‘Eh... Ja, dat zal ik... dat zullen we doen,’ zei Tanis een beetje verward. ‘Kunt u ons misschien vertellen waar we zijn?’
‘Ten noorden van de stad,’ zei de visser met een handgebaar. ‘Twee of drie mijl. Daan kan jullie er wel met de wagen naartoe brengen.’
‘Dat is heel vriendelijk van u,’ zei Tanis aarzelend en met een vluchtige blik op de anderen. Ze keken hem aan, Caramon schouderophalend. ‘Eh... Ik weet dat dit vreemd klinkt, maar we... we zijn nogal van koers geraakt. Bij welke stad zijn we in de buurt?’
‘Kalaman natuurlijk,’ zei de visser. Hij nam hen wantrouwig op.
‘O,’ zei Tanis. Zwakjes lachend draaide hij zich om naar Caramon. ‘Ik zei het toch? We, eh... zijn helemaal niet zo ver van koers geraakt als jij dacht.’
‘O nee?’ vroeg Caramon met grote ogen. ‘O, nee,’ verbeterde hij zich haastig toen Tika hem met haar elleboog een por tussen de ribben gaf. ‘Ja, ik had het weer mis, zoals gewoonlijk. Je kent mij, Tanis, mijn richtingsgevoel is belabberd...’
‘Niet overdrijven,’ mompelde Waterwind, en Caramon deed er het zwijgen toe.
De visser keek hen allemaal onheilspellend aan. ‘Jullie zijn een vreemd stel, geen twijfel mogelijk,’ zei hij. ‘Jullie weten niet meer hoe jullie boot is vergaan. En nu weet je niet eens waar je bent. Als je het mij vraagt waren jullie allemaal dronken, maar dat zijn mijn zaken niet. Als ik jullie goede raad mag geven: blijf voortaan bij boten vandaan, of je nu dronken of nuchter bent. Daan, ga de wagen halen.’
Na een laatste, geërgerde blik op de reisgenoten zette de visser zijn jongste zoon op zijn schouders en ging weer aan het werk. Zijn oudste zoon verdween, ongetwijfeld om de wagen te halen.
Zuchtend keek Tanis naar zijn vrienden.
‘Weet een van jullie hoe we hier terecht zijn gekomen?’ vroeg hij zachtjes. ‘En waarom we deze kleren aanhebben?’ Een voor een schudden ze het hoofd.
‘Ik herinner me de Bloedzee en de maalstroom,’ zei Goudmaan. ‘Maar de rest lijkt wel een droom.’
‘Ik herinner me Raist...’ zei Caramon zachtjes en met een somber gezicht. Toen voelde hij Tika’s hand in de zijne en hij keek haar aan. Zijn gezicht verzachtte. ‘En ik weet nog—’
‘Sst,’ zei Tika blozend, met haar hoofd tegen zijn arm. Caramon drukte een kus op haar rode krullen. ‘Dat was geen droom,’ prevelde ze.
‘Ik herinner me ook een paar dingen,’ zei Tanis met een grimmige blik op Berem. ‘Maar het is vaag, onsamenhangend. Ik kan er met geen mogelijkheid een logisch geheel van maken. Ach, het heeft ook geen zin om achterom te kijken. We moeten vooruitkijken. We gaan naar Kalaman om erachter te komen wat er allemaal is gebeurd. Ik weet niet eens welke dag het is. Of welke maand. En dan—’
‘Palanthas,’ zei Caramon. ‘Dan gaan we naar Palanthas.’
‘Dat zien we dan wel weer,’ zei Tanis zuchtend. Daan kwam terug met de wagen, die werd getrokken door een knokig paard. De halfelf keek Caramon aan. ‘Weet je wel heel zeker dat je die broer van je wil terugvinden?’ vroeg hij zachtjes.
Caramon gaf geen antwoord.
Halverwege de ochtend arriveerden de reisgenoten in Kalaman.
‘Wat is er aan de hand?’ vroeg Tanis aan Daan, die de wagen door de straten van de stad stuurde. ‘Is het soms een feestdag?’
Op straat wemelde het van de mensen. De meeste winkels waren gesloten, en de luiken waren dicht. Overal stonden mensen in kleine groepjes opgewonden met elkaar te praten.
‘Het lijkt eerder op een begrafenis,’ zei Caramon. ‘Kennelijk is er een belangrijk iemand overleden.’
‘Of het is oorlog,’ mompelde Tanis. Vrouwen huilden, mannen keken bedroefd of boos, kinderen stonden er verloren bij en keken angstig naar hun ouders.
‘Oorlog kan het niet zijn, meneer,’ zei Daan, ‘en het Lentedooifestival was twee dagen geleden. Ik weet niet wat er aan de hand is. Wacht even. Ik kan het wel navragen als u wilt,’ zei hij terwijl hij het paard halt liet houden.
‘Doe maar,’ zei Tanis. ‘Maar wacht even. Waarom kan het geen oorlog zijn?’
‘Omdat we de oorlog hebben gewonnen, natuurlijk!’ zei Daan. Hij staarde Tanis verbijsterd aan. ‘Bij de goden, meneer, u moet wel heel dronken zijn geweest als u dat niet eens meer weet. De gouden generaal en de goede draken—’
‘Dat is waar ook,’ zei Tanis haastig.
‘Ik ga even naar die viswinkel,’ zei Daan, die al van de bok sprong. ‘Daar weten ze het vast wel.’
‘Wij gaan mee.’ Tanis gebaarde naar de anderen.
‘Is er nog nieuws?’ riep Daan. Hij rende op een groepje mannen en vrouwen af voor een winkel waar de overweldigende geur van verse vis uit dreef.
Een paar mannen draaiden zich meteen om en begonnen door elkaar heen te praten. Tanis, die achter de jongen aan liep, ving slechts flarden van het opgewonden gesprek op. ‘Gouden generaal gevangen genomen... stad ten dode opgeschreven... mensen op de vlucht... kwade draken...’
Hoezeer ze ook hun best deden, de reisgenoten konden er niets van maken. De mensen leken niet bereid te praten waar vreemden bij waren. Ze schonken hun slechts duistere, wantrouwige blikken, zeker toen ze hun dure kleren zagen.
De reisgenoten bedankten Daan nogmaals dat hij hen naar de stad had gebracht en lieten hem bij zijn vrienden achter. Na een korte discussie besloten ze naar de markt te lopen in de hoop daar meer te weten te komen over wat er was gebeurd. Hoe verder ze liepen, hoe dichter de menigte werd, tot ze zich zowat een weg moesten banen door de overvolle straten. Mensen renden alle kanten op, informerend naar de nieuwste geruchten, en schudden moedeloos het hoofd. Nu en dan zagen ze burgers met haastig ingepakte eigendommen in de richting van de poort lopen.
‘We moeten wapens kopen,’ zei Caramon grimmig. ‘Het nieuws klinkt niet goed. Wie is die “gouden generaal” eigenlijk, denk je? De mensen moeten wel een hoge pet van hem ophebben als zijn verdwijning zoveel opschudding veroorzaakt.’
‘Waarschijnlijk een of andere ridder van Solamnië,’ zei Tanis. ‘En je hebt gelijk, we moeten wapens kopen.’ Hij legde zijn hand op zijn riem. ‘Verdorie! Ik had een beurs vol vreemde, oude gouden munten, maar nu is hij weg! Alsof we nog niet genoeg problemen hebben...’
‘Wacht eens even,’ gromde Caramon, die ook naar zijn riem tastte. ‘Verdorie! Wat... Net had ik mijn beurs nog!’ De grote krijger draaide zich met een ruk om en ving nog net een glimp op van een kleine gestalte die met een versleten leren beurs in zijn hand in de mensenmassa verdween. ‘Hé, jij daar! Dat is van mij!’ brulde Caramon. Mensen opzij duwend alsof ze rietstengels in de wind waren, rende hij achter de kleine dief aan. Hij strekte zijn grote hand uit, kreeg het zachte vest te pakken en plukte de hevig tegenstribbelende persoon van straat. ‘Geef me mijn...’ De grote krijger slaakte een kreet. ‘Tasselhof!’
‘Caramon!’ riep Tasselhof.
Van schrik liet Caramon hem vallen. Tasselhof blikte wild om zich heen.
‘Tanis!’ schreeuwde hij toen hij de halfelf uit de menigte zag opduiken. ‘O, Tanis!’ Tas rende op zijn vriend af en sloeg zijn armen om hem heen. Met zijn gezicht tegen Tanis’ riem gedrukt barstte de kender in snikken uit.
De inwoners van Kalaman stonden op de muren van hun stad. Nog maar een paar dagen eerder hadden ze dat ook gedaan, maar toen hadden ze in feestelijke stemming de triomfantelijke processie van ridders en zilveren en gouden draken gadegeslagen. Nu waren ze stil, grimmig en wanhopig. Ze keken uit over de vlakte terwijl de zon naar zijn hoogste punt aan de hemel klom. Bijna noen. Zwijgend wachtten ze.
Tanis stond naast Flint met zijn hand op de schouder van de dwerg. Die was bijna in tranen uitgebarsten toen hij zijn vriend zag.
Het was een droevig weerzien. Zachtjes en met overslaande stem hadden Flint en Tasselhof om de beurt aan hun vrienden verteld wat er was gebeurd sinds ze maanden eerder in Tarsis uiteen waren gegaan. De een praatte tot hij van emotie niet meer verder kon, waarop de ander het overnam. Zo hoorden de reisgenoten het verhaal over de vondst van de drakenlansen, de vernietiging van de drakenbol en Sturms dood.