‘Wel een beetje opschieten,’ zei Tanis afwezig. ‘We willen je niet achterlaten.’
‘Goed, jongen,’ zei Flint zachtjes. Hij bleef rustig op het rotsblok zitten wachten tot de pijn weg zou trekken, zoals altijd.
Hij keek zijn vriend na die, nog steeds een beetje onhandig bewegend in zijn drakenharnas, over het pad liep. We willen je niet achterlaten, had hij gezegd.
‘Goed, jongen,’ mompelde Flint bij zichzelf. Snel streek hij met zijn knoestige hand over zijn ogen, waarna hij opstond en achter zijn vrienden aan liep.
3
Godsheem.
Het was een lange en vermoeiende dag waarin ze ronddwaalden door de bergen, doelloos, voor zover de ongeduldige halfelf kon beoordelen.
Het enige wat hem ervan weerhield Fizban te wurgen - nadat ze voor de tweede keer in minder dan vier uur een doodlopend ravijn in waren gelopen - was het onmiskenbare feit dat de oude man wél in de goede richting ging. Ook al waren ze voor zijn gevoel om de haverklap de weg kwijt en durfde Tanis te zweren dat ze drie keer langs hetzelfde rotsblok waren gekomen, telkens als hij een glimp opving van de zon bleek dat ze feilloos in zuidoostelijke richting bewogen.
Maar naarmate de dag vorderde zag hij de zon steeds minder vaak. De bittere winterkou was uit de lucht verdwenen en de wind droeg zelfs de vage geur van groei en bloei met zich mee. Al snel verschenen er echter loodgrijze wolken aan de hemel en begon het te regenen, een gestage, roffelende regen die door de dikste mantel heen drong.
Halverwege de middag liep iedereen er somber en moedeloos bij, zelfs Tasselhof, die fel met Fizban had gekibbeld over de juiste weg naar Godsheem. Dat vond Tanis des te frustrerender omdat ze overduidelijk geen van beiden wisten waar ze waren. (Hij had Fizban er zelfs op betrapt dat die de kaart op z’n kop hield.) De ruzie draaide erop uit dat Tasselhof zijn kaarten terug in zijn buidel stopte en weigerde ze weer tevoorschijn te halen, terwijl Fizban dreigde met een spreuk die Tasselhofs knotje in een paardenstaart zou veranderen.
Ten slotte werd Tanis hen allebei zo beu dat hij Tas naar achteren stuurde om af te koelen, Fizban sussend toesprak en stiekem overwoog hen samen in een grot op te sluiten.
De kalmte die de halfelf in Kalaman had gevoeld verdween langzaam tijdens de troosteloze reis. Die kalmte, zo besefte hij nu, had hij gevoeld zolang hij bezig was, zolang hij beslissingen moest nemen en het troostende gevoel had dat hij eindelijk iets tastbaars deed om Laurana te helpen. Die gedachten hadden hem drijvende gehouden in het donkere water dat hem omringde, zoals de zee-elfen hem in de Bloedzee van Istar hadden geholpen. Maar nu voelde hij dat dat donkere water zich weer boven zijn hoofd dreigde te sluiten.
Tanis kon aan niets anders denken dan aan Laurana. Keer op keer hoorde hij Gilthanas’ beschuldigende woorden: ‘Dit heeft ze voor jou gedaan!’ En hoewel Gilthanas hem wellicht had vergeven, wist hij dat hij zichzelf nooit zou kunnen vergeven. Wat gebeurde er met Laurana in de tempel van de Duistere Koningin? Leefde ze nog? Tanis huiverde inwendig bij die gedachte. Natuurlijk leefde ze nog! De Duistere Koningin zou haar niet doden zolang ze Berem nog niet had.
Tanis richtte zijn blik op de man die voor hem liep, vlak bij Caramon. ‘Ik doe alles om Laurana te redden,’ zwoer hij binnensmonds en met gebalde vuist. ‘Alles! Ook als dat inhoudt dat ik mezelf moet opofferen, of...’
Hij zweeg. Zou hij Berem echt uitleveren? Zou hij de Immerman echt aan de Duistere Koningin geven en zo wellicht de wereld onderdompelen in een duisternis zo diep dat het licht er nooit meer doorheen kon dringen?
Nee, hield Tanis zichzelf stellig voor. Laurana zou liever sterven dan deel uit te maken van een dergelijk akkoord. Maar nadat hij nog een paar passen had gelopen, veranderde hij van gedachten. De wereld moest maar voor zichzelf zorgen, dacht hij mistroostig. We zijn gedoemd. We kunnen het toch niet winnen, wat er ook gebeurt. Laurana’s leven, dat is het enige wat ertoe doet... het enige...
Tanis was niet de enige in de groep die gebukt ging onder sombere gedachten. Tika liep naast Caramon, en haar rode krullen waren als een bron van licht en warmte tussen al dat grijs. Maar de enige glans was die van haar felrode haar, want uit haar ogen was die verdwenen. Hoewel Caramon onverminderd lief tegen haar was, had hij haar niet meer omhelsd sinds dat heerlijke, korte moment waarin hij zijn liefde aan haar had geschonken. Tijdens de lange nachten maakte ze zich daar boos over. Hij had haar gebruikt, besloot ze, om zijn eigen pijn te verlichten. Ze bezwoer dat ze hem zou verlaten zodra dit alles achter de rug was. In Kalaman was er een rijke jonge edelman die zijn ogen niet van haar af kon houden... Maar dat dacht ze alleen ’s nachts. Wanneer Tika overdag naar Caramon keek en zag hoe hij met gebogen hoofd naast haar voortploeterde, smolt ze. Liefdevol raakte ze hem aan. Hij keek snel op en glimlachte. Tika zuchtte. Die rijke jonge edelman had pech.
Flint kloste voort. Hij sprak zelden en klaagde nooit. Als Tanis niet zo in beslag was genomen door zijn innerlijke tweestrijd, zou hij dat als een slecht teken hebben opgevat.
Wat Berem betrof... Niemand wist wat er door zijn hoofd ging, misschien wel niets. Hoe verder ze reisden, des te zenuwachtiger en behoedzamer leek hij te worden. De blauwe ogen die te jong waren voor zijn gezicht schoten heen en weer als die van een gekooid dier.
‘s Ochtends was iedereen nog een stuk opgewekter geweest, toen Fizban had verkondigd dat ze snel in Godsheem zouden zijn. Maar de somberheid kreeg al snel de overhand. De regen werd heviger. Drie keer binnen een uur ging de oude magiër hen voor de struiken in, terwijl hij opgewonden riep: ‘Hier is het! We zijn er!’ Maar dan kwamen ze uit bij een moeras, een ravijn en ten slotte een kale rotswand.
Die laatste keer, toen de weg doodliep, kreeg Tanis het gevoel dat zijn ziel uit zijn lichaam werd gerukt. Zelfs Tasselhof deinsde geschrokken terug toen hij het van razernij vertrokken gezicht van de halfelf zag. Wanhopig probeerde Tanis zich te beheersen, en pas toen zag hij het.
‘Waar is Berem?’ vroeg hij. De koude rilling die over zijn rug liep, verjoeg zijn woede.
Caramon knipperde met zijn ogen, alsof hij van heel ver moest terugkomen. Haastig keek de grote krijger om zich heen, waarop hij zich met een rood gezicht van schaamte naar Tanis omdraaide. ‘Ik... ik weet het niet, Tanis. Ik... ik dacht dat hij gewoon naast me liep.’
‘Hij is de enige die weet hoe we in Neraka moeten komen,’ zei de halfelf met opeengeklemde kiezen, ‘en hij is de enige reden dat Laurana in leven wordt gelaten. Als ze hem te pakken krijgen...’
Tanis zweeg, want de plotseling opkomende tranen verstikten zijn stem. Wanhopig probeerde hij na te denken, ondanks het bonzen van het bloed in zijn hoofd.
‘Maak je geen zorgen, jongen,’ zei Flint bars terwijl hij de halfelf een klopje op zijn arm gaf. ‘We vinden hem wel.’
‘Het spijt me, Tanis,’ mompelde Caramon. ‘Ik liep na te denken over... over Raist. Ik... ik weet dat ik eigenlijk niet...’
‘Hoe in de naam van de Afgrond slaagt die broer van jou erin ons zelfs bij afwezigheid te hinderen?’ schreeuwde Tanis. Toen bedwong hij zijn woede. ‘Het spijt me, Caramon,’ zei hij met een diepe zucht. ‘Je moet het jezelf niet kwalijk nemen. Ik had ook beter moeten opletten. Wij allemaal. We moeten toch een eindje terug, tenzij Fizban ons dwars door die rotswand heen kan leiden... Nee, waag het niet, oude man... Berem kan nooit ver weg zijn, en ik denk dat we zijn spoor makkelijk kunnen vinden. Hij is geen bedreven woudloper.’
Tanis had gelijk. Nadat ze een uur lang terug waren gelopen in de richting; waar ze vandaan kwamen, ontdekten ze een wildspoor dat niemand in het voorbijgaan had opgemerkt. Het was Flint die de voetafdrukken van de man in de modder zag staan. Met een opgewonden kreet naar de anderen stormde de dwerg de struiken in en volgde het duidelijk zichtbare pad. De anderen renden achter hem aan, maar de dwerg leek een onvermoede bron van energie te hebben aangeboord. Als een jachthond die weet dat zijn prooi niet ver weg is vertrapte Flint de strikplantranken en baande zich al hakkend een weg door het kreupelhout, zonder ook maar even zijn pas in te houden. Al snel liep hij op de anderen uit.