‘Nu ik wat tijd heb gehad om na te denken,’ ging de elfenheer zachtjes verder, ‘besef ik dat Laurana de juiste beslissing heeft genomen. Ze moest wel gaan, anders zou haar liefde betekenisloos zijn geweest. Ze had vertrouwen in je, geloofde zo sterk in je dat ze naar je toe wilde toen ze hoorde dat je op sterven lag, ook al betekende dat dat ze naar dat afschuwelijke oord moest...’
Tanis boog het hoofd. Gilthanas greep hem stevig vast, met beide handen op zijn schouders.
‘Theros IJzerfeld heeft ooit gezegd dat hij in heel zijn leven nog nooit had meegemaakt dat iets wat uit liefde werd gedaan slecht afliep. Dat moeten we geloven, Tanis. Wat Laurana deed, deed ze uit liefde. Wat jij nu doet, doe je ook uit liefde. Dan moeten de goden je wel hun zegen geven.’
‘Hebben ze Sturm hun zegen gegeven?’ vroeg Tanis bars. ‘Hij had ook iemand lief.’
‘Hebben ze dat niet gedaan dan? Hoe weet je dat?’
Tanis legde zijn hand op die van Gilthanas en schudde zijn hoofd. Hij wilde het dolgraag geloven. Het klonk fantastisch, prachtig... net als de verhalen over draken. Als kind wilde hij graag in draken geloven...
Zuchtend wendde hij zich van de elfenheer af. Hij had zijn hand al op de deurklink toen Gilthanas weer iets zei.
‘Vaarwel... broeder.’
De reisgenoten troffen elkaar bij de stadsmuur, voor de geheime deur die Tasselhof had gevonden en die over de muur naar de vlakte leidde. Gilthanas had hun natuurlijk toestemming kunnen verlenen om door de poort te vertrekken, maar hoe minder mensen op de hoogte waren van deze onderneming hoe beter, vond Tanis.
Nu stonden ze samen in het kleine vertrek boven aan de trap. Solinari zakte net weg achter de bergen in de verte. Tanis, die zich een beetje afzijdig hield, keek naar de maan, waarvan de laatste zilveren stralen de kantelen beschenen van de afschuwelijke citadel die boven hen hing. In het zwevende kasteel zag hij lichtjes. Er liepen donkere gestalten rond. Wie woonde er in dat afgrijselijke gebouw? Draconen? De zwarte magiërs en priesters die het met hun magie van zijn grondvesten hadden getrokken en het drijvende hielden op de dikke, grijze wolkenmassa?
Achter zich hoorde hij de anderen zachtjes praten, allemaal behalve Berem. De Immerman, die door Caramon scherp in de gaten werd gehouden, stond een eindje verderop met grote, angstige ogen voor zich uit te kijken.
Een hele tijd bleef Tanis naar hen staan kijken. Toen zuchtte hij. Er stond hem opnieuw een afscheid te wachten, en deze keer zag hij er zo tegenop dat hij zich afvroeg of hij er de kracht voor had. Hij draaide zich om en keek naar de laatste stralen van Solinari, die het prachtige zilvergouden haar van Goudmaan beschenen. Toen hij naar haar gezicht keek, vredig en sereen zelfs nu ze aan het begin stond van een zware, gevaarlijke reis, wist hij dat hij de kracht had.
Met een zucht liep hij bij het raam weg en voegde zich bij zijn vrienden.
‘Is het zover?’ vroeg Tasselhof gretig.
Tanis glimlachte en streek vol genegenheid over Tas’ belachelijke knotje. Wat er in de wereld ook veranderde, kenders bleven altijd hetzelfde.
‘Ja,’ zei Tanis, ‘het is zover.’ Zijn blik ging naar Waterwind. ‘Voor sommigen van ons, tenminste.’
Toen de Vlakteman de rustige, standvastige blik van de halfelf beantwoordde, werden zijn gedachten weerspiegeld op zijn gezicht, in Tanis’ ogen zo duidelijk als de wolken die voor de nachtelijke hemel langstrokken. In eerste instantie keek Waterwind niet-begrijpend. Misschien had hij niet eens verstaan wat Tanis zei. Toen drong het tot hem door. Nu begreep hij het. Zijn strenge, grimmige gezicht liep rood aan en zijn bruine ogen vlamden. Tanis zei niets. Hij richtte alleen zijn blik op Goudmaan.
Waterwind keek naar zijn vrouw, die in een poel van zilveren maanlicht stond te wachten, diep in gedachten verzonken. Er lag een tedere glimlach om haar lippen, een glimlach die Tanis kort geleden pas voor het eerst had gezien. Misschien zag ze voor zich hoe haar kind speelde in de zon.
Zijn blik ging weer naar Waterwind. Hij kon zien dat de Vlakteman met zichzelf worstelde en wist dat de Que-shukrijger zou aanbieden, nee, erop zou staan hen te vergezellen, ook al betekende dat dat hij Goudmaan moest achterlaten.
Hij liep op de lange man af, legde zijn handen op diens schouders en keek hem recht in de donkere ogen.
‘Je werk zit erop, mijn vriend,’ zei Tanis. ‘Je hebt het pad van de winter ver genoeg gevolgd. Hier scheiden onze wegen zich. Onze weg leidt naar een onherbergzame woestenij. Die van jou voert tussen groene, bloeiende bomen door. Je hebt een verantwoordelijkheid jegens de zoon of dochter die straks ter wereld wordt gebracht.’ Nu legde hij zijn hand op de schouder van Goudmaan en trok haar naar zich toe, want hij zag dat ze wilde protesteren.
‘Het kindje zal in de herfst worden geboren,’ zei Tanis zachtjes, ‘als de vallènbomen met rood en goud getooid zijn. Niet huilen, lief kind.’ Hij nam Goudmaan in zijn armen. ‘De vallènbomen zullen terugkeren. En jij zult met je kleine krijger of je kleine meid naar Soelaas gaan en het verhaal vertellen over twee mensen die zoveel van elkaar hielden dat ze hoop deden gloren in een wereld vol draken.’
Hij drukte een kus op haar schitterende haar. Toen nam Tika zachtjes huilend zijn plaats in om afscheid te nemen van Goudmaan. Tanis draaide zich om naar Waterwind. Het strenge masker was van het gezicht van de Vlakteman afgegleden, en het verdriet was duidelijk van zijn gezicht af te lezen. Zelf kon Tanis nauwelijks iets zien door zijn tranen heen.
‘Gilthanas heeft hulp nodig bij het opstellen van een plan om de stad te verdedigen.’ Tanis schraapte zijn keel. ‘Ik zou willen dat dit werkelijk het eind van jullie donkere winter was, maar ik vrees dat hij nog even zal voortduren.’
‘De goden zijn met ons, mijn vriend, mijn broeder,’ zei Waterwind hortend terwijl hij de halfelf omhelsde. ‘Mogen ze ook met jou zijn. We zullen hier wachten op jullie terugkeer.’
Solinari zakte weg achter de bergen. Het enige licht aan de nachtelijke hemel was afkomstig van de kil glinsterende sterren en de afzichtelijke gloed achter de ramen van de citadel, die hen met gele ogen in de gaten leek te houden. Een voor een namen de reisgenoten afscheid van de Vlaktelieden. Daarna staken ze achter Tasselhof aan zachtjes de muur over, openden de deur en slopen de trap af. Tas duwde de deur onder aan de trap open. Voorzichtig, met hun handen op hun wapens, liepen de metgezellen de vlakte op.
Even bleven ze dicht bij elkaar staan kijken naar de vlakte, waar ze voor hun gevoel zelfs in de diepe duisternis gemakkelijk zichtbaar zouden zijn voor de duizenden ogen die vanuit de citadel toekeken.
Tanis, die naast Berem stond, kon voelen dat de man beefde van angst, en hij was blij dat hij Caramon opdracht had gegeven hem in de gaten te houden. Sinds hij had gezegd dat ze naar Neraka gingen, had de man een paniekerige, gejaagde blik in zijn blauwe ogen gehad, als een dier dat vastzat in een valstrik. Tanis betrapte zichzelf erop dat hij medelijden had met de man, maar drukte dat gevoel weg. Er stond te veel op het spel. Berem was de sleutel, het antwoord lag in hem en in Neraka besloten. Hoe ze dat antwoord moesten zien te achterhalen wist hij nog niet, al waren de eerste kiemen van een plan in zijn geest gezaaid.
In de verte werd de stilte verscheurd door hoorngeschal. Aan de horizon laaide een oranje licht op. Draconen die een dorp platbrandden. Tanis sloeg zijn mantel om zich heen. Lentedooi was al geweest, maar de winterkou was nog niet uit de lucht verdwenen.
‘We gaan,’ zei hij zachtjes.
Een voor een zag hij zijn vrienden over de strook open grasland rennen, naar de beschutting van de bomen. Daar wachtten kleine, snelle koperen draken op hen om hen naar de bergen te brengen.
Misschien komt er deze nacht nog een eind aan, dacht Tanis nerveus, terwijl hij Tas nakeek die als een muis de duisternis in schoot. Als de draken werden opgemerkt, als ze werden betrapt door de waakzame ogen in de citadel, was het allemaal voorbij. Dan zou Berem in handen van de Koningin vallen en zou het land in eeuwige duisternis worden gehuld.