‘Denk je dat je dat ding kunt laten verdwijnen?’ vroeg hij aan Fizban, die samen met Tas quith-pa uitdeelde voor het ontbijt.
‘Ik ben bang van niet,’ zei de oude man met een weemoedige blik op de overspanning.
‘Hij heeft vanochtend al een aantal spreuken geprobeerd,’ zei Tas met een knikje naar een den die volledig schuilging onder een spinnenweb, en een andere waar alleen nog een verschroeid stompje van over was. ‘Ik heb hem maar gevraagd op te houden voordat hij ons allemaal in krekels veranderde of zoiets.’
‘Goed idee,’ mompelde Tanis. Somber staarde hij naar de glanzende overspanning. ‘Nou, we hadden geen duidelijkere aanwijzing achter kunnen laten. We hadden net zo goed een pijl op de wand van het ravijn kunnen schilderen.’ Hoofdschuddend ging hij naast Caramon en Tika zitten.
‘En je kunt erop rekenen dat ze achter ons aan zullen komen,’ zei Caramon, die met lange tanden op quith-pa kauwde. ‘Met draken om hen over het ravijn heen te vliegen.’ Zuchtend stak hij het grootste deel van het fruit weg in zijn buidel. ‘Caramon?’ vroeg Tika. ‘Je hebt niet veel gegeten...’
‘Ik heb geen honger,’ mompelde hij. Hij stond op. ‘Ik ga vast een eindje vooruit.’ Hij hees zijn rugzak en wapens op zijn schouders en liep het pad op.
Met haar gezicht afgewend om Tanis’ blik te mijden begon Tika druk haar spullen op te ruimen.
‘Raistlin?’ vroeg Tanis.
Tika hield op met inpakken. Ze liet haar handen op haar schoot vallen.
‘Blijft hij altijd zo, Tanis?’ vroeg ze hulpeloos. Ze keek de krijger met liefdevolle blik na. ‘Ik begrijp het niet.’
‘Ik ook niet,’ zei Tanis, die toekeek terwijl de grote man opging in de wildernis. ‘Maar ik heb dan ook nooit een broer of zus gehad.’
‘Ik begrijp het wel,’ zei Berem. Zijn stem beefde zo hevig van hartstocht dat het Tanis’ aandacht trok.
‘Hoe bedoel je?’
Zodra de Immerman die vraag hoorde, verdween de gretige, hongerige blik echter.
‘Niets,’ mompelde hij met een strak gezicht.
‘Wacht!’ Snel stond Tanis op. ‘Hoezo begrijp jij Caramon?’ Hij legde zijn hand op Berems arm.
‘Laat me met rust!’ schreeuwde Berem fel. Hij duwde Tanis ruw van zich af.
‘Hé, Berem,’ zei Tasselhof, die glimlachend opkeek alsof hij niets had gehoord. ‘Ik zat mijn kaarten te bekijken, en ik heb er een gevonden waar een heel interessant verhaal aan vastzit...’
Met een gejaagde blik op Tanis schuifelde Berem naar Tasselhof toe, die in kleermakerszit op de grond zat met zijn kaarten om zich heen. Gebogen over de kaarten leek de Immerman algauw vol verwondering op te gaan in een van Tas’ verhalen.
‘Laat hem maar met rust, Tanis,’ adviseerde Flint. ‘Als je het mij vraagt begrijpt hij Caramon alleen maar omdat hij net zo gek is als Raistlin.’
‘Ik heb het je niet gevraagd, maar toch bedankt,’ zei Tanis. Hij ging naast de dwerg zitten om zijn eigen portie quith-pa op te eten. ‘We moeten zo weg. Met een beetje geluk vindt Tas een kaart...’
Flint snoof. ‘Ha! Alsof we daar iets aan zullen hebben. De laatste keer dat we op een kaart van hem afgingen, kwamen we uit bij een havenstad zonder zee.’
Tanis verborg zijn glimlach. ‘Misschien loopt het deze keer anders,’ zei hij. ‘Het is in elk geval beter dan Fizban de weg laten wijzen.’
‘Daar heb je gelijk in,’ gaf de dwerg nors toe. Met een zijdelingse blik op Fizban leunde hij naar Tanis toe. ‘Heb je je nooit afgevraagd hoe hij erin is geslaagd die val in Pax Tharkas te overleven?’ vroeg hij op luide fluistertoon.
‘Ik vraag me wel meer af,’ zei Tanis zachtjes. ‘Hoe jij je voelt, bijvoorbeeld.’
De dwerg knipperde met zijn ogen, volkomen verrast door die opmerking. ‘Prima!’ snauwde hij met een rood aangelopen gezicht.
‘Soms zie ik je namelijk over je linkerarm wrijven,’ ging Tanis verder.
‘Reumatiek,’ grauwde de dwerg. ‘Je weet toch dat ik daar in de lente altijd last van heb? En het wordt er niet beter op als ik telkens op de grond moet slapen. Ik dacht dat je zei dat we weg moesten.’ De dwerg begon druk zijn spullen in te pakken.
‘Inderdaad.’ Met een zucht wendde Tanis zich af. ‘Iets gevonden, Tas?’
‘Ja, ik denk van wel,’ antwoordde de kender gretig. Hij rolde zijn kaarten op, stak ze in de koker en liet die in een buidel glijden. Ondertussen wierp hij een snelle blik op zijn gouden draakje. Hoewel het figuurtje van metaal leek, nam het om de haverklap een andere houding aan. Op het moment omklemde hij een gouden ring - Tanis’ ring, die Laurana aan hem had gegeven en die hij aan haar had teruggegeven toen hij haar vertelde dat hij verliefd was op Kitiara. Tasselhof ging zo op in zijn studie van de draak en de ring dat hij bijna vergat dat Tanis op hem wachtte.
‘O,’ zei hij toen hij Tanis ongeduldig hoorde kuchen. ‘Kaart. Ja. Zie je, toen ik nog een klein kendertje was, gingen mijn ouders en ik altijd via het Khalkistgebergte — daar bevinden we ons nu — naar Kalaman. Alleen namen we meestal de langere noordelijke route. Elk jaar was er in Taman Busuk een markt waar de prachtigste dingen werden verkocht, en daar ging mijn vader altijd naartoe. Maar op een keer — volgens mij in het jaar dat hij in de gevangenis werd gesmeten vanwege een misverstand met een juwelier — besloten we door de bergen te gaan. Mijn moeder wilde altijd al dolgraag een keer naar Godsheem, dus—’
‘De kaart?’ viel Tanis hem in de rede.
‘Ja, de kaart.’ Tas zuchtte. ‘Hier. Hij was van mijn vader, geloof ik. Hier zijn we nu, voor zover Fizban en ik kunnen vaststellen. En daar ligt Godsheem.’
‘Wat is dat?’
‘Een oude stad. Een ruïne, want tijdens de Catastrofe is iedereen weggevlucht...’
‘En waarschijnlijk krioelt het er van de draconen,’ maakte Tanis de zin af.
‘Nee, niet dat Godsheem,’ ging Tas verder. Hij legde zijn vinger op een plek in de bergen, in de buurt van de stip die de stad voorstelde. ‘Dit hier heet ook Godsheem. Volgens Fizban heette het al zo, lang voordat er een stad werd gebouwd.’
Tanis wierp een blik op de oude magiër, die knikte.
‘Lang geleden geloofden de mensen dat daar de goden woonden,’ zei hij ernstig. ‘Het is een heilige plaats.’
‘En het is verborgen,’ voegde Tas eraan toe, ‘in een kom midden tussen deze bergen. Zie je? Er komt nooit iemand volgens Fizban. Niemand weet dat dat pad er is, behalve hij. En er staat ook een pad op mijn kaart dat in elk geval de bergen inloopt...’
‘Er komt nooit iemand?’ vroeg Tanis aan Fizban.
De oude magiër kneep geïrriteerd zijn ogen tot spleetjes. ‘Nee.’
‘Behalve jij?’ drong Tanis aan.
‘Ik ben op heel veel plaatsen geweest, halfelf.’ De magiër snoof. ‘Heb je een jaartje? Dan zal ik je er alles over vertellen.’ Hij schudde met zijn vinger tegen Tanis. ‘Je waardeert me niet, jongeman. Altijd zo wantrouwig. En dat na alles wat ik voor je heb gedaan...’
‘Eh... Daar zou ik hem maar niet aan helpen herinneren,’ zei Tas haastig toen hij Tanis’ gezicht zag betrekken. ‘Kom mee, oude man.’
Samen liepen ze snel het pad op, Fizban stampvoetend en met een boos vooruitgestoken baard.
‘Hebben de goden echt gewoond op de plaats waar we naartoe gaan?’ vroeg Tas om te voorkomen dat hij Tanis opnieuw zou lastigvallen.
‘Hoe moet ik dat weten?’ vroeg Fizban geërgerd. ‘Zie ik eruit als een god?’
‘Maar—’
‘Heeft iemand je wel eens verteld dat je veel te veel praat?’
‘Bijna iedereen,’ antwoordde Tas opgewekt. ‘Heb ik je wel eens verteld over die keer dat ik een mammoet heb gezien?’
Tanis hoorde Fizban kreunen. Tika liep haastig langs hem heen achter Caramon aan.
‘Ga je mee, Flint?’ riep Tanis.
‘Ja,’ antwoordde de dwerg, die met een bons op een rotsblok ging zitten. ‘Geef me even wat tijd. Ik heb mijn rugzak laten vallen. Ga maar vast.’
Omdat hij onder het lopen de kaart van de kender bestudeerde, zag Tanis niet dat Flint ineenzakte. Hij hoorde de merkwaardige klank in de stem van de dwerg niet en zag evenmin dat zijn gezicht even vertrok van de pijn.