Tanis boog het hoofd, overweldigd door verdriet bij dat nieuws. Even kon hij zich geen voorstelling maken van een wereld zonder zijn nobele vriend. Toen hij Tanis’ verdriet zag, vertelde Flint op barse toon over Sturms grote overwinning en de vrede die hij na zijn dood had gevonden.
‘Hij is een held in Solamnië,’ zei Flint. ‘Nu al worden er verhalen over hem verteld, net als over Huma. Met zijn ultieme offer heeft hij de ridderorde gered, zo wordt er gezegd. Meer zou hij niet gewenst hebben, Tanis.’
De halfelf knikte woordeloos. Toen zei hij, met een poging tot een glimlach: ‘Ga door. Vertel me wat Laurana heeft gedaan nadat ze in Palanthas aankwam. Is ze hier eigenlijk nog? Zo ja, we denken erover om...’
Flint en Tas wisselden een blik. De dwerg boog het hoofd. De kender wendde zijn blik af, snufte en veegde zijn neus af met een zakdoek.
‘Wat is er?’ vroeg Tanis met een stem die hij niet herkende. ‘Zeg het me.’
Langzaam vertelde Flint hem het verhaal. ‘Het spijt me, Tanis,’ zei de dwerg met piepende ademhaling. ‘Ik heb gefaald...’
De oude dwerg begon zo meelijwekkend te snikken dat Tanis’ hart schrijnde van verdriet. Hij sloeg zijn armen om zijn oude vriend heen.
‘Het was niet jouw schuld, Flint,’ zei hij met een stem die bars klonk van de ingehouden tranen. ‘Als iemand er al verantwoordelijk voor is, ben ik het. Voor mij heeft ze haar leven op het spel gezet, en misschien nog wel meer.’
‘Wijs met de beschuldigende vinger, en uiteindelijk vervloek je de goden,’ zei Waterwind met zijn hand op Tanis’ schouder. ‘Dat zegt mijn volk altijd.’
Dat bood Tanis geen troost.
‘Hoe laat komt de... de Zwarte Vrouwe?’
‘Op het middaguur,’ zei Tas zachtjes.
Nu was het bijna zover, en Tanis stond samen met de inwoners van Kalaman te wachten op de komst van de Zwarte Vrouwe. Gilthanas stond een eindje bij Tanis vandaan en negeerde hem nadrukkelijk. De halfelf kon het hem niet kwalijk nemen. Gilthanas wist waarom Laurana was weggegaan, hij wist wie Kitiara als aas had gebruikt om zijn zus in de val te lokken. Toen hij Tanis op kille toon had gevraagd of het waar was dat hij bij de Drakenheer Kitiara was geweest, kon die dat niet ontkennen.
‘Dan houd ik jou verantwoordelijk voor wat er met Laurana gebeurt,’ zei Gilthanas met een stem die beefde van woede. ‘En ik zal elke nacht bidden tot de goden dat jou hetzelfde afschuwelijke lot ten deel zal vallen als haar, maar dan honderd keer zo erg.’
‘Denk je niet dat ik daarmee zou kunnen leven als ik haar daarmee terug kon krijgen?’ riep Tanis gekweld uit. Maar Gilthanas wendde zich zonder een woord te zeggen af.
Nu begonnen de mensen te wijzen en te mompelen. Er was een donkere schaduw aan de hemel te zien: een blauwe draak.
‘Dat is haar draak,’ zei Tasselhof ernstig. ‘Ik heb hem gezien bij de Toren van de Hogepriester.’
In een trage spiraal cirkelde de blauwe draak loom over de stad, waarna hij nonchalant op schietafstand van de stadsmuur landde. Een doodse stilte daalde neer over de stad toen de ruiter in de stijgbeugels ging staan. De Zwarte Vrouwe deed haar helm af en sprak de mensen met heldere, galmende stem toe.
‘Inmiddels hebben jullie vernomen dat ik de elfenvrouw gevangen heb genomen die door jullie de gouden generaal wordt genoemd!’ riep Kitiara. ‘Indien jullie bewijs willen, kan ik jullie dit laten zien.’ Ze hief haar hand. Tanis zag het zonlicht weerkaatsen op een prachtig bewerkte zilveren helm. ‘Vanaf die afstand kunnen jullie het niet zien, maar in mijn andere hand heb ik een goudblonde haarlok. Beide zal ik hier op het veld laten liggen als ik wegga, als aandenken aan jullie “generaal”.’
Een dreigend geroezemoes steeg op van de stadsmuren. Kitiara zweeg even en keek de mensen kil aan. Tanis keek naar haar en boorde zijn nagels in zijn handpalmen in een poging zijn kalmte te bewaren. Onwillekeurig was er al een wild plan bij hem opgekomen waarin hij van de muur zou springen en haar ter plekke zou aanvliegen.
Goudmaan, die de wilde, wanhopige uitdrukking op Tanis’ gezicht zag, ging naast hem staan en pakte zijn arm vast. Ze voelde hem beven, maar toen verstrakte hij onder haar aanraking en maande hij zichzelf tot kalmte. Toen ze naar zijn gebalde vuisten keek, zag ze tot haar ontzetting dat er bloed langs zijn polsen liep.
‘De elfenmaagd Lauralanthalasa is naar de Koningin van de Duisternis in Neraka gebracht. Daar zal ze door de Koningin worden gegijzeld tot aan de volgende voorwaarden is voldaan. Ten eerste eist de Koningin dat de mens Berem, de Immerman, direct aan haar wordt overgedragen. Ten tweede eist ze dat de goede draken terugkeren naar Sanctie, waar ze zich dienen over te geven aan heer Ariakas. Ten slotte zal de elfenheer Gilthanas de ridders van Solamnië en de elfen uit zowel Qualinesti als Silvanesti opdragen de wapens neer te leggen. De dwerg Flint Smidsvuur zal van zijn volk verlangen dat ze hetzelfde doen.’
‘Dat is waanzin!’ riep Gilthanas ten antwoord. Hij liep naar de rand van de muur en keek neer op de Zwarte Vrouwe. ‘Met die eisen kunnen we niet instemmen. We hebben geen idee wie die Berem is en waar we hem kunnen vinden. Ik kan niet spreken voor mijn volk, en ook niet voor de goede draken. Je eisen zijn volslagen onredelijk!’
‘De Koningin is niet onredelijk,’ antwoordde Kitiara gladjes. ‘Hare duistere majesteit voorzag dat jullie tijd nodig zouden hebben om aan haar eisen te voldoen. Jullie hebben drie weken. Als jullie de man Berem, die zich naar wij geloven in de omgeving van Zeedrift ophoudt, binnen die tijd niet hebben gevonden en de goede draken niet hebben weggestuurd, kom ik terug. En dan zullen jullie niet alleen een haarlok van jullie generaal voor de poort van Kalaman zien liggen.’
Kitiara zweeg even.
‘Dan wordt het haar hoofd.’
Met die woorden wierp ze de helm vóór haar draak op de grond, en op haar bevel spreidde Skie zijn vleugels en steeg op.
Een hele tijd verroerde niemand zich en werd er niets gezegd. De mensen staarden naar de helm die voor de poort op de grond lag. Niets bewoog, niets leek kleur te hebben, zo leek het, behalve de rode linten aan de punt, die dapper golfden. Toen slaakte iemand een kreet van angst en wees naar de horizon.
Daar was iets ongelooflijks te zien. Het was zo afschuwelijk dat niemand het in eerste instantie wilde geloven en iedereen stiekem dacht dat hij gek was geworden. Maar het voorwerp kwam steeds dichterbij, tot iedereen gedwongen was toe te geven dat het echt was, hoewel de gruwel er niet minder door werd.
Zo ving het volk van Krynn voor het eerst een glimp op van de meest ingenieuze oorlogsmachine van heer Ariakas, de vliegende citadel.
In de krochten van de tempel van Sanctie hadden de magiegebruikers van de Zwarte Mantel en de zwarte priesters een kasteel van zijn grondvesten gerukt en doen opstijgen. Nu doemde de citadel, gedragen door donkergrijze onweerswolken, verlicht door helwitte bliksemschichten en omringd door honderd eskaders rode en zwarte draken, op boven Kalaman. Het gedrocht blokkeerde het zonlicht en wierp een angstaanjagende schaduw over de stad.
In doodsangst vluchtten de stedelingen weg van de muur. De drakenvrees kreeg hen in zijn ban, en iedereen in Kalaman werd overmand door paniek en wanhoop. Maar de draken van de citadel vielen niet aan. Drie weken, had de Duistere Koningin bevolen. Ze gaven die ellendige mensen drie weken. En ze zouden de wacht houden om te controleren of de ridders en de goede draken gedurende die tijd niet ten strijde trokken.
Tanis draaide zich om naar zijn metgezellen, die ineengedoken op de muur somber naar de citadel stonden te kijken. Omdat ze gewend waren aan de effecten van de drakenvrees, konden ze die weerstaan en waren ze niet op de vlucht geslagen, zoals de stedelingen. Nu stonden ze alleen op de muur.
‘Drie weken,’ zei Tanis duidelijk, en zijn vrienden draaiden zich naar hem om.
Voor het eerst sinds ze Zeedrift hadden verlaten zagen ze dat de woede en het zelfverwijt uit zijn gezicht verdwenen waren. Er lag een vredige blik in zijn ogen, die Flint sterk deed denken aan de rust die Sturm na zijn dood had uitgestraald.