‘Drie weken,’ herhaalde Tanis met een kalme stem, die Flint de koude rillingen bezorgde. ‘We hebben drie weken. Dat moet genoeg zijn. Ik ga naar Neraka, naar de Duistere Koningin.’ Zijn blik ging naar Berem, die vlak bij hem stond. ‘En jij gaat mee.’
Berem sperde zijn ogen wijd open van doodsangst. ‘Nee!’ jammerde hij, achteruitdeinzend. Toen hij zag dat de man op het punt stond op de vlucht te slaan, greep Caramon hem met zijn reusachtige hand vast.
‘Jij gaat met me mee naar Neraka,’ zei Tanis zachtjes, ‘of anders breng ik je nu meteen naar Gilthanas. De elfenheer houdt zielsveel van zijn zus. Hij zal niet aarzelen om je aan de Koningin van de Duisternis over te dragen als hij denkt dat hij Laurana op die manier vrij kan krijgen. Jij en ik weten wel beter. We weten dat het niets zou uitmaken als we jou uitleveren. Maar dat weet hij niet. Hij is een elf, en hij zal geloven dat ze zich aan de afspraak houdt.’
Behoedzaam nam Berem Tanis op. ‘Lever je me dan niet uit?’
‘Ik ga uitzoeken wat er aan de hand is,’ antwoordde Tanis kil, zonder antwoord te geven op de vraag. ‘Hoe dan ook heb ik een gids nodig, iemand die dat gebied kent...’
Berem rukte zich los uit Caramons greep en keek hen met een gejaagde blik in zijn ogen aan. ‘Goed dan, ik ga mee, ‘jammerde hij. ‘Als je me maar niet aan de elf geeft...’
‘Goed dan,’ zei Tanis meedogenloos. ‘Hou op met dat gesnotter. Ik wil vóór het donker weg en ik heb nog veel te regelen...’
Toen hij zich abrupt omdraaide, verbaasde het hem niet dat er een sterke hand om zijn arm werd gelegd. ‘Ik weet wat je wil zeggen, Caramon.’ Hij draaide zich niet om. ‘En het antwoord is nee. Berem en ik gaan samen.’
‘Dan gaan jullie samen de dood tegemoet,’ zei Caramon zachtjes. Nog steeds hield hij Tanis stevig vast.
‘Dan zij het zo.’ Tevergeefs trachtte de halfelf zich los te rukken. ‘Ik ben niet van plan jullie met me mee te sleuren.’
‘Dan zul je falen,’ zei Caramon. ‘Is dat wat je wilt? Wil je jezelf de dood injagen om een eind te maken aan je schuldgevoel? Zo ja, dan mag je nu mijn zwaard hebben. Maar als je Laurana echt wilt bevrijden, heb je hulp nodig.’
‘De goden hebben ons herenigd,’ zei Goudmaan vriendelijk. ‘Ze hebben ons weer samengebracht op het moment dat we elkaar het hardst nodig hebben. Het is een teken van de goden, Tanis. Ontken dat niet.’
De halfelf boog het hoofd. Huilen kon hij niet. Hij had geen tranen meer over. Tasselhof pakte zijn hand vast.
‘En trouwens,’ zei de kender opgewekt, ‘zonder mij loop je nog in zeven sloten tegelijk.’
9
Eén kaarsje.
In de stad Kalaman was het doodstil, de nacht nadat de Zwarte Vrouwe haar ultimatum had gesteld. Heer Calof riep de oorlogstoestand uit, wat betekende dat alle taveernes werden gesloten, de stadspoorten werden vergrendeld en gebarricadeerd en niemand weg mocht. De enigen die werden toegelaten waren de gezinnen uit de kleine boeren- en vissersdorpjes uit de omgeving van Kalaman. De eerste vluchtelingen kwamen vlak voor zonsondergang aan en vertelden angstige verhalen over draconen die brandend en plunderend over het land zwermden.
Sommige edelen van Kalaman waren gekant tegen een drastische maatregel als het uitroepen van de oorlogstoestand, maar Tanis en Gilthanas - die bij hoge uitzondering de handen ineen hadden geslagen - hadden de heer gedwongen die beslissing te nemen. Samen beschreven ze tot in het gruwelijkste detail de verwoesting van de stad Tarsis. Dat bleek een zeer overtuigende tactiek. Heer Calof maakte zijn beslissing bekend, maar staarde de twee mannen vervolgens hulpeloos aan. Het was overduidelijk dat hij geen flauw idee had hoe hij de verdediging van de stad moest aanpakken. De afschuwelijke schaduw van de vliegende citadel had de heer volledig verlamd, en het overgrote deel van zijn militaire leiders was er niet veel beter aan toe. Nadat Tanis naar de eerste wilde ideeën had geluisterd stond hij op.
‘Ik heb een voorstel, mijn heer,’ zei hij op respectvolle toon. ‘Er is hier iemand aanwezig die meer dan geschikt is om de verdediging van deze stad op zich te nemen—’
‘Jij zeker, halfelf?’ viel Gilthanas hem met een verbitterde glimlach in de rede.
‘Nee,’ antwoordde Tanis vriendelijk. ‘Jij, Gilthanas.’
‘Een elf?’ vroeg heer Calof verwonderd.
‘Hij was erbij in Tarsis. Hij heeft ervaring opgedaan in het vechten tegen draken en draconen. De goede draken vertrouwen hem en zullen op zijn oordeel afgaan.’
‘Dat is waar,’ zei Calof. Een uitdrukking van immense opluchting verscheen op zijn gezicht toen hij zich naar Gilthanas omdraaide. ‘We weten hoe de elfen over mensen denken, mijn heer, en ik moet toegeven dat dat gevoel wat de meeste mensen betreft wederzijds is. Maar we zouden u eeuwig dankbaar zijn als u ons in deze moeilijke tijd zou willen bijstaan.’
Even in verwarring gebracht staarde Gilthanas Tanis aan. Het bebaarde gezicht van de halfelf verried echter niets. Het was het gezicht van een dode, zo scheen het hem toe. Heer Calof vroeg hem nogmaals om hulp en voegde er iets aan toe over een beloning. Kennelijk dacht hij dat Gilthanas aarzelde omdat hij de verantwoordelijkheid niet op zich wilde nemen.
Gilthanas schrok op uit zijn mijmeringen. ‘Nee, mijn heer. Een beloning is niet nodig, en zelfs niet gewenst. Als ik kan helpen de inwoners van deze stad te redden, is dat een beloning op zich. En wat betreft het feit dat we tot verschillende rassen behoren’ - opnieuw keek hij naar Tanis - ‘misschien heb ik inmiddels genoeg geleerd om te beseffen dat het niet uitmaakt. Het heeft nooit uitgemaakt.’
‘Vertel ons wat we moeten doen,’ zei Calof gretig.
‘Eerst wil ik even met Tanis praten,’ zei Gilthanas, die zag dat de halfelf zich klaarmaakte voor vertrek.
‘Natuurlijk. Achter die deur rechts van u bevindt zich een kamertje waar u ongestoord met elkaar kunt praten.’ De heer gebaarde naar de deur in kwestie.
In het kleine, maar luxueus ingerichte vertrek bleven de mannen een hele tijd in ongemakkelijk stilzwijgen gehuld staan zonder elkaar recht aan te kijken. Gilthanas was degene die de stilte verbrak.
‘Altijd heb ik mensen geminacht,’ zei de elfenheer zachtjes, ‘en nu bereid ik me voor om de verantwoordelijkheid voor hun veiligheid op me te nemen.’ Hij glimlachte. ‘Dat is een fijn gevoel,’ voegde hij er zachtjes aan toe. Eindelijk keek hij Tanis aan.
Tanis beantwoordde zijn blik, en even ontspande zijn grimmige gezicht, al beantwoordde hij de glimlach van de elfenheer niet. Toen sloeg hij zijn ogen neer en werd zijn gezicht weer ernstig.
‘Je gaat naar Neraka, nietwaar?’ vroeg Gilthanas na een lange stilte.
Tanis knikte zwijgend.
‘En je vrienden? Gaan die mee?’
‘Sommigen van hen,’ antwoordde Tanis. ‘Ze willen allemaal mee, maar...’ Denkend aan hun toewijding was hij niet in staat zijn zin af te maken. Hij schudde zijn hoofd.
Gilthanas staarde naar een rijk bewerkte tafel en streek afwezig met zijn hand over het glanzende hout.
‘Ik moet gaan,’ zei Tanis mismoedig. Hij wilde naar de deur lopen. ‘Ik heb nog veel te doen. We willen om middernacht weg, zodra Solinari is ondergegaan—’
‘Wacht even.’ Gilthanas hield de halfelf met zijn hand op diens schouder tegen. ‘Ik... ik wilde nog zeggen dat het me spijt... wat ik vanmorgen heb gezegd. Nee, Tanis, ga nog niet weg. Luister naar wat ik te zeggen heb. Dit is niet gemakkelijk voor me.’ Gilthanas zweeg even. ‘Ik heb veel geleerd, Tanis - over mezelf. Het zijn pijnlijke lessen gebleken. En ik was ze meteen weer vergeten... toen ik het hoorde van Laurana. Ik was boos en bang en ik wilde naar iemand uithalen. Jij was het makkelijkste doelwit. Wat Laurana deed, deed ze uit liefde voor jou. Ook over liefde heb ik het een en ander geleerd, Tanis. Dat probeer ik althans.’ Zijn stem klonk verbitterd. ‘Eigenlijk leer ik vooral heel veel over pijn. Maar dat is mijn eigen probleem.’
Nu keek Tanis hem wel aan. Gilthanas’ hand lag nog steeds op zijn schouder.