Выбрать главу

‘Help ons terug te keren naar onze wereld,’ zei Tanis.

Apoletta knikte plechtig. ‘Dat zal ik doen. Waar willen jullie naartoe?’

Zuchtend schudde Tanis het hoofd. Hij kon niet helder denken. ‘Ik geloof dat het niet zoveel uitmaakt,’ zei hij vermoeid.

‘Palanthas,’ zei Caramon opeens. Zijn diepe stem galmde over het stille water.

De anderen keken hem ongemakkelijk zwijgend aan. Waterwind fronste onheilspellend.

‘Nee,’ zei Apoletta, die weer naar de kant zwom, ‘ik kan jullie niet naar Palanthas brengen. De grens van ons rijk reikt niet verder dan Kalaman. Daar wagen we ons niet buiten. Zeker als het waar is wat jullie zeggen, want voorbij Kalaman liggen de wateren van de zeedraken.’

Tanis veegde zijn ogen en neus droog en wendde zich weer tot zijn vrienden. ‘Nou? Nog meer voorstellen?’

Zwijgend keken ze hem aan. Toen deed Goudmaan een stap naar voren.

‘Zal ik je een verhaal vertellen, halfelf?’ vroeg ze met een tedere hand op zijn arm. ‘Het gaat over een man en een vrouw, alleen, verloren en bang. Met een zware last kwamen ze een herberg binnen. De vrouw zong een lied, een blauwkristallen staf verrichtte een wonder, ze werden aangevallen door een meute. Eén man stond op. Eén man nam de leiding. Eén man - een vreemde - zei: “We gaan via de keuken naar buiten.”’ Ze glimlachte. ‘Weet je dat nog, Tanis?’

‘Dat weet ik nog,’ fluisterde hij, volledig in de ban van haar beeldschone, lieve gezicht.

‘We wachten op jou, Tanis,’ zei ze eenvoudig.

Opnieuw vertroebelden tranen zijn blik. Hij knipperde snel met zijn ogen en keek om zich heen. Waterwinds strenge gezicht stond ontspannen. Met een halve glimlach legde ook hij zijn hand op Tanis’ arm. Caramon aarzelde even, maar liep toen met grote passen op Tanis af en omhelsde hem stevig.

‘Breng ons naar Kalaman,’ zei Tanis tegen Apoletta zodra hij weer kon ademhalen. ‘Daar waren we toch al naar onderweg.’

De reisgenoten besloten aan de waterkant te slapen om zo goed mogelijk uit te rusten voor de reis, die volgens Apoletta lang en inspannend zou zijn.

‘Hoe reizen we? Per boot?’ vroeg Tanis, die toekeek terwijl Zebulah zijn rode gewaad uittrok en in het water dook.

Apoletta wierp een blik op haar echtgenoot, die rustig naast haar watertrapte. ‘Zwemmend,’ zei ze. ‘Heb je je nooit afgevraagd hoe we jullie hiernaartoe hebben gebracht? Met onze magische krachten, en die van mijn echtgenoot, schenken we jullie het vermogen water in te ademen, net zo gemakkelijk als jullie nu de lucht inademen.’

‘Veranderen jullie ons in vissen?’ vroeg Caramon verschrikt.

‘Zo zou je het kunnen zien,’ antwoordde Apoletta. ‘We komen jullie halen zodra het eb is.’

Tika pakte Caramons hand vast. Hij hield haar stevig vast, en Tanis, die de heimelijke blik zag die ze wisselden, had het gevoel dat er een last van zijn schouders viel. Wat er ook broeide in Caramons ziel, hij had een sterk anker gevonden dat zou voorkomen dat hij zou worden meegesleurd door de duistere wateren.

We zullen dit prachtige oord nooit vergeten,’ zei Tika zachtjes.

Apoletta glimlachte slechts.

8

Sombere berichten.

‘Papa! Papa!’

‘Wat is er, Kleine Rogar?’ De visser, die gewend was aan de opgewonden kreten van zijn jonge zoontje, dat net de leeftijd had bereikt dat hij de wonderen van de wereld begon te ontdekken, keek niet op van zijn werk. Hij verwachtte een verhaal over een zeester op het strand of een verloren schoen die uit het zand stak en ging rustig door met het repareren van zijn net toen het kind op hem afrende.

‘Papa,’ zei het vlasblonde kind, dat gretig de knie van zijn vader beetpakte en prompt in het net verstrikt raakte, ‘een mooie dame. Verdrinkt.’

‘Hm?’ vroeg de visser afwezig.

‘Een mooie dame. Verdrinkt,’ zei het jongetje plechtig terwijl hij met een mollig vingertje naar achteren wees.

Nu hield de visser op met werken en keek zijn zoon aan. Dit was iets nieuws.

‘Een mooie dame? Verdronken?’

Het kind knikte en wees opnieuw naar een plek verderop op het strand.

Met samengeknepen ogen tuurde de visser tegen de felle ochtendzon in naar de kustlijn. Toen keek hij zijn zoon weer aan en fronste streng zijn wenkbrauwen.

‘Is dit weer een verzinsel van Kleine Rogar?’ vroeg hij dreigend. ‘Zo ja, dan kun je vanavond staand eten.’

Met grote ogen schudde het kind zijn hoofd. ‘Nee,’ zei hij terwijl hij over zijn billen wreef bij de herinnering. ‘Ik heb het beloofd.’

Nog steeds fronsend keek de visser naar de zee. Het had gestormd die nacht, maar hij had niets gehoord wat erop wees dat er een schip op de klippen was gelopen. Misschien waren er van die stadse lui het water op gegaan met hun dwaze plezierbootjes en was het hun niet gelukt voor het donker de kust te bereiken. Of erger nog: misschien was er sprake van moord. Het zou niet de eerste keer zijn dat er een lichaam aanspoelde met een dolk in het hart.

De visser legde het net weg, riep zijn oudste zoon, die de bodem van de sloep aan het schoonspoelen was en stond op. Hij wilde de kleine al naar zijn moeder sturen toen hij bedacht dat het kind hem de weg moest wijzen.

‘Breng ons maar naar de mooie dame,’ zei de visser vermoeid, met een betekenisvolle blik op zijn andere zoon.

Gretig trok Kleine Rogar zijn vader aan de hand mee naar het strand. De visser en de oudere jongen liepen met tegenzin mee, bang voor wat ze zouden vinden.

Ze hadden nog maar een klein stukje gelopen toen de visser iets zag waardoor hij het op een rennen zette, met zijn oudste zoon op zijn hielen.

‘Er is een schip vergaan. Geen twijfel mogelijk,’ hijgde de visser. ‘Vervloekte landrotten. Ze hebben op zee niets te zoeken met die breekbare bootjes.’

Er lag niet één mooie dame op het strand, maar twee. Vlak bij hen lagen vier mannen. Allemaal droegen ze dure kleren. Overal lag wrakhout, duidelijk de overblijfselen van een klein plezierjacht.

‘Verdrinkt,’ zei de kleine jongen, die zich bukte om een van de mooie dames een klopje te geven.

‘Nee,’ bromde de visser, die op de hals van de vrouw zocht naar een hartslag. Een van de mannen kwam al in beweging - een oudere man, van een jaar of vijftig zo te zien. Hij ging rechtop zitten en keek verward om zich heen. Zodra hij de visser zag, schrok hij en kroop angstig op handen en voeten naar een van zijn bewusteloze metgezellen toe.

‘Tanis, Tanis!’ riep de man, terwijl hij een bebaarde man wakker schudde, die opeens overeind kwam.

‘Niet bang zijn,’ zei de visser toen hij zag dat ook de bebaarde man schrok. ‘We zullen jullie helpen, als we kunnen. Daan, ren naar huis en ga je moeder halen. Zeg dat ze dekens moet meenemen en die fles brandewijn die ik na Midwinter heb bewaard. Rustig, mevrouw,’ zei hij vriendelijk terwijl hij een van de vrouwen overeind hielp. ‘Blijf maar even zitten. Het komt wel goed. Vreemd,’ mompelde hij bij zichzelf terwijl hij de vrouw in zijn armen hield en haar geruststellende klopjes op haar schouder gaf. ‘Ze zijn bijna verdronken, en toch lijkt het erop dat ze geen van allen water hebben binnengekregen...’

Gewikkeld in dekens werden de schipbreukelingen naar het huisje van de visser vlak bij het strand gebracht. Daar kregen ze een flinke slok brandewijn en elke andere remedie die de vissersvrouw kon bedenken tegen verdrinking. Kleine Rogar keek vol trots naar hem, wetend dat zijn ‘vangst’ zeker een week lang het gesprek van de dag zou zijn in het dorp.

‘Nogmaals bedankt voor uw hulp,’ zei Tanis dankbaar.

‘Wees blij dat ik in de buurt was,’ antwoordde de man bars. ‘Maar wees voorzichtig. Als je nog eens in zo’n klein bootje de zee op gaat, keer dan bij het eerste teken van een storm terug naar de kust.’