Выбрать главу

‘En als we geluk hebben, splijt de grond open en slokt hen allebei op!’ Tanis keek achterom en vloekte woest. Voortgedreven door angst klauterde Berem lichtvoetig als een berggeit over de rotsen en struiken, terwijl Caramon, gehinderd door het drakenharnas en zijn eigen wapenarsenaal voor elke stap voorwaarts er twee achteruitgleed.

Op de vlakten kon Tanis de draconen inmiddels duidelijk onderscheiden. Het zonlicht glansde op hun wapenrusting, zwaarden en speren. Misschien maakten ze nog een kans, als de koperen draken bereid waren aan te vallen.

Maar juist op het moment dat hij hen wilde bevelen ten strijde te trekken, kwam de oude man aangerend vanaf de plek waar hij zijn oude gouden draak had laten landen. ‘Ksst!’ zei hij tegen de koperen draken. ‘Ksst, wegwezen! Ga terug naar waar je vandaan komt!’

‘Nee, wacht!’ Tanis rukte zijn baard bijna uit van frustratie toen hij hulpeloos moest toekijken, terwijl de oude man zwaaiend met zijn armen als een boerin die haar kippen naar de ren jaagt tussen de draken door rende. Opeens hield de halfelf echter op met vloeken, want tot zijn grote verbijstering bogen de koperen draken diep voor de oude man met zijn muisgrijze gewaad. Vervolgens spreidden ze hun vleugels en stegen sierlijk op.

Razend van woede rende Tanis achter Tas aan over het platgetrapte gras naar de oude man toe. Hij was al vergeten dat hij een gestolen drakenharnas droeg. Fizban hoorde hen aankomen en draaide zich naar hen om.

‘Ga vooral zo door, dan was ik straks je mond uit met water en zeep,’ snauwde de oude magiër met een boze blik op Tanis. ‘Jullie zijn nu mijn gevangenen, dus kom rustig mee of ik zal jullie een staaltje geven van mijn toverkracht...’

‘Fizban!’ riep Tasselhof. Hij sloeg zijn armen om de oude man heen.

De magiër tuurde naar de kender die hem omhelsde en deinsde toen vol verbazing achteruit.

‘Nee maar, jij bent Tassel... Tassel...’ stamelde hij.

‘Klisvoet,’ zei Tas. Hij deed een stap achteruit en boog beleefd. ‘Tasselhof Klisvoet.’

‘Bij de geest van Huma!’ riep Fizban uit.

‘Dit is Tanis Halfelf. En dat is Flint Smidsvuur. Die ken je toch nog wel?’ ging Tasselhof verder terwijl hij naar de dwerg wees.

‘Eh, ja, ja hoor,’ mompelde Fizban met een rood gezicht van gêne.

‘En Tika... en dat daar is Caramon... Tja, hem kun je nu niet meer zien. En verder is Berem er nog. Die heeft zich in Kalaman bij ons aangesloten, en - o, Fizban, hij heeft een groene edel... Oef! Au, Tanis, dat deed pijn!’

Fizban kuchte ongemakkelijk en keek om zich heen.

‘Dus, eh... jullie horen niet bij, eh... het drakenleger?’

‘Nee,’ zei Tanis. ‘Tenminste, nog niet.’ Hij gebaarde naar achteren. ‘Maar daar kan elk moment verandering in komen.’

‘Hebben jullie echt niets met het drakenleger te maken?’ drong Fizban vol hoop aan. ‘Weet je zeker dat jullie je niet bij hen hebben aangesloten? Zijn gemarteld? Gehersenspoeld?’

‘Nee, verdomme!’ Tanis rukte zijn helm af. ‘Ik ben Tanis Halfelf, weet je nog...’

Fizban straalde. ‘Tanis Halfelf! Wat fijn om je weer te zien, jongen.’ Hartelijk schudde hij Tanis de hand.

‘Verdorie!’ snauwde Tanis geërgerd. Hij rukte zijn hand los uit de greep van de oude man.

‘Maar jullie reden op draken!’

‘Op goede draken!’ schreeuwde Tanis. ‘Ze zijn terug!’

‘Dat heeft niemand me verteld,’ zei de oude man verontwaardigd.

‘Besef je wel wat je hebt gedaan?’ ging Tanis verder zonder acht te slaan op de onderbreking. ‘Je hebt ons uit de lucht geschoten. Je hebt de draken weggejaagd, onze enige mogelijkheid om in Neraka te komen...’

‘O, ik weet best wat ik heb gedaan,’ mompelde Fizban. Hij keek over zijn schouder. ‘Hemeltjelief. Die jongens komen wel heel snel dichterbij. Het zou niet best zijn als ze ons te pakken kregen. Nou, waarom staan we hier nog?’ Hij keek Tanis boos aan. ‘Mooie leider ben jij. Dan zal ik zelf de leiding maar nemen... Waar is mijn hoed?’

‘Een mijl of vijf achter ons,’ antwoordde Pyriet, die uitgebreid gaapte.

‘Ben je er nu nog?’ vroeg Fizban met een geërgerde blik op de gouden draak.

‘Waar zou ik anders zijn?’ vroeg de draak chagrijnig.

‘Ik zei dat je met de anderen mee moest gaan!’

‘Had ik geen zin in.’ Pyriet brieste. Er schoten een paar vlammetjes uit zijn neusgaten, en dat kriebelde, waarop er een oorverdovende nies volgde. De draak haalde zijn neus op en ging gemelijk verder: ‘Geen respect voor ouderen, die koperen draken. Ze praten aan één stuk door! En dat gegiechel. Ik word stapelgek van dat onnozele gegiechel...’

‘Nou, dan moet je maar op eigen houtje terug.’ Fizban liep met grote passen op de draak af en keek hem recht in de waterige ogen. ‘Wij gaan een lange reis maken over gevaarlijk terrein...’

‘Wij?’ riep Tanis. ‘Moet je eens goed luisteren, oude man, Fizban of hoe je ook mag heten, ik stel voor dat jij met je, eh...je vriend hier meegaat. Je hebt gelijk. Het wordt een lange, gevaarlijke reis. Nog een stuk langer dan verwacht nu we onze draken kwijt zijn en—’

‘Tanis...’ zei Tika, die de draconen in de gaten hield, waarschuwend.

‘De heuvels in, snel,’ zei Tanis. Hij haalde diep adem in een poging zijn woede en angst te beheersen. ‘Ga maar, Tika. Neem Flint mee. En Tas...’ Hij greep de kender vast.

‘Nee, Tanis! We kunnen hem hier niet achterlaten,’ jammerde Tas.

‘Tas,’ zei Tanis op een toon waaruit de kender begreep dat het geduld van de halfelf op was en dat hij geen tegenspraak meer zou dulden. Kennelijk had de oude man dat ook begrepen.

‘Ik moet met deze lieden mee,’ zei hij tegen de draak. ‘Ze hebben me nodig. En jij kunt niet in je eentje terug. Dus je kunt maar beter polyfoneren...’

‘Polymorfen!’ zei de draak verontwaardigd. ‘Het juiste woord is “polymorfen”! Dat zeg je altijd verkeerd.’

‘Ook goed!’ riep de oude man. ‘Snel, dan nemen we je mee.’

‘Goed dan,’ zei de draak. ‘Ik kan de rust eigenlijk wel gebruiken.’

‘Ik denk niet...’ begon Tanis, die zich afvroeg waar ze een grote gouden draak moesten laten, maar het was al te laat.

Terwijl Tas gefascineerd toekeek en Tanis stond te koken van ongeduld sprak de draak enkele woorden in de vreemde taal van de magie. Er was een felle lichtflits en de draak was verdwenen.

‘Hè? Waar?’ Tas keek verwoed om zich heen.

Fizban bukte om iets uit het gras op te rapen.

‘Lopen! Nu!’ Tanis joeg Tas en de oude man de heuvels in, achter Tika en Flint aan.

‘Hier,’ zei Fizban onder het rennen tegen Tas. ‘Steek je hand eens uit.’

Tas deed wat hem werd opgedragen. Toen stokte de adem hem in de keel van ontzag. Als Tanis hem niet bij de arm had gepakt om hem mee te sleuren, was hij ter plekke blijven staan om het voorwerp te bestuderen.

Op Tas’ handpalm lag een piepklein draakje van glanzend goud, volmaakt tot in het kleinste detail. Hij beeldde zich in dat hij zelfs de littekens op de vleugels kon zien. In de ogen glinsterden twee rode edelsteentjes, maar die verdwenen toen het draakje zijn gouden oogleden sloot.

‘O Fizban, wat... wat mooi! Mag ik hem echt houden?’ riep de kender over zijn schouder tegen de oude man, die hijgend achter hem aan kwam.

‘Jazeker, m’n jongen,’ antwoordde de magiër stralend. ‘In elk geval tot dit avontuur ten einde is.’

‘Of tot dit avontuur ons einde betekent,’ mompelde Tanis, die snel over de rotsen heen klauterde. De draconen kwamen steeds dichterbij.

2

De gouden overspanning.

Steeds verder klommen ze de heuvels op, achtervolgd door de draconen, die inmiddels het vermoeden hadden dat ze met spionnen te maken hadden.

Het pad dat Caramon had gevolgd om achter Berem aan te rennen waren ze kwijtgeraakt, maar ze hadden geen tijd om ernaar te zoeken. Ze schrokken dan ook behoorlijk toen ze opeens op Caramon stuitten, die kalmpjes op een rotsbok zat met een bewusteloze Berem languit naast zich op de grond.

‘Wat is er gebeurd?’ vroeg Tanis hijgend, uitgeput na de lange klim.