Toen hoorde hij Tika een kreet slaken. Hij keek op en besefte met een grimmig soort geamuseerdheid dat zijn redding hoogstwaarschijnlijk slechts uitstel van executie zou blijken. Achter hen op het pad doken een stuk of dertig draconen op. Tanis draaide zich om om het gapende gat in het midden van de brug te bestuderen. Daarachter was het dek nog intact. Zelf kon hij mogelijk over het gat heen springen en zich in veiligheid brengen, net als Berem en Caramon, maar dit gold niet voor Tas, Flint en Tika, en ook niet voor de oude magiër.
‘Uitstekende doelwitten, je zei het al,’ mompelde Caramon, die zijn zwaard trok.
‘Spreek een betovering uit!’ zei Tasselhof opeens.
‘Hè?’ Fizban knipperde met zijn ogen.
‘Een betovering!’ riep Tas, wijzend naar de draconen, die haastig aan kwamen lopen om het lot van de reisgenoten te bezegelen nu ze zagen dat die op de brug vastzaten.
‘Tas, we hebben al genoeg problemen,’ begon Tanis. De brug kraakte onder zijn voeten. Behoedzaam bewegend vatte Caramon vastberaden vóór hen post, met zijn gezicht naar de draconen gekeerd.
Tanis zette een pijl op de pees van zijn boog en schoot. Een dracoon greep naar zijn borst en viel krijsend het ravijn in. De halfelf schoot nogmaals en trof opnieuw doel. De draconen in het midden van de rij aarzelden en renden verward rond. Er was geen dekking, geen enkele manier om aan de dodelijke pijlen van de halfelf te ontsnappen. De draconen voor in de rij dromden naar de brug toe.
Op dat moment begon Fizban met zijn spreuk.
Toen Tanis de oude magiër op zangerige toon hoorde spreken, zakte de moed hem in de schoenen. Vervolgens hielp hij zichzelf er verbitterd aan herinneren dat het niet veel erger kon worden. Naast hem stond Berem naar de draconen te staren met een stoïcijns, beheerst gezicht waar hij van schrok, tot hij zich herinnerde dat de Immerman niet bang was voor de dood, omdat hij toch wel weer tot leven zou komen. Tanis vuurde nog een pijl af, en opnieuw slaakte een dracoon een kreet van pijn. Hij concentreerde zich zo volledig op zijn doelwitten dat hij Fizban vergat, tot hij Berem verbijsterd naar adem hoorde happen. Toen Tanis opkeek, zag hij dat de man naar de hemel stond te staren. Hij volgde zijn blik en schrok zo dat hij bijna zijn boog liet vallen.
Uit de wolken, fel schitterend in de laatste zonnestralen, kwam een lange, gouden overspanning. Gestuurd door de handgebaren van de oude magiër daalde hij af uit de hemel om het gat te overbruggen.
Tanis kwam weer bij zijn positieven. Hij keek om zich heen en zag dat ook de draconen gebiologeerd en met een schittering in hun reptielenogen naar de gouden overspanning stonden te staren.
‘Schiet op!’ riep Tanis. Hij greep Berem bij de arm, trok hem met zich mee en sprong op de overspanning, die ongeveer een voet boven het gat zweefde. Onhandig struikelend volgde Berem hem. Ook toen ze er al op stonden daalde de overspanning onder Fizbans leiding nog verder, zij het iets langzamer.
De overspanning hing nog een duim of acht boven het dek toen Tas er met een wilde kreet op sprong en de met stomheid geslagen dwerg met zich meesleurde. Opeens beseften de draconen dat hun prooi dreigde te ontsnappen, en brullend van woede renden ze de houten brug op. Tanis stond aan het andere uiteinde van de houden overspanning pijlen af te vuren op de voorste draconen. Caramon bleef achter en dreef ze met zijn zwaard terug.
‘Oversteken!’ beval Tanis toen Tika naast hem de overspanning op sprong. ‘Blijf bij Berem. Hou hem in de gaten. Jij ook, Flint, ga met haar mee. Schiet op!’ grauwde hij fel.
‘Ik blijf wel bij jou, Tanis,’ bood Tasselhof aan.
Met een blik over haar schouder op Caramon volgde Tika schoorvoetend het bevel op. Ze greep Berem vast en duwde hem voor zich uit. Nu hij de draconen op zich afzag komen, had hij weinig aansporing nodig. Samen renden ze over de overspanning naar de overgebleven helft van de houten brug. Die kraakte verontrustend onder hun gewicht. Tanis kon alleen maar hopen dat hij het zou houden. Hij had geen tijd om achterom te kijken. Kennelijk ging het goed, want hij hoorde Flint er met zijn zware laarzen overheen stommelen.
‘We zijn er!’ riep Tika vanaf de andere kant van het ravijn.
‘Caramon!’ riep Tanis. Hij schoot nog een pijl af en probeerde niet weg te glijden op de gouden overspanning.
‘Ga dan!’ snauwde Fizban geïrriteerd tegen de krijger. ‘Ik moet me concentreren. Ik moet de overspanning op de juiste plek laten zakken. Nog een paar duim naar links, denk ik...’
‘Tasselhof, oversteken,’ beval Tanis.
‘Ik laat Fizban niet achter!’ zei de kender koppig toen Caramon de gouden overspanning opliep. Zodra de draconen de grote krijger zagen weglopen, dromden ze weer naar voren. Tanis schoot zo snel als hij kon zijn pijlen af; een van de draconen lag in een grote plas groen bloed op de brug, een andere viel over de rand. Maar de halfelf begon moe te worden. Erger nog: hij raakte door zijn pijlen heen. En de draconen bleven maar komen. Naast Tanis bleef Caramon staan.
‘Schiet op, Fizban!’ smeekte Tas handenwringend.
‘Zo,’ zei Fizban tevreden. ‘Past precies. En die gnomen maar beweren dat ik geen technisch inzicht had.’
Op het moment dat hij dat zei, begon de andere helft van de houten brug — de helft die nog intact was, de helft die naar de veilige overkant van het ravijn leidde — te kraken. Hij viel in stukken uiteen en stortte in de diepte.
In de naam van de goden!’ Angstig slikkend greep Caramon Tanis vast en sleurde hem terug, precies op het moment dat die de houten brug op wilde stappen.
‘We kunnen geen kant op,’ zei Tanis schor. Hij keek de planken na die tollend het ravijn in vielen en zijn ziel leken mee te sleuren. Aan de overkant hoorde hij Tika gillen, en haar kreten vermengden zich met het triomfantelijke gebrul van de draconen.
Er klonk een schurend, knappend geluid. De opgetogenheid van de draconen sloeg om in angst en ontzetting.
‘Tanis! Kijk!’ riep Tas, wild van opwinding. ‘Kijk!’
De halfelf keek nog net op tijd achterom om te zien dat de andere helft van de houten brug het ravijn in stortte en de meeste draconen met zich mee sleurde. Hij voelde de gouden overspanning trillen.
‘Zo meteen vallen wij ook nog,’ brulde Caramon. ‘We steunen nergens meer op...’
Caramons tong kleefde aan zijn gehemelte. Moeizaam slikkend keek hij om zich heen.
‘Ik geloof mijn ogen niet,’ mompelde hij.
‘Ik om de een of andere reden wel...’ Tanis slaakte een beverige zucht.
Midden in het ravijn, zwevend in het luchtledige, hing de magische gouden overspanning, glinsterend in het licht van de ondergaande zon, terwijl de houten brug aan weerszijden ervan in de diepte stortte. Op de overspanning stonden vier gestalten die de brokstukken nakeken en staarden naar de grote leegte tussen hen en de wanden van het ravijn.
Een hele tijd bleef het doodstil. Toen draaide Fizban zich triomfantelijk om naar Tanis.
‘Fantastische spreuk,’ zei de magiër trots. ‘Heb je een touw?’
Het was al lang donker toen de reisgenoten eindelijk de gouden overspanning af waren. Ze wierpen Tika een touw toe en wachtten af tot zij en de dwerg het stevig om een boom hadden geknoopt. Vervolgens sprongen Tanis, Caramon, Tas en Fizban een voor een van de overspanning en lieten zich door Berem langs de wand van het ravijn ophijsen. Zodra ze allemaal veilig aan de overkant waren, lieten ze zich uitgeput op de grond vallen. Ze waren zo moe dat ze niet eens de moeite namen een beschut plekje te vinden. Ze spreidden hun dekens uit tussen een stel miezerige dennen en zetten een wacht uit. De anderen vielen meteen in slaap.
De volgende ochtend werd Tanis met stijve, pijnlijke spieren wakker. Het eerste wat hij zag was de zon die fel werd weerkaatst door de gouden overspanning, die nog steeds in de lucht zweefde.