Выбрать главу

‘Neraka!’ herhaalde Tanis geschrokken. ‘Maar daar—’ Hij werd onderbroken door zo’n wilde, angstige kreet dat hij bijna het water insprong. Zijn hand ging naar zijn lege zwaardschede. Vloekend draaide hij zich om, in de verwachting niets minder te zien dan een horde draken.

Het enige wat hij zag was Berem, die hem met grote ogen aankeek.

‘Wat is er, Berem?’ vroeg Tanis geërgerd. ‘Heb je iets gezien?’

‘Hij heeft niets gezien, halfelf,’ zei Apoletta, die Berem vol belangstelling opnam. ‘Dat was zijn reactie toen ik over Neraka begon...’

‘Neraka!’ herhaalde Berem, woest met zijn hoofd schuddend. ‘Kwaad! Groot kwaad! Nee... nee...’

‘Daar kom je vandaan,’ zei Tanis. Hij liep op Berem af.

Die schudde ferm zijn hoofd.

‘Maar jij zei—’

‘Een vergissing,’ mompelde Berem. ‘Ik bedoelde niet Neraka. Ik bedoelde... Takar... Takar! Dat bedoelde ik...’

‘Je bedoelde Neraka. Je weet dat de Duistere Koningin daar haar grote tempel heeft, in Neraka,’ zei Apoletta streng.

‘O ja?’ Berem keek haar met grote, onschuldige blauwe ogen aan. ‘De Duistere Koningin, een tempel in Neraka? Nee, er ligt daar alleen maar een klein dorpje. Mijn dorp...’ Opeens sloeg hij zijn handen voor zijn buik en klapte voorover alsof hij pijn had. ‘Ik voel me niet lekker. Laat me met rust,’ mompelde hij als een kind, voordat hij zich vlak bij het water op de marmeren vloer liet zakken. Daar bleef hij zitten, met zijn handen voor zijn buik, en staarde in het donker.

‘Berem!’ zei Tanis geërgerd.

‘Voel me niet lekker...’ mompelde Berem nors.

‘Hoe oud was hij ook alweer, zei je?’ vroeg Apoletta.

‘Meer dan driehonderd jaar, dat beweert hij althans,’ zei Tanis vol afkeer. ‘Als je maar de helft gelooft van wat hij zegt, is hij honderdvijftig, en ook dat is niet echt geloofwaardig, niet voor een mens.’

‘Weet je,’ zei Apoletta peinzend, ‘de tempel van de Koningin in Neraka is een mysterie voor ons. Hij was er opeens, vlak na de Catastrofe, voor zover wij konden beoordelen. En nu stuiten we op een man die zijn eigen geschiedenis naar die plaats en die tijd kan herleiden.’

‘Dat is inderdaad vreemd...’ zei Tanis met een blik op Berem.

‘Ja. Mogelijk is het slechts toeval, maar als je het toeval lang genoeg volgt kom je erachter dat het verbonden is met het lot, zo beweert mijn echtgenoot altijd.’ Apoletta glimlachte.

‘Toeval of niet, ik zie mezelf nog niet de tempel van de Koningin van de Duisternis inlopen om haar te vragen waarom ze de wereld afzoekt naar een man met een groene edelsteen in zijn borst,’ zei Tanis wrang. Hij ging weer aan de waterkant zitten.

‘Daar zit wat in,’ gaf Apoletta toe. ‘Het is moeilijk te geloven, ondanks alles wat je me hebt verteld, dat ze zo machtig is geworden. Waar hebben de goede draken al die tijd gezeten?’

‘Goede draken!’ herhaalde Tanis verbijsterd. ‘Hoezo, goede draken?’

Nu was het Apoletta die verbaasd keek. ‘De goede draken. De zilveren en gouden draken. De bronzen draken. En de drakenlansen. De zilveren draken hebben jullie toch zeker wel de lansen gegeven die ze hebben bewaard?’

‘Ik heb nog nooit van zilveren draken gehoord,’ antwoordde Tanis, ‘behalve in een oud lied over Huma. Hetzelfde geldt voor de drakenlansen. We zoeken er al een hele tijd naar, maar hebben er geen spoor van kunnen ontdekken. Ik begon al te geloven dat ze niet bestonden, behalve in sprookjes.’

‘Dit bevalt me niet.’ Apoletta legde haar kin op haar handen. Haar gezicht was bleek en bezorgd. ‘Er is iets mis. Waar zijn de goede draken? Waarom vechten ze niet? Tot dusver heb ik geruchten over de terugkeer van de zeedraken van de hand gewezen, omdat ik wist dat de goede draken dat nooit zouden toestaan. Maar als de goede draken zijn verdwenen, waar het wel op lijkt als ik jou zo hoor praten, halfelf, dan vrees ik dat mijn volk inderdaad in gevaar is.’ Alert hief ze haar hoofd om te luisteren. ‘Aha, mooi, daar komt mijn echtgenoot met je vrienden.’ Ze duwde zich af van de rand. ‘Dan kunnen hij en ik terug naar mijn volk om te bespreken wat we moeten doen...’

Wacht!’ zei Tanis, die nu ook voetstappen op de marmeren trap hoorde. ‘U moet ons een uitweg tonen. We kunnen hier niet blijven.’

‘Maar ik weet helemaal geen uitweg,’ zei Apoletta, die in het water kringen beschreef met haar handen om boven te blijven. ‘En Zebulah ook niet. Daar hebben we ons nooit mee beziggehouden.’

‘We kunnen nog wel weken door deze ruïnes dwalen,’ riep Tanis. ‘Of misschien zelfs voorgoed! Jullie weten niet eens zeker of hier ooit iemand uit ontsnapt is, ofwel soms? Misschien zijn ze gewoon omgekomen.’

‘Zoals ik al zei,’ antwoordde Apoletta, ‘daar hebben we ons nooit mee bezig gehouden.’

‘Nou, dan begin je daar nu maar eens mee!’ schreeuwde Tanis. Zijn stem galmde onheilspellend over het water. Berem keek naar hem op en deinsde geschrokken terug. Apoletta kneep boos haar ogen samen. Tanis ademde diep in en beet op zijn lip, plotseling beschaamd.

‘Het spijt me,’ begon hij, maar toen stond Goudmaan opeens naast hem, met haar hand op zijn arm.

‘Tanis? Wat is er?’ vroeg ze.

‘Niets waar jij iets aan kunt doen.’ Zuchtend keek hij achter haar. ‘Hebben jullie Caramon en Tika gevonden? Gaat het goed met hen?’

‘Ja, we hebben hen gevonden,’ antwoordde Goudmaan, die Tanis’ blik volgde. Samen keken ze toe hoe het tweetal langzaam achter Waterwind en Zebulah aan de trap afkwam. Tika keek verwonderd om zich heen. Caramon, zo viel Tanis op, staarde recht voor zich uit. Toen hij het gezicht van zijn vriend zag, keek hij Goudmaan aan.

‘Je hebt mijn tweede vraag niet beantwoord,’ zei hij zachtjes.

‘Met Tika gaat het goed,’ antwoordde Goudmaan. ‘Wat Caramon betreft...’ Ze schudde haar hoofd.

Tanis keek weer naar Caramon en kon een kreet van ontzetting nauwelijks onderdrukken. Hij zou de joviale, vrolijke krijger nooit hebben herkend in deze man met het grimmige, betraande gezicht en de gekwelde, sombere oogopslag.

Toen ze Tanis’ geschrokken blik zag, ging Tika naast Caramon staan en legde haar hand op zijn arm. Bij haar aanraking leek de krijger op te schrikken uit zijn duistere gedachten. Hij glimlachte naar haar. Maar er was iets in Caramons glimlach - een mildheid, een verdriet - dat er nooit eerder was geweest.

Opnieuw zuchtte Tanis. Nog meer problemen. Als de oude goden inderdaad waren terug gekeerd, wat deden ze hen dan aan? Wilden ze weten hoe zwaar ze hen konden belasten voordat ze bezweken? Vonden ze dit amusant? Gevangen op de bodem van de zee... Als ze het nou gewoon opgaven? Gewoon hier bleven? Niet naar een uitweg zochten? Ze konden hier blijven en alles vergeten. De draken... Raistlin... Laurana... Kitiara...

‘Tanis...’ Goudmaan schudde hem voorzichtig heen en weer.

Ze stonden nu allemaal om hem heen, wachtten af tot hij zou zeggen wat ze gingen doen.

Hij schraapte zijn keel en wilde iets zeggen, maar zijn stem sloeg over. Hij kuchte. ‘Kijk niet naar mij,’ zei hij uiteindelijk bars. ‘Ik weet het ook niet. Het lijkt erop dat we vast zitten. Er is geen uitweg.’

Nog steeds keken ze hem aan, en het vertrouwen in hun ogen was onverminderd. Tanis staarde boos terug. ‘Waarom moet ik altijd de leider zijn? Ik heb jullie verraden! Beseffen jullie dat dan niet? Het is mijn schuld. Het is allemaal mijn schuld. Zoek maar iemand anders...’

Abrupt draaide Tanis zich om om de tranen te verbergen die hij niet kon tegenhouden en hij staarde naar het donkere water in een poging zich te beheersen. Pas toen Apoletta iets zei, besefte hij dat ze hem al die tijd in de gaten had gehouden.

‘Misschien kan ik jullie toch helpen,’ zei de zee-elf langzaam.

‘Apoletta, wat zeg je nu?’ vroeg Zebulah angstig. Hij haastte zich naar de waterkant. ‘Denk eens na—’

‘Ik héb al nagedacht,’ antwoordde Apoletta. ‘De halfelf zegt dat we ons zorgen moeten maken over wat er in de wereld gebeurt. Hij heeft gelijk. Ons kan hetzelfde overkomen als onze verwanten in Silvanesti. Zij hebben de wereld de rug toegekeerd en aldus toegestaan dat duistere, kwade wezens hun land binnenslopen. Wij zijn op tijd gewaarschuwd. We kunnen het kwaad nog bestrijden. Jullie komst betekent misschien wel onze redding, halfelf,’ zei ze ernstig. ‘Dan zijn we jullie iets verschuldigd.’