Выбрать главу

‘Ik kreeg hem eindelijk te pakken.’ Caramon schudde zijn hoofd. ‘En hij stribbelde behoorlijk tegen. Hij is sterk voor zo’n oude man, Tanis. Ik moest hem een dreun verkopen. Ik ben alleen bang dat ik iets te hard heb geslagen,’ voegde hij eraan toe met een spijtige blik op de comateuze man.

‘Geweldig.’ Tanis was zelfs te moe om te vloeken.

‘Ik regel dit wel,’ zei Tika. Ze stak haar hand in een leren buidel.

‘De draconen zijn net die laatste grote rots voorbij,’ rapporteerde Flint, die strompelend op hen afkwam. De dwerg leek de uitputting nabij. Hij liet zich op een rotsblok vallen en depte zijn bezwete gezicht met de punt van zijn baard.

‘Tika...’ begon Tanis.

‘Hebbes!’ zei ze triomfantelijk terwijl ze een klein flesje tevoorschijn haalde. Geknield naast Berem haalde ze de stop eruit en bewoog het onder zijn neus heen en weer. De bewusteloze man ademde in en begon direct te hoesten.

Tika klopte hem stevig op zijn wangen. ‘Overeind!’ zei ze met haar barmeisjesstem. ‘Tenzij je wilt dat de draconen je te pakken krijgen.’

Verschrikt opende Berem zijn ogen. Met zijn handen om zijn hoofd ging hij duizelig rechtop zitten. Caramon hielp hem overeind.

‘Wat fantastisch, Tika!’ zei Tas opgewonden. ‘Laat mij eens...’ Voordat ze hem kon tegenhouden, had hij het flesje al afgepakt. Hij hield het onder zijn neus en snoof diep.

‘Gatver!’ Kokhalzend deinsde de kender achteruit, recht tegen Fizban op, die achter Flint aan het pad af kwam lopen. ‘Bah! Tika, wat... smerig!’ Hij kon nauwelijks een woord uitbrengen. ‘Wat is het?’

‘Een brouwsel van Otik,’ zei Tika grijnzend. ‘Alle barmeisjes hebben zo’n flesje. Dat kwam in heel veel situaties van pas, als je begrijpt wat ik bedoel.’ Haar glimlach verdween. ‘Arme Otik,’ zei ze zachtjes. ‘Ik vraag me af wat er van hem geworden is. En van de herberg...’

‘Daar hebben we nu geen tijd voor, Tika,’ zei Tanis ongeduldig. ‘We moeten gaan. Overeind, oude man!’ Dat was aan Fizban gericht, die net lekker was gaan zitten.

‘Ik weet een spreuk,’ zei Fizban weerbarstig, terwijl Tas aan hem rukte en trok. ‘Dan zijn we in één keer van dat ongedierte af. Poef!’

‘Nee!’ zei Tanis. ‘Absoluut niet. Alles zit al zo tegen, straks verander je ze nog in trollen.’

‘Ik vraag me af of ik dat kan...’ Fizbans gezicht klaarde op.

De middagzon was net zijn hoogste punt voorbij toen het pad dat ze volgden en dat steeds verder de bergen in leidde zich opeens splitste. De ene tak leidde naar de bergtoppen, de andere leek eromheen te slingeren. Misschien was er tussen de toppen een pas, dacht Tanis, een doorgang die ze indien nodig konden verdedigen.

Maar voordat hij een woord kon zeggen, liep Fizban het pad op dat om de berg heen leidde. ‘Deze kant op,’ zei de oude magiër. Geleund op zijn staf strompelde hij weg.

‘Maar...’ wilde Tanis protesteren.

‘Kom op, opschieten. Deze kant op,’ zei Fizban vasthoudend. Hij draaide zich om en keek hen aan van onder zijn borstelige witte wenkbrauwen. ‘Die weg loopt dood - in meerdere opzichten. Ik kan het weten. Ik ben hier al eens eerder geweest. Deze loopt om een berg heen naar een diep ravijn. Een ravijn met een brug. Die kunnen we oversteken, en als de draconen ons proberen te volgen, kunnen we ze tegenhouden.’

Tanis trok een boos gezicht, niet bereid de gekke oude magiër te vertrouwen.

‘Het is een goed plan, Tanis,’ zei Caramon langzaam. ‘Het is wel duidelijk dat we het op een gegeven moment tegen ze zullen moeten opnemen.’ Hij wees naar de draconen, die achter hen aan over de bergpaadjes omhoogliepen.

De halfelf keek om zich heen. Ze waren allemaal uitgeput. Tika was bleek en haar ogen stonden glazig. Ze leunde op Caramon, die zelfs onderweg zijn speren had achtergelaten om zijn last te verlichten.

Tasselhof grijnsde vrolijk naar hem, maar de kender hijgde als een klein hondje en hinkelde op één voet.

Berem zag er net zo uit als altijd, nors en bang. Om Flint maakte Tanis zich het meest zorgen. De dwerg had de hele weg nog geen woord gezegd. Hij was erin geslaagd hen bij te houden, maar zijn lippen waren blauw en hij haalde hortend en oppervlakkig adem. Nu en dan - als hij dacht dat er niemand keek - zag Tanis hem een hand op zijn borst leggen of over zijn linkerarm wrijven, alsof hij pijn had.

‘Goed dan,’ besloot de halfelf. ‘Ga maar voorop, oude magiër. Al zal ik hier waarschijnlijk spijt van krijgen,’ voegde hij er binnensmonds aan toe terwijl de anderen gehaast achter Fizban aan liepen.

Tegen zonsondergang hielden de reisgenoten halt. Ze stonden op een richel op ongeveer driekwart van de berghelling. Voor hen lag een diep, smal ravijn. In de diepte zagen ze een rivier die als een glinsterende slang over de bodem kronkelde.

Het was zeker vierhonderd voet naar beneden, schatte Tanis. Het pad waar ze op stonden liep dicht langs de flank van de berg, met aan de ene kant een loodrechte wand en aan de andere kant niets dan lucht. Er was slechts één manier om het ravijn over te steken.

‘En die brug,’ zei Flint - de eerste woorden die hij in uren had gesproken, ‘is ouder dan ik... en in nóg slechtere staat.’

‘Die brug is er al eeuwen!’ zei Fizban. ‘Hij heeft zelfs de Catastrofe overleefd.’

‘Dat geloof ik meteen,’ zei Caramon oprecht.

‘In elk geval is hij niet zo lang.’ Tika probeerde hoopvol te klinken, maar haar stem haperde.

De brug over het smalle ravijn was op unieke wijze gebouwd. Enorme vallèntakken waren aan weerszijden in de bergwand gedreven en vormden een X waar een dek van houten planken op rustte. Die planken waren echter verrot en gespleten. Als er ooit een balustrade was geweest, was die allang in de afgrond gevallen. Het hout kraakte en trilde in de kille avondwind.

Toen hoorden ze achter zich schraperige stemmen en het gerinkel van staal tegen steen.

‘We kunnen niet meer terug,’ mompelde Caramon. ‘Dan kunnen we maar beter een voor een oversteken.’

‘Daar is geen tijd voor,’ zei Tanis. Hij stond op. ‘We kunnen alleen maar hopen dat de goden met ons zijn. En ik geef dit niet graag toe, maar Fizban heeft gelijk. Als we eenmaal zijn overgestoken, kunnen we de draconen gemakkelijk tegenhouden. Ze zullen uitstekende doelwitten vormen op die brug. Ik ga als eerste. Kom in ganzenpas achter me aan. Caramon, jij gaat als laatste. Berem, jij blijft vlak achter me.’

Tanis zette een voet op de brug en liep er zo snel als hij durfde overheen. Hij voelde de planken trillen en zwaaien. In de diepte stroomde de rivier snel tussen de wanden van het ravijn door. Scherpe rotsen staken uit het woest schuimende water omhoog. De adem stokte Tanis in de keel en hij wendde snel zijn blik af. Hij voelde een kille leegte op de plaats waar zijn maag hoorde te zitten.

‘Niet naar beneden kijken,’ zei hij tegen de anderen. Even kon hij zich niet verroeren, maar toen vermande hij zich en ging voorzichtig verder. Berem liep vlak achter hem. Zijn angst voor de drakenmannen overvleugelde alle andere angsten die hij ooit had ervaren.

Achter Berem aan kwam Tasselhof, die lichtvoetig als alle kenders over de brug liep en vol verwondering over de rand naar beneden keek. Daarachter liep de doodsbange Flint, ondersteund door Fizban. Als laatsten stapten Tika en Caramon de trillende planken op, nerveus achterom kijkend.

Tanis was bijna halverwege toen een deel van het dek het begaf: het verrotte hout brak onder zijn voeten doormidden.

Instinctief en doodsbang graaide hij naar het dek en slaagde erin de rand vast te pakken. Maar het verrotte hout verkruimelde onder zijn aanraking. Zijn vingers gleden weg en...

... een hand sloot zich om zijn pols.

‘Berem!’ zei Tanis hijgend.

‘Hou je vast!’

Hij dwong zichzelf slap te blijven hangen, wetend dat de minste beweging van zijn kant het voor Berem moeilijker zou maken hem vast te houden.

‘Trek hem omhoog!’ hoorde hij Caramon brullen, en vervolgens: ‘Allemaal stil blijven staan! Nog even en dit hele geval begeeft het.’

Met een verstrakt gezicht en zweetdruppels op zijn voorhoofd van inspanning trok Berem Tanis omhoog. De halfelf zag de spieren in zijn arm opbollen, en het leek of zijn aderen elk moment door de huid heen konden barsten. Tergend langzaam - zo leek het althans - trok Berem de halfelf over de rand van de kapotte brug. Daar bleef Tanis liggen. Bevend van angst klampte hij zich vast aan het hout.