’ prevelde hij, ‘maar wat moeten we met hem? Wat heeft hij dat ons dan wel onze vijand de overwinning kan bezorgen?’
‘Weet hij dat niet?’
‘Hij beweert van niet.’
Fronsend bestudeerde Apoletta Berem. ‘Als je het mij vraagt, liegt hij,’ zei ze na een tijdje, ‘maar hij is een mens, en ik weet maar weinig over de vreemde werking van de menselijke geest. Er is echter een manier om erachter te komen. Ga naar de tempel van de Duistere Koningin in Neraka.’