Met lichte, zekere tred ging Tika achter Tas aan. Flint volgde haar op de hielen, hijgend en piepend. De dwerg leek opeens veel ouder. De gedachte kwam bij Tanis op dat hij gezondheidsproblemen had, maar hij wist dat de dwerg er nooit mee zou instemmen om achter te blijven. Nu rende Caramon door de duisternis, met rammelende wapenrusting. Met één sterke hand sleurde hij Berem met zich mee.
Mijn beurt, besefte Tanis toen de anderen veilig tussen de bomen waren verdwenen. Het is zover. Het verhaal nadert het einde, ten goede of ten kwade. Toen hij opkeek zag hij dat Goudmaan en Waterwind door het raampje in de torenkamer naar hem keken.
Ten goede of ten kwade.
Stel dat het eindigt in duisternis, vroeg Tanis zich voor het eerst af. Wat zal er dan met de wereld gebeuren? Wat zal er dan gebeuren met hen die ik achterlaat?
Vastberaden keek hij op naar die twee mensen die hem zo dierbaar waren als de familie die hij nooit had gehad. En terwijl hij keek stak Goudmaan een kaars aan. Even verlichtte het vlammetje haar gezicht en dat van Waterwind. Ze hieven hun hand ter afscheid en doofden toen het vlammetje, zodat het niet door vijandelijke ogen zou worden opgemerkt.
Met een diepe zucht draaide Tanis zich om en zette het op een lopen.
De duisternis zou misschien overwinnen, maar kon geen eind maken aan hoop. En hoewel er één kaarsje, en misschien wel heel veel kaarsen, zouden flakkeren en doven, zouden er met die oude kaarsen nieuwe worden aangestoken.
Zo blijft de vlam van de hoop altijd branden en verlicht hij de duisternis tot de dag aanbreekt.
Boek Drie
1
Een oude man en een gouden draak.
Hij was een oeroude gouden draak, de oudste van zijn soort. In zijn tijd was hij een woeste krijger. De littekens van zijn overwinningen waren duidelijk zichtbaar op zijn gerimpelde gouden huid. Ooit was zijn naam net zo glansrijk geweest als zijn zeges, maar hij was hem al lang vergeten. Enkele jonge, oneerbiedige gouden draken noemden hem vol genegenheid Pyriet, het goud van dwazen, vanwege zijn veelvuldige neiging om het heden te vergeten en het verleden te herbeleven.
Zijn tanden was hij voor het merendeel kwijt. Het was al eeuwen geleden dat hij voor het laatst een lekker stuk hertenvlees had gegeten of een kobold had verscheurd. Nu en dan zoog hij op een konijntje, maar verder leefde hij op havermout.
Wanneer Pyriet met beide poten in het heden stond, was hij een intelligente, zij het opvliegende metgezel. Zijn zicht ging hard achteruit, al weigerde hij dat toe te geven, en hij was zo doof als een kwartel. Maar met zijn verstand was niets mis. Zijn opmerkingen waren nog zo scherp als een hoektand, zoals het gezegde onder de draken luidde. Het enige probleem was dat hij meestal over iets heel anders praatte dan de anderen in het gezelschap.
Wanneer hij echter terugkeerde naar het verleden, trokken de andere gouden draken zich terug in hun grotten. Want als hij ze in zijn geheugen kon opdiepen, was hij erg goed in het uitspreken van betoveringen, en ook zijn vuurspuwtechniek had niets aan effectiviteit ingeboet.
Vandaag bevond Pyriet zich echter in het heden noch in het verleden. Hij lag op de vlakten van Estwild te dutten in de warme lentezon. Naast hem zat een oude man die eveneens zat te slapen, met zijn hoofd tegen de flank van de draak.
Een verfomfaaide, vormeloze hoed met een punt lag op het gezicht van de oude man om zijn ogen te beschermen tegen de zon. Onder die hoed vandaan golfde een lange witte baard. En onder een lang, muisgrijs gewaad staken twee gelaarsde voeten uit.
Allebei waren ze vast in slaap. De flanken van de gouden draak rezen en daalden op het ritme van zijn piepende ademhaling. De mond van de oude man hing open en soms snurkte hij zo hard dat hij er zelf wakker van schrok. Wanneer dat gebeurde, ging hij met een ruk rechtop zitten, waardoor zijn hoed op de grond rolde - waar die overigens niet mooier van werd - en keek hij verschrikt om zich heen. Als hij niets zag, bromde hij geërgerd in zichzelf, zette de hoed weer op (zodra hij die had teruggevonden), porde de draak een paar keer boos in de ribben en sliep verder.
Een toevallige voorbijganger zou zich misschien hebben afgevraagd waarom die twee in de naam van de Afgrond zo kalmpjes lagen te dutten op de vlakten van Estwild, ook al was het nog zo’n mooie lentedag. De voorbijganger zou waarschijnlijk tot de conclusie zijn gekomen dat ze op iemand wachtten, want nu en dan werd de oude man wakker, zette zijn hoed af en tuurde ernstig naar de hemel.
Een voorbijganger, als er al een was geweest, zou het wellicht een vreemde zaak hebben gevonden. Maar voorbijgangers waren er niet. Tenminste, geen vriendelijk gezinde. Op de vlakten van Estwild krioelde het van de draconen- en koboldensoldaten. Als de twee al wisten dat ze op een gevaarlijke plek lagen te slapen, leken ze zich daar niet druk om te maken.
De oude man werd wakker van een uitzonderlijk luide snurk en wilde net zijn metgezel een veeg uit de pan geven omdat hij zoveel kabaal maakte, toen er een schaduw over hen heen viel.
‘Ha!’ zei de oude man boos. Hij keek omhoog. ‘Drakenruiters! Een hele troep. En ze hebben vast niets goeds in de zin.’ De oude man trok zijn wenkbrauwen in een dreigende V samen. ‘Ik heb er zo langzamerhand genoeg van. Nu hebben ze ook nog het lef om in mijn zonlicht te gaan vliegen. Wakker worden!’ riep hij. Hij gaf Pyriet een por met een verweerde, oude houten staf.
De draak bromde, opende één gouden oog, staarde ermee naar de oude man (die voor hem niet meer was dan een muisgrijs waas) en deed hem kalm weer dicht.
De schaduwen van de vier bereden draken trokken verder.
‘Wakker worden zei ik, lui stuk vreten!’ schreeuwde de oude man. Gelukzalig snurkend liet de gouden draak zich op zijn rug rollen, met zijn poten in de lucht en zijn buik naar de warme zon gekeerd.
De oude man bleef even boos naar de draak staan kijken, waarna hij als in een ingeving naar de grote kop van het dier toe rende. ‘Oorlog!’ riep hij opgewekt recht in een van de oren van de draak. ‘Het is oorlog! We worden aangevallen.’
Het effect was opzienbarend. Pyriets vlammende ogen vlogen open. Hij rolde zich weer op zijn buik en groef zo diep met zijn klauwen in de grond dat hij bijna vast kwam te zitten. Fel hief hij zijn kop, spreidde zijn gouden vleugels en klapperde ermee, zodat de wolken stof en zand een mijl de lucht in stoven.
‘Oorlog!’ trompetterde hij. ‘Oorlog! We worden opgeroepen. Vorm eskaders! Aanvallen!’
De oude man leek een beetje van zijn stuk gebracht door die plotselinge transformatie. Bovendien kon hij even geen woord uitbrengen omdat hij per ongeluk een mond vol stof had ingeademd. Toen hij echter zag dat de draak op het punt stond op te stijgen, rende hij zwaaiend met zijn hoed op hem af.
‘Wacht!’ riep hij, hoestend en proestend. ‘Wacht op mij!’
‘Wie ben jij, dat ik op je zou moeten wachten?’ brulde Pyriet. De draak tuurde door het opstuivende zand. ‘Ben jij mijn tovenaar?’
‘Ja, ja,’ zei de oude man haastig. ‘Ik ben, eh... je tovenaar. Laat je vleugel eens een beetje zakken, dan kan ik erop klimmen. Bedankt, erg vriendelijk van je. Dan kan ik nu... Ho nou! Ik heb me nog niet vastgegespt! Kijk uit, mijn hoed! Verdorie, ik had toch niet gezegd dat je al mocht opstijgen?’
‘We moeten op tijd zijn voor de strijd,’ riep Pyriet fel. ‘Huma staat alleen!’
‘Huma!’ snoof de oude man. ‘Nou, voor die strijd ben je een beetje te laat. Een paar honderd jaar te laat, om precies te zijn. Maar dat was niet de strijd die ik in gedachten had. Ik doel op die vier draken, daar in het oosten. Boosaardige wezens! We moeten ze tegenhouden...’
‘Draken! Aha, ja, ik zie ze!’ brulde Pyriet, en hij steeg snel op om de achtervolging in te zetten op twee hevig geschrokken en diep beledigde adelaars.
‘Nee! Nee!’ riep de oude man. Hij schopte de draak in zijn flanken. ‘Naar het oosten, imbeciel! Twee punten naar het oosten!’
‘Weet je zeker dat jij mijn tovenaar bent?’ vroeg Pyriet dreigend. ‘Mijn tovenaar sloeg nooit zo’n toon tegen me aan.’