‘Eh... Neem me niet kwalijk, oude vriend,’ zei de oude man snel. ‘Ik ben gewoon een beetje zenuwachtig. De naderende strijd en zo.’
‘Bij de goden, daar vliegen vier draken,’ zei Pyriet verbijsterd, want nu pas ving hij een wazige glimp van ze op.
‘Vlieg er dicht naartoe, zodat ik ze goed op de korrel kan nemen,’ riep de oude man. ‘Ik ken een geweldige spreuk: Vuurbal. Maar ja,’ mompelde hij, ‘nu moet ik me nog zien te herinneren hoe die ook alweer ging.’
In het eskader van vier koperen draken reden twee drakenlegerofficiers mee. De ene reed voorop, een man met een baard en een helm die iets te groot voor hem leek, en die ver over zijn gezicht was getrokken zodat zijn ogen in schaduw gehuld waren. De andere reed achteraan. Het was een reusachtige man die bijna uit zijn zwarte wapenrusting barstte. Hij droeg geen helm - waarschijnlijk omdat er geen in zijn maat te krijgen was - maar zijn gezicht was grimmig, en hij hield met name de gevangenen die in het midden van het eskader op de rug van de twee andere draken zaten scherp in de gaten.
Het was een merkwaardige verzameling gevangenen: een vrouw in een bijeengeraapte wapenrusting, een dwerg, een kender en een man van middelbare leeftijd met lang, onverzorgd haar.
Dezelfde voorbijganger die de oude man en zijn draak had gezien zou misschien hebben opgemerkt dat de officiers en hun gevangenen hun uiterste best deden niet te worden opgemerkt door de grondtroepen van de Drakenheer. Toen een groepje draconen hen zag en naar hen schreeuwde in een poging hun aandacht te trekken, werden ze zelfs angstvallig genegeerd. Een heel opmerkzame toeschouwer zou zich ook hebben afgevraagd waarom vier koperen draken zich bij het leger van de Drakenheer hadden aangesloten.
Helaas waren de oude man noch zijn afgetakelde gouden draak bijzonder opmerkzaam.
Vanuit de wolken naderden ze ongezien het nietsvermoedende groepje.
‘Wacht op mijn bevel en duik dan de wolken uit,’ zei de oude man, kakelend van plezier bij het vooruitzicht op een gevecht. ‘We vallen ze van achteren aan.’
‘Waar is heer Huma?’ vroeg de draak, die met zijn bijziende ogen door de wolken probeerde te turen.
‘Dood,’ mompelde de oude man, die zich concentreerde op zijn spreuk.
‘Dood!’ brulde de draak ontzet. ‘Dus we zijn te laat?’
‘Ach, hou toch op,’ snauwde de oude man geïrriteerd. ‘Klaar?’
‘Dood,’ herhaalde de draak droevig. Toen vlamden zijn ogen op. ‘Maar we zullen hem wreken!’
‘Ja, precies,’ zei de oude man. ‘Nu... op mijn teken. Nee! nog niet! Ellendig stuk...’
De woorden van de oude man gingen verloren in het geraas van de wind toen de gouden draak de wolken uit dook en op de vier kleine draken afschoot als een speer die vanuit de hemel werd geworpen.
De grote drakenlegerofficier achter aan de groep ving boven hem een beweging op en keek omhoog. Zijn ogen werden groot.
‘Tanis!’ riep hij geschrokken naar de officier voorop.
De halfelf draaide zich om. Geschrokken door Caramons waarschuwende toon was hij voorbereid op problemen, maar in eerste instantie zag hij niets. Toen wees Caramon.
Tanis keek omhoog.
‘Wat, in de naam van de goden...’ fluisterde hij.
Uit de hemel dook een gouden draak als een komeet op hen af. Op de rug van de draak zat een oude man. Zijn witte haar golfde achter hem aan (want hij was zijn hoed kwijt) en zijn witte baard wapperde over zijn schouder. De draak had zijn muil ontbloot in een grauw die vals zou zijn geweest als hij nog tanden had gehad.
‘Ik geloof dat we worden aangevallen,’ zei Caramon vol ontzag.
Tanis was tot dezelfde conclusie gekomen. ‘Verspreiden!’ riep hij, binnensmonds vloekend. Onder hen bevond zich een complete divisie draconen die het luchtgevecht met grote belangstelling volgden. Het laatste wat hij wilde was de aandacht op zijn groep vestigen, en nu dreigde een krankzinnige oude man alles te verpesten.
Zodra de vier draken Tanis’ bevel hoorden, verbraken ze direct hun formatie, maar niet snel genoeg. Een felle vuurbal spatte midden tussen hen in uiteen, waardoor de draken wild werden weg geslingerd.
Kortstondig verblind door het felle licht liet Tanis de teugels vallen en sloeg zijn armen om de hals van de draak, die onstuitbaar rondtolde.
Toen hoorde hij een bekende stem.
‘Die was raak! Geweldige spreuk, die Vuurbal.’
‘Fizban,’ kreunde Tanis.
Knipperend met zijn ogen probeerde hij wanhopig zijn draak onder controle te krijgen. Maar het leek erop dat het dier beter wist hoe hij met dit soort situaties moest omgaan dan zijn onervaren ruiter, want al snel hervond hij zijn evenwicht. Nu Tanis weer behoorlijk kon zien keek hij snel om zich heen. De anderen leken ongedeerd, maar ze waren ver uiteengeslagen. De oude man op de draak achtervolgde Caramon; hij stak zijn hand uit, klaar om opnieuw een vernietigende betovering uit te spreken. Caramon schreeuwde en gebaarde, want ook hij had de warrige oude magiër herkend.
Van achteren stoven Flint en Tasselhof op Fizban af. De kender gilde en zwaaide opgetogen, terwijl Flint zich krampachtig aan de draak vastklampte. De dwerg zag werkelijk groen van misselijkheid.
Maar Fizban was volledig gericht op zijn prooi. Tanis hoorde de oude man enkele woorden roepen en zag hoe hij zijn hand uitstak. Bliksem schoot uit zijn vingertoppen. De schichten schoten vlak langs Caramons hoofd, maar omdat hij snel bukte richtten ze geen schade aan.
Tanis slaakte zo’n smerige verwensing dat hij er zelf van schrok. Toen schopte hij zijn draak in de flanken en wees naar de oude man.
‘Aanvallen,’ beval hij. ‘Doe hem niets, jaag hem alleen maar weg.’
Tot zijn verbazing weigerde de koperen draak. Schuddend met zijn kop begon de draak te cirkelen, en opeens drong tot Tanis door dat het dier wilde landen.
‘Wat? Ben je niet goed wijs?’ brulde Tanis tegen de draak. ‘Daar beneden is een heel drakenleger!’
Het dier hield zich echter doof, en nu zag Tanis dat alle koperen draken de landing hadden ingezet.
Tevergeefs probeerde Tanis zijn draak te overreden. Berem, die achter Tika zat, klampte zich zo stevig aan haar vast dat ze nauwelijks kon ademhalen. De Immerman hield zijn blik strak gericht op de draconen, die over de vlakte naar de plek stroomden waar de draken gingen landen. Caramon bewoog wild in het zadel heen en weer in een poging de bliksemflitsen te ontwijken waarmee hij aan alle kanten werd bestookt. Zelfs Flint was tot leven gekomen en rukte woest brullend aan de teugels van zijn draak, terwijl Tas nog steeds Fizban riep. De oude man vloog achter hen aan en dreef de koperen draken als schapen voor zich uit.
Ze landden aan de voet van de uitlopers van het Khalkistgebergte. Snel keek Tanis in de richting van de vlakte, en zag de draconen op hen afzwermen.
Misschien kunnen we ons eruit bluffen, dacht hij koortsachtig, maar hun vermomming was eigenlijk niet bedoeld om een groep wantrouwige draconen van dichtbij te misleiden. Toch was het een poging waard. Als Berem maar onthield dat hij zich op de achtergrond moest houden en stil moest zijn.
Voordat Tanis echter iets kon zeggen, was Berem al van de rug van zijn draak gesprongen en rende hij in paniek naar de heuvels. Hij zag dat de draconen naar hem wezen en tegen elkaar schreeuwden.
Op de achtergrond houden, ho maar. Opnieuw slaakte Tanis een verwensing. Misschien konden ze hier nog een mouw aan passen... Ze konden altijd nog beweren dat een van de gevangenen probeerde te ontsnappen. Nee, besefte hij wanhopig, de draconen zouden simpelweg achter Berem aan gaan en hem gevangen nemen. Als hij moest geloven wat Kitiara hem had verteld, had iedere dracoon op Krynn een beschrijving van Berem gekregen.
‘In de naam van de Afgrond!’ Tanis dwong zichzelf te bedaren en logisch na te denken, maar de situatie liep nu wel erg snel uit de hand. ‘Caramon, ga achter Berem aan. Flint, jij... Nee, Tasselhof, kom terug! Verdorie! Tika, ga achter Tas aan. Nee, bij nader inzien kun je beter hier blijven. Jij ook, Flint...’
‘Maar Tasselhof is achter die gekke oude—’